9 oktober 2012
Opinie
‘Sport verbroedert’ - een oude olympische gedachte - is voor beleidsmakers op integratiegebied een aantrekkelijke uitspraak. Wat we in de samenleving niet voor elkaar krijgen - bruggen slaan tussen mensen van diverse komaf - lukt in de sport wel, is daarbij de leidende gedachte. En dus leggen overheden met graagte een aantal sociale problematieken op het bordje van de sport. Criminele jongeren krijgen in sportscholen een gedegen training, waarbij allerlei opvoedende impulsen de jongere op het juiste pad houden. Jeugd in het veld, maar ook ouders langs de lijn trekken samen op en overbruggen culturele en religieuze verschillen door hun gezamenlijke focus op de sportprestaties van hun kroost. Het zijn zomaar twee voorbeelden die de oude slogan ‘sport verbroedert’ in een eigentijdse vorm presenteren. Daar waar bijvoorbeeld politie, onderwijs en (geestelijke) gezondheidszorg falen, lijkt de sport soelaas te bieden.
De sportwereld zag in het recente verleden de gemeentelijke en landelijke begrotingen hun posten met diversiteitspotjes en integratieprojecten opvoeren. Dat was zeer welkom. Subsidiegevers hadden een groot belang bij de slogan ‘sport verbroedert’ (met sport kunnen we effectief iets doen aan integratie) en de subsidievragers zelf hadden al evenzeer hun belang bij het voortzetten van het geloof in de slogan. ‘We krijgen (veel) geld voor de club als we iets doen aan ‘allochtonen’.
Douchen in je onderbroek
Inmiddels rijst sterk de vraag of sport wel zo verbroedert. Een hockeyvereniging die zich op het fenomeen diversiteit stortte - blij met subsidie - zag zich worstelen met het ‘wij-gevoel’ toen een rasta-vader langs de lijn aantrad en de barbediening plots geen correct Nederlands meer sprak. De op papier gewenste diversiteit, raakte in de praktijk aan de eigen ‘identiteit’. En in een voetbalclub was het op de jongenskleedkamer gewoon dat er naakt gedoucht werd, maar naarmate er meer Turkse jongens meevoetbalden was er geen houden aan. De regel werd problematisch. In een poging de identiteit en de spelregels vast te houden, stelde de autochtone trainer zich op het standpunt dat douchen in je onderbroek onhygiënisch is en ‘bovendien geen gebruik bij ons’. Het wij-gevoel in de club krijgt het er als vanzelf moeilijk mee. Op de turnclub dragen turnsters al jaren een strak hesje (uiteraard zonder hoofddoek) ‘dus dat blijven we doen, ook al komen er nu moslima’s bij. Ze zijn van harte welkom, hoor, maar ze moeten zich aanpassen’. De spanningen - in de voetbalwereld zijn er clubs al overgegaan tot een allochtonenledenstop - worden met ‘samen sporten’ niet zomaar opgelost. Sport verbroedert, maar sport polariseert ook. Dat is een inzicht dat ons niet geruststelt en al helemaal geen subsidie oplevert. Maar het moet desondanks gezegd.
De focus in de politiek is veelal een focus op ‘zij’; ‘de ander’ die problemen oplevert. In de sport ligt de moeite bij het ‘wij’. We willen ons ‘wij-gevoel’ niet kwijt. Als een voorzitter van een voetbalclub na twintig jaar bestuurswerk ‘zijn’ club van kleur ziet verschieten - de plaats waar hij dertig jaar geleden in de kantine nog gehaktballen (half om half) stond te draaien voor de jongens van het eerste team - dan raakt de komst van allochtonen op de eerste plaats dit hele persoonlijke ‘wij-gevoel’. ‘Waarom moeten we nu halal vlees verkopen?’ Verandering is voor dit wij-gevoel een bedreiging, of die nu komt door de komst van Marokkanen, door een fusie met een andere club, het afschaffen van bier uit de tap of verhoging van de contributie. Dit is een gegeven dat in goedbedoelde nota’s over diversiteit en ‘het vieren van kleurrijk Nederland’ nog wel eens over het hoofd wordt gezien. Lange opsommingen over de voordelen van diversiteit en kansen op potentiële aanwas van nieuwe leden bij de club doen aan basale wij-gevoelens niets af.
'Gesloten' of 'open' identiteit?
Onderscheidend is daarbij de vraag of de eigen identiteit van een club ‘gesloten’ of ‘open’ is. De politieke polarisatie presenteert enkel gesloten identiteiten. Iemand die links is, moet ook wel elite zijn. Iemand die moslim is, moet wel een hekel hebben aan ‘het Westen en de democratie’. Iemand die PVV stemt, moet wel een onwetende egoïst zijn. Met deze gesloten identiteiten worden we in de media bestookt. In de sportvereniging is deze manier van denken - zoals overal - ook aan de orde, maar de overgrote meerderheid van verenigingen heeft in beginsel een open identiteit; ze willen groeien en de club groot maken. Iedereen die bij ons ‘wij’ aansluit, is welkom. Onder druk van politieke polarisatie worden kleine problemen - halal eten in de kantine, Kerst én Ramadan vieren, douchen met of zonder onderbroek - maar ook grote problemen - schelden op het veld, slachtoffergedrag en discriminatie - tot onoverkomelijkheden. Het ging overigens tien jaar geleden al over ‘de onderbroek onder de douche’ en het gaat er helaas nog over. Er is weinig vooruitgang. Dezelfde argumenten voor of juist tegen worden na tien jaar nog steeds herhaald.
Clubs werken uitstekend voor bonding, maar zijn niet zomaar geschikt instrument voor bridging (bruggen slaan tussen mensen die sterk verschillen). De eigen club is juist vaak de plek, waar iemand zichzelf wil zijn. Op het werk of op straat komen mensen van allerlei slag elkaar tegen en moeten we verschillen overbruggen, maar de sportclub is voor velen een safe haven, waar iemand even de interculturele inspanningen achter zich kan laten. Het ‘ons kent ons’ telt bij de keuze voor een sportclub zwaar mee, zo blijkt uit vele onderzoeken.
Soort zoekt soort
Vanuit deze behoefte kiezen mensen voor een club van ‘hun kleur’. Een voetbalteam van Molukkers of juist een club van voornamelijk Marokkaanse voetballers, een witte hockeyclub met ‘eigen mensen’ of een basketbalclub van Antillianen. Er zijn in de levende praktijk talloze voorbeelden te vinden, waarin de drive van mensen om te komen tot bonding zichtbaar wordt. Bridging is voor het individu een secundair belang. Op een sportschool waar allochtone meisjes aan kickboksen doen, staat met de meest grote waarschijnlijkheid een allochtone trainer voor de groep. En natuurlijk is er ook het gescheiden zwemmen of joggen van allochtone vrouwen. De biologische impuls ‘soort-zoekt-soort’ - hier omkleed met talloze culturele redenen (we willen niet worden bespied, we begrijpen elkaar beter en hebben aan een half woord genoeg) - is in de praktijk in Nederland sterk aanwezig. Sport dient voor het individu het doel van bonding en dat gaat met een zekere uitsluiting gepaard. Beleidsmakers zien sport graag als het sterke middel voor bridging, maar dat is met zekerheid niet waarop mensen hun sportclub kiezen.
Op één type identiteit is het vergrootglas komen te liggen. Sportvoorzieningen specifiek voor allochtonen - en met name moslims - zijn in een kwade reuk komen te staan. Zo is er in een aantal gemeenten geen subsidie meer voor het gescheiden zwemmen van allochtone vrouwen. Als motief wordt daarvoor aangevoerd dat gemengd ‘de norm’ is, dat zwemmen in burqini vies en onveilig is, en dat een claim op sportgelden met kostbare extra gelden voor een specifieke groep niet verdedigbaar is. Daarbij kunnen we opmerken dat gemengd sporten in bijvoorbeeld de voetbalwereld en in de meeste sporten juist niet de norm is (korfbal als grote uitzondering), dat de burqini over het algemeen van soortgelijke stof is gemaakt als het strakke pak van Ranomi Kromowidjojo. Onhygiënisch? En als het gaat om geld dan is het veel duurdere babyzwemmen en zwemmen voor ouderen - waarvoor het zwembad een aantal graden moet worden bijverwarmd - geen enkel probleem. De inhoudelijke argumenten snijden geen hout, maar de maatschappelijke druk waarin politieke tegenstellingen een grote rol spelen, belemmeren beleidsmakers het zicht op nuchtere afwegingen. In het domein van de sport klinkt hier een echo door van de politieke polarisatie. En zolang in de politieke polarisatie de identiteit van moslims als problematisch wordt gekenschetst is dit ook in de sporthal, het zwembad of op het sportveld aan de orde.
'Dit speelt helemaal niet bij ons'
Het propageren van een volkomen ‘open identiteit’ sluit niet aan op de wens van sporters en de praktijk van sportclubs. Maar betekent dit dat we daarmee zijn overgeleverd aan ‘gesloten identiteiten’, waar ruimte voor ‘de ander’ ontbreekt? Visie hierop ontbreekt bij talloze verenigingen. Om het scherp te stellen durft een van de bondsbestuurders in onze denktank de stelling aan dat misschien 5% hierop enigszins een visie heeft ontwikkeld. 95% is ofwel in staat de vraag te negeren – ‘dit speelt helemaal niet bij ons’ of ‘wij bepalen ons tot de sport en houden ons hier niet mee bezig’ - of het vraagstuk wordt wél gezien, maar men beschikt over onvoldoende antwoorden.
Hoe gaan we vorming van (te) gesloten identiteiten tegen? Het is daarvoor noodzakelijk onze eigen gedachtepatronen tegen het licht te houden. De sportsector heeft baat bij het doorbreken van een aantal dwingende gedachtepatronen, bij eyeopeners die de vorming van ‘gesloten identiteiten’ van clubs tegengaan.
1. In bijvoorbeeld het gedachtepatroon van veel autochtonen hebben alleen allochtonen ‘etniciteit’. Een tennisclub van blanke autochtonen heet daarom niet etnisch te zijn, want daar doen ze ‘normaal’. Een vechtsportschool van Surinamers is wel etnisch, want het gaat er ‘anders’ aan toe. Autochtonen zien gemakkelijk over het hoofd dat zijzelf evenzeer cultureel en historisch zijn gevormd, wat deel uitmaakt van hun eigen etniciteit. Een sportkantine waar iedereen welkom heet te zijn, maar waar de Hollandse tapijtjes op tafel liggen, met witte kant afgezet, waar ‘de koffie bruin staat’ en André Hazes door de luidspreker schalt, is niet voor elke Nederlander uitnodigend. De etniciteit van de autochtoon is ‘het normale’, en juist dit gegeven ontneemt de autochtoon de culturele sensibiliteit om zijn eigen etniciteit waar te nemen. Een even clichématig beeld wijst uit hoe sterk dit werkt: een sportkantine waar iedereen welkom heet te zijn, maar waar de barman in djellaba muntthee schenkt, waar Arabische muziek klinkt en gebedskleedjes in de hoek geduldig wachten om enkele malen per dag tevoorschijn te worden gehaald voor gebed, is niet voor elke Nederlander uitnodigend.
2. Problemen van culturele aard worden vaak in een persoonlijke sfeer getrokken. Een allochtone ouder heet dan bijvoorbeeld weinig betrokken. Bij het rijden voor uitwedstrijden van de kinderen laat hij verstek gaan. Goedwillende autochtonen menen dan al snel dat deze ouder niet beschikt over een auto. Dat deze ‘autoloze’ ouder ook gewoon naar de supermarkt rijdt en de achterbak vollaadt voor weekendboodschappen wordt niet opgemerkt. Veel allochtone ouders - zo blijkt uit onderzoek - hebben stomweg geen enkele bekendheid met de vrijwilligerscultuur in het Nederlandse verenigingsleven. Dat moet uitgelegd, en herhaaldelijk uitgelegd. Aannemen dat er sprake is van onwil is een onjuiste, maar in elk geval beslist een onvruchtbare weg.
3. De bereidheid om vrijwilligerswerk voor de club te verrichten neemt toe met opname in het ‘wij-gevoel’. Dat ‘wij-gevoel’ is voorwaarde. Een ‘open identiteit’ waar aansluiting voor mensen van diverse komaf mogelijk is, is een noodzakelijke voorwaarde om vrijwilligers en bijvoorbeeld trainers te kunnen rekruteren. Daarbij wordt voor de allochtoon soms bij voorbaat alleen een rol als strepentrekker op het veld of een klus bij de technische commissie of achter de bar als het hoogst haalbare gezien. Juist bestuurswerk, een trainerschap, of welke positie van aanzien dan ook, kan van grote betekenis zijn voor de ontwikkeling van een open identiteit. Een divers bestuur - met vrouwen, wit en zwart gemengd, gelovig en ongelovig - heeft aantrekkingskracht voor diverse groepen.
De groei en openheid van verenigingen hangt sterk op de mentale omslag die mensen op dit vlak kunnen maken. Zijn we in staat om de blinde vlekken in onze waarneming te detecteren? We kampen daarbij op de eerste plaats met sterke ‘wij-gevoelens’, misschien ook wel met gevoelens van nostalgie, die door de politieke polarisatie telkens opnieuw worden bespeeld. Op microniveau - de vereniging en de gevoelens van individuele leden - is de sportwereld niet ongevoelig voor wat zich op macroniveau in de landelijke politiek afspeelt. Als in de landelijke politiek de polarisatie doorzet, heeft dit zijn weerslag in de opstelling van allochtonen en autochtonen die elkaar in clubverband treffen. De sport - lang werd dit gedacht en met wishfull thinking ook gesteld - is daarop niet de grote gunstige uitzondering.
• Voor een reactie van Paul Verweel op dit artikel klik hier
• Voor een reactie van Stijn Verhagen op dit artikel klik hier
Bart Brandsma (1967) is filosoof en trainer (www.bartbrandsma.nl). Hij werkt o.m. voor De Nieuwe Liefde (www.denieuweliefde.com), een centrum voor debat, bezinning en poëzie. Sinds februari 2011 presenteert De Nieuwe Liefde publieksprogramma’s van ethische, filosofische, theologische, politieke en sociaal-maatschappelijke aard. De Nieuwe Liefde verzet zich tegen polarisatie, tegen het verscherpen van bestaande tegenstellingen tussen moslims en niet-moslims. Maar hoe komt polarisatie tot stand? En wat kunnen we ertegen doen? Voor de islamprogrammering (‘Over de Islam gesproken’) van De Nieuwe Liefde leidt Brandsma de ‘Denktank Polarisatie’, waarin hij samen met bruggenbouwers uit vier relevante beroepsgroepen op zoek gaat naar methoden om polarisatie tegen te gaan. Voor de denktank sport waren de deelnemers Harrie Dechering, Zainab Makhlouf, Hilde Lamers, Mohammed Dahmane, Edu Dumasy, Monique Hampsink, Martin Ho Suie Sang, Willie Westerhof, Agnes Elling en Milan Somers.
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.