Go with Golazo
Sportknowhowxl
Home
Opinie
Objectieve versus juridische waarheid

Objectieve versus juridische waarheid

15 januari 2013

Opinie

door: Bram Brouwer

In haar reactie op mijn betoog over 'waarheidsvinding' in de zaak Armstrong schrijft Marjan Olfers vrijwel direct dat ik voorbij ga aan het onderscheid tussen tucht- en strafrecht. Daarin heeft zij ongelijk. Ik ga niet aan dat onderscheid voorbij, het is in mijn betoog volstrekt irrelevant. Tucht- en strafrecht representeren maatschappelijke normen en waarden en het negeren van het onderscheid daartussen is ongeschikt als kritiek op een beschrijving van de bovengeschikte waardenvrije werkelijkheid. Olfers' waarheid gaat over het correct toepassen van de regels, mijn waarheid gaat over of de regels juist zijn.

Mijn nog wat eerder gepubliceerde column - kortweg 'waarheidsvinding' getiteld - beschrijft drie waarheidsconcepties: (1) de corresponderende waarheid, de werkelijkheid; (2) de coherente waarheid die samenvalt met ervaring, geloof, et cetera; en (3) de constructivistische waarheid, het domein van wetten, regels en afspraken. Beide eerste concepten worden bestudeerd binnen het wetenschappelijk paradigma waarin de echte objectieve, waardenvrije waarheid centraal staat. Dat is waarheid, vóór die wordt geïnterpreteerd door wetten (behoudens natuurwetten), regels, cultuur, geloof, et cetera. De juridische waarheid valt binnen het constructivistische waarheidsdomein, waarin regels bepalen hoe we met de waarheid omgaan.


Figuur 1. Drie waarheidsconcepties en hun onderlinge relatie.
Zwarte pijlen is beïnvloeding. Grijze pijlen met paraaf is verankering.

De corresponderende waarheid is de moeder aller waarheden. Coherentie en constructivisme zijn daaraan ondergeschikt. Ze kunnen wel elkaar, maar niet de werkelijkheid beïnvloeden (figuur 1, zwarte pijlen). De coherentie dat groenten gezond zijn werd in 2011 wreed verstoord door de EHEC-bacterie. En regels bepalen niet wanneer water bevriest, maar wel of we dat punt vervolgens 0° Celcius, 32° Fahrenheit of 273° Kelvin noemen. Om mythes en dwalingen te voorkomen moeten zowel de coherente als de juridische waarheid waar mogelijk steeds opnieuw in de werkelijkheid worden verankerd (figuur 1, grijze pijlen met paraaf), zeker als mensen er op veroordeeld worden.

Als deze verankering uitblijft ontstaan juridische dwalingen, zoals bij Lucia de Berk, Ina Post, de zes van Breda, et cetera. Het zelfreinigend vermogen van het juridisch domein is dan onvoldoende om denkfouten en vertekeningen te corrigeren. Pas na interventies uit de objectieve wetenschap werd vervolgens recht gedaan.

Kenmerkend voor correspondentie is dat ze altijd en overal geldig is. De coherente en juridische waarheid zijn daarentegen afhankelijk van plaats en tijd. Zoals: Jan is homoseksueel. In Nederland mag hij die geaardheid normaal uiten en praktiseren en mag hij met iemand van gelijk geslacht huwen. Maar dat is nog niet zo lang zo. In Amerika ligt dat al veel moeilijker en in Oeganda gaat Jan langdurig de cel in. Objectief gezien is Jan, altijd en overal, homoseksueel. De coherente en/of juridische interpretatie bepaalt hoe samenlevingen daarmee omgaan.

Methodologie is de leer van objectieve waarheidsvinding. Ze omvat ongeveer eenderde deel van wetenschappelijke opleidingen en wordt meestal als moeilijkste deel daarin ervaren. Juristen worden niet in methodologie opgeleid en hebben daardoor vaak een vertekend beeld over objectieve waarheidsvinding, zoals: dat de juridische waarheid daarmee samenvalt of er zelfs boven staat.

Voorbeelden uit de (doping)praktijk
Hierna enkele voorbeelden die het verschil tussen juridische en objectieve waarheid verduidelijken.

Waarheid vs. bewezen
Tijdens een interview in Nieuwsuur (6-12-2012) vertelt advocaat Jan Vlug dat zijn cliënt Jasper S. vrijwel direct de moord op Marianne Vaatstra aan hem bekende. Toch hield Vlug dit stil tot hij meer inzicht in het dossier had. Het is volgens de jurist Vlug namelijk niet relevant of iemand het gedaan heeft, maar of dat bewezen kan worden. Bij objectieve waarheidsvinding is het slechts relevant of iemand het gedaan heeft.

Getuigenverklaringen (zie ook hier)
Het juridische domein ziet beëdigde getuigenverklaringen als sterk bewijs. Een objectieve beoordeling van het menselijk geheugen toont echter aan dat herinneringen aanzienlijk minder betrouwbaar zijn dan juristen denken. In de Armstrong-zaak, waar die herinneringen langdurig door externe invloeden zijn vervuild, spreken de getuigen dan ook vrijwel zeker onbewust onwaarheid.

De psychologie kan ook vrij nauwkeurig voorspellen wanneer de kans dat mensen bewust onwaarheid spreken (liegen) toeneemt: als hun ego in het geding is, als ze hun gedrag achteraf kunnen rationaliseren en als ze vermoeider zijn. Voor de USADA gunstige verklaringen leverde de getuigen strafvermindering op en ze werden de redders van de wielersport. Dat gaf hun ego een enorme boost. Voor de USADA ongunstige verklaringen leidden echter tot zware straffen en maakte ze tot bedriegers. Hun ego zou tot nul dalen. Als redders van het wielrennen konden ze de leugen eenvoudig rationaliseren. Daarmee was het perfecte liegscenario gecreëerd, dat waarschijnlijker werd naarmate de vermoeidheid bij slopende verhoorsessies toenam.

Kortom: juridisch mag strafvermindering bij meewerkende getuigen geaccepteerd zijn, objectief stijgt hiermee de kans op foute verklaringen sterk. In de Armstrong-zaak zelfs zo sterk dat we die verklaringen als bewijs moeten verwerpen. En dan hebben we de invloed van dubbele agenda’s, misperceptie, uitgeoefende druk, sturende vraagstelling, intimidatie en wijze van registratie nog buiten beschouwing gelaten. In een aantal juridische dwalingen lukte het zo zelfs mensen een moord te laten bekennen, die ze niet pleegden. En omdat in de Armstrong-zaak de getuigenverklaringen de locomotieven van het bewijs zijn, staat de trein zonder die locomotieven stil.

Waarheidsvinding vs. juridisch gelijk hebben
Als de USADA op dé waarheid uit was geweest, had ze die beloond. Ook als die niet in hun voordeel was. Alleen voor hen gunstige verklaringen belonen wijst eerder op juridisch gelijk willen krijgen dan op objectieve waarheidsvinding. En je moet maar durven: jarenlang beweren dat dopingcontroles waterdicht zijn, om vervolgens 500 negatieve controles te negeren met het argument dat Armstrong daarbij ook wel gefraudeerd zou hebben. Dat kan waar zijn, maar dat moet dan wel onomstotelijk aangetoond worden. Dat zou echter tevens het deficit van de waterdichte controles bewijzen. Nu lijkt het fraude-bij-controles argument een gelegenheidsargument te zijn.

Bloedpaspoort
Maar ook gewoon onbevooroordeeld kijken kan een dopingveroordeling twijfelachtig maken. Zo werd de Duitse topschaatsster Claudia Pechstein via haar bloedpaspoort veroordeeld voor epo/bloeddoping, dat tot 20% voordeel zou geven. Bij de kleine verschillen in de topsport is dat voordeel gigantisch. Aangenomen de Duitse na haar straf zeker clean schaatste, mag verwacht worden dat haar prestaties sindsdien zichtbaar zijn verminderd. Het tegendeel is echter waar. Ondanks dat ze haar 40e verjaardag al vierde, presteert ze als in haar beste jaren. De vraag is dan: hoe verklaren we Pechsteins huidige prestatieniveau als dat, volgens haar veroordeling, eerder een enorme boost kreeg door doping?

Objectief gezien zijn er twee mogelijke verklaringen: (1) Pechstein gebruikte nooit doping, maar presteerde op eigen kracht en doet dat nog steeds. (2) Pechstein gebruikte doping, maar dat bevorderde haar prestaties niet. In beide gevallen is haar veroordeling objectief gezien onjuist. In het eerste geval is het een juridische dwaling en in het tweede gebruikte ze geen prestatiebevorderend middel en dus geen doping. Het argument dat epo en bloeddoping reglementair verboden zijn, is een juridisch en geen objectief argument.

De beste methode
In mijn column waarheidsvinding heb ik al aangegeven dat ik geen kritiek heb op het juridisch domein en de dominante positie van het recht daarin. Immers correspondentie en coherentie geven in juridische kwesties vaak geen oplossing. Juridisch constructivisme is dan wel geen ideale, maar wel de best beschikbare methode om onze maatschappij in goede banen te leiden en om ons de grootst mogelijke rechtszekerheid te geven.

Mijn kritiek behelst juristen die zich onvoldoende bewust zijn van de beperkingen in hun waarheidsconceptie. Dat moeten ze, zoals gezegd, waar mogelijk steeds opnieuw verankeren in de corresponderende werkelijkheid. Zo niet, dan ontstaat rechteloosheid, zoals het bestraffen van homoseksuelen in Oeganda. Helaas geeft ook onze geschiedenis onvoorstelbare voorbeelden van juridisch verankerde rechteloosheid.

Het antidopingbeleid
Een belangrijke oorzaak van de huidige situatie in de (wieler)sport is de onduidelijkheid over wat doping feitelijk is. Nadat pogingen om doping objectief te definiëren mislukten, werd het als zelfstandig juridisch fenomeen gedefinieerd: een overtreding van de antidoping-code. Dezelfde code die de dopingdefinitie bevat. Het antidopingbeleid werd zo verengd tot een zichzelf in stand houdende cirkelredenering: doping is strafbaar, omdat doping strafbaar is en daarom moet het bestraft worden. Er ontstond een wisselwerking tussen de coherente en juridische waarheid, waardoor verankering in de werkelijkheid niet meer nodig leek. Onze coherente waarheid liet ons immers zien wat doping doet. Het antidopingbeleid werd zo een utopisch geloof (100% doping free)met sterk fundamentalistische karaktertrekken, nauwelijks nog verankerd in de werkelijkheid.

Ik verwacht dat we over pakweg vijftien jaar met schaamte zullen terugzien op de huidige 'war on drugs' in de sport. Niet vanwege de ontelbare dopinggebruikers, maar omdat dat het onderliggende beleid, net als in de genoemde gerechtelijke dwalingen, gebaseerd was op waandenkbeelden, bevestigingsvertekeningen, drogredeneringen en zelfbevestigende voorspellingen.

Afsluiting
Als Olfers in haar betoog vrijwel direct zeg dat ik voorbij ga aan het onderscheid tussen tucht- en strafrecht, heeft ze ongelijk. Ik ga niet aan dat onderscheid voorbij, het is in mijn betoog volstrekt irrelevant. Tucht- en strafrecht representeren maatschappelijke normen en waarden en zijn daardoor ongeschikt als kritiek op de bovengeschikte waardenvrije werkelijkheid. Voor dergelijke kritiek zijn objectieve argumenten nodig. Als Olfers haar kritiek besluit met: Maar dat is toch echt wat anders dan het vaststellen van de 'objectieve waarheid', bedoelt ze blijkbaar een andere objectieve waarheid dan ik. Olfers waarheid gaat over het correct toepassen van de regels, mijn waarheid gaat over of de regels juist zijn.

Bram Brouwer is ruim dertig jaar schaatstrainer en was een van de eerste gediplomeerde wielrentrainers in Nederlanden. Hij heeft 15 jaar professioneel duursporters begeleid en is daarna psychologie gaan studeren aan de Open Universiteit. Hier studeerde hij in 2009 cum laude af als arbeids- en organisatiepsycholoog op het onderwerp ‘Doping als drogreden’ en behaalde de basisaantekening sportpsychologie. Momenteel werkt hij aan zijn proefschrift met als werktitel ‘De mythen van epo bij wielrennen’. Daarnaast werkt hij in zijn eigen praktijk, als adviseur/coach voor mensen en organisaties die willen presteren en verzorgt lezingen over deze onderwerpen. Voor meer informatie: info@brambrouwer.nl of www.brambrouwer.nl.

Deel dit bericht:

0 reacties

Nog geen reacties. Wees de eerste!

Voeg je reactie toe

Meer over:

Blijf op de hoogte

Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de 
belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.