Go with Golazo
Sportknowhowxl
Home
Opinie
Meedoen of stoppen

Meedoen of stoppen

9 juli 2013

Opinie

door: Jan Janssens

Ontluisterend was het, de confrontatie tussen Mart Smeets en David Walsh vanaf minuut 27 in 'De Avondetappe' van vorige week dinsdag. Smeets de journalist, schrijver en bewonderaar van de wielrenner, die net als het overgrote deel van zijn collega’s, de wielerofficials en -fans nog tot aan Armstrongs bekentenis eerder dit jaar bleven geloven in zijn onschuld. En Walsh, de Ierse journalist die al in 2001 met onthullingen kwam over de banden tussen het US Postal Team en dopingdokter Michele Ferrari en in 2004 samen met zijn Franse collega Pierre Ballester het geruchtmakende boek 'LA Confidential' publiceerde waarin Lance Armstrong als dopingzondaar werd ontmaskerd. Iedereen die verwachtte dat Smeets zich deemoedig en bewonderend zou opstellen kwam bedrogen uit. Walsh moest zich tegenover Smeets verdedigen omdat hij Armstrong beschuldigd had, want hoeveel harde bewijzen had hij daarvoor nou eigenlijk gehad? En had Armstrong tegenover Smeets himself het dopinggebruik niet tot driemaal toe ontkend?

Minstens even ontluisterend was Tour de Silence, een aflevering van Argos-tv: Medialogica twee weken geleden. Daarin kwamen behalve Smeets ook verschillende vakbroeders van hem aan het woord die vertelden over bedreigingen en intimidaties vanuit het peloton die volgden op kritische berichtgeving. Smeets bekende in dat verband zelfs dat hij zich hierdoor de mond had laten snoeren. Hoewel het de waarheidsvinding natuurlijk niet ten goede komt, als kritische volgers van de Tour tijdens de koers van de weg worden gereden, is dat toch niet de belangrijkste oorzaak voor het in standhouden van de mythes rond het dopinggebruik in het wielrennen. Zoals David Walsh het kernachtig verwoordde in Tour de Silence: 'de enige reden waarom je het niet weet, is omdat je het niet wil weten'.

Hoe anders is het te verklaren dat iedereen gefascineerd blijft door een sport waarin de ene bekentenis over dopinggebruik de andere volgt. Dat kan toch eigenlijk alleen maar als collectief wordt weggekeken. Dat is wat ook eigenlijk vooral naar voren kwam in het rapport Meedoen of stoppen van de onderzoeks- en adviescommissie Anti-Doping Aanpak.

De commissie Sorgdrager - ingesteld door NOC*NSF en KNWU - deed uitgebreid bronnenonderzoek en voerde tientallen gesprekken met (voormalig) wielrenners, ploegleiders, managers, medisch begeleiders, journalisten, sponsors en andere relevante personen om de waarheid over het dopinggebruik en de aanpak ervan (in het Nederlandse wielrennen) te achterhalen. Om iedereen tot openheid te verleiden hadden de gesprekken een vertrouwelijk karakter en wordt hieruit in het eindrapport van de commissie slechts een enkele keer (anoniem) geciteerd. Naar de andere bronnen wordt wel veelvuldig verwezen. Wie het rapport leest bekruipt al snel het gevoel dat eigenlijk alles al lang bekend was en dat de gesprekken daarvan vooral de bevestiging gaven. We wisten het niet, omdat we het niet wilden weten. De commissie Sorgdrager spreekt in dit verband zelfs van 'georganiseerde onwetendheid'(p.27).

Maar waarom wilden we het dan niet weten? Die vraag dringt zich natuurlijk onmiddellijk op. Het antwoord is eigenlijk eenvoudig: omdat we gek zijn op sport, omdat we ervan houden. Liefde maakt blind. Daar heeft de sportwereld last van.

Van sportjournalisten wordt wel eens gezegd dat het sportfans met blocnote zijn, maar als dat zo is, zijn bestuurders, beleidsmakers en onderzoekers in de sport dat minstens evenzeer. Ook daar is de kritische distantie vaak ver te zoeken.

Geloof, hoop en liefde, daar draait het om. Betrokkenheid. Hoe vaak is het bij sportcongressen al niet voorgekomen dat de dagvoorzitter bij aanvang daar expliciet naar informeert? 'Wie is er lid van een sportvereniging? Wil iedereen die afgelopen week meer dan drie keer heeft gesport, zijn hand opsteken?' Het viel me afgelopen week nog eens op toen ik aanschoof in een gemêleerd gezelschap. Hoewel het niet ter zake was en de voorzitter van de bijeenkomst daar niet om had gevraagd, vonden enkele aanwezigen het nodig om tijdens het kennismakingsrondje te memoreren welke sport zij in hun vrije tijd beoefenden. Het had iets weg van een geloofsbelijdenis. Diezelfde dag kreeg ik een nieuwsbrief in mijn mailbox waarin ik werd aangesproken als 'beste sportliefhebber' en werd een mail afgesloten met 'vriendelijke sportgroeten'.

Het zijn subtiele, en schijnbaar onbeduidende, verwijzingen naar een collectieve liefde. En van die liefde belichten we het liefst vooral de positieve kanten. We laten ons liever meevoeren in de heroïek en dramatiek van de Tour dan in list en bedrog. De prestaties van de winnaar schrijven we liever toe aan de wil om te winnen dan aan de wens om te bedriegen. Dat zien we niet alleen in de topsport, maar ook in de breedtesport, in het sportonderzoek en het sportbeleid. We zien de sportclub liever als een gezellige ontmoetingsplek dan als een plek waar jongeren leren te drinken. En we berichten liever enthousiast over de start van een veelbelovend sportstimuleringsproject dan dat we kritische vragen stellen bij evaluatie daarvan.

Blader de opeenvolgende nummers van Sport, Bestuur & Management of SportFM eens door of lees de nieuwsberichten op Sport Knowhow XL; er is in de sportsector bijna altijd en uitsluitend goed nieuws te melden. Gelukkig is er op de laatstgenoemde site overigens wel ruimte voor kritische geluiden op het open podium. Maar over het geheel genomen lijkt het belangrijker om beleid te legitimeren dan te analyseren. Twee actuele voorbeelden.

Eind mei kwam VeiligheidNL met een alarmerend bericht naar buiten over de toename van het aantal sportblessures onder kinderen (zie o.a. hier en hier. Het aantal sportblessures onder kinderen van 9 tot 12 jaar zou in vijf jaar tijd gestegen zijn van 130 duizend kwetsuren in 2006 naar 230 duizend in 2011. De toenemende bewegingsarmoede werd als oorzaak aangewezen. In de oplossingssfeer werd o.m. gepleit voor meer bewegingsonderwijs gegeven door vakleerkrachten. De KVLO was er vanzelfsprekend als de kippen bij om dat te onderstrepen.

Voor meer bewegingsonderwijs door vakleerkrachten valt veel te zeggen – daar niet van - maar op de analyse van de cijfers van VeiligheidNL valt veel af te dingen. Allereerst moeten bij die enorme toename aan blessureleed in een betrekkelijk korte tijd vraagtekens geplaatst worden. Snijden de verklaringen die daarvoor worden gegeven wel hout? Uit onderzoek van TNO en Mulier Instituut is bekend dat er nog altijd evenveel kinderen lid zijn van sportclubs, dat er minder inactieve kinderen zijn, dat meer kinderen aan de fitnorm voldoen, dat de score op Nationale Norm gezond Bewegen fluctueert en dat het bewegingsonderwijs op de basisscholen de laatste jaren niet achteruit is gegaan maar juist licht is verbeterd en dat er een ruimer aanbod aan schoolsportactiviteiten is. Met die kennis in het achterhoofd moet je jezelf afvragen of de cijfers wel betrouwbaar zijn, en als dat zo is, hoe accuraat de analyse is en hoe adequaat de aanbevelingen zijn.

Vraagtekens kunnen ook geplaatst worden bij (de berichtgeving over) het onderzoek naar innovaties in de sport dat in opdracht van InnosportNL is uitgevoerd. In het blad NoLimits - waarvan InnosportNL overigens mede-initiator is - wordt trots gemeld dat het eerste mondiale onderzoek naar sportinnovaties verrassende resultaten heeft opgeleverd. 'Wie nog twijfelde aan het belang van innovatie, wordt terechtgewezen door de onderzoeksresultaten: 85 procent van de belangrijkste toegepaste innovaties heeft concreet bijgedragen aan medaillewinst tijdens de Spelen in Londen.' Prachtig natuurlijk, maar klopt het ook? Het is te mooi om waar te zijn. Wie de moeite neemt om het onderzoeksverslag door te nemen en zich een beetje te verdiepen in de aanpak van het onderzoek, zal dat beamen.

Uit het rapport blijkt dat het onderzoek relatief bescheiden van omvang is en dat het resultaat een beetje opgepoetst wordt. Voor het onderzoek zijn wereldwijd ruim 300 experts benaderd maar daarvan hebben er 54 ook de moeite genomen om hun inzichten te delen via een online enquête. Niet minder dan 41 procent van deze respondenten kwam uit Nederland. De respondenten is gevraagd om maximaal vijf belangrijke sportinnovaties uit de periode 2008-2012 in één of twee takken van sport te identificeren en van de belangrijkste innovatie ('which had the most significant impact on sportperformance') aan te geven of deze heeft bijgedragen aan sportsucces.

Veel respondenten hebben op deze vraag geen antwoord gegeven of 'weet niet' ingevuld (26 procent), of aangegeven dat het effect niet meetbaar was (28 procent). Van de geïdentificeerde belangrijkste innovaties kon derhalve iets minder dan de helft (46 procent) rechtstreeks in verband worden gebracht met sportsucces en hiervan heeft uiteindelijk 85 procent bijgedragen aan (of bedoeld bij te dragen aan) medaillewinst op de Olympische Spelen in Londen (p.39). Door eerst de meest succesvolle innovaties op te sporen en vervolgens meer dan de helft van de innovaties buiten beschouwing te laten zegt het uiteindelijke percentage van innovaties dat (mogelijk) heeft bijgedragen aan medaillesucces eigenlijk niet zoveel meer over het belang van innovatie. Wie daaraan twijfelt wordt van de onderzoeksresultaten dus eigenlijk niets wijzer.

Het zijn twee actuele voorbeelden waar sportonderzoek, beleid en journalistiek elkaar raken. Sterker nog, waar deze met elkaar verweven zijn. Hoe groot deze verwevenheid is, kwam eerder ook naar voren in een enquête gehouden in de aanloop naar de Dag van het Sportonderzoek 2011. De bijeenkomst die naar aanleiding van deze enquête tijdens de DSO2011 werd georganiseerd trok een volle zaal, maar de discussie kwam niet echt van de grond. Onderzoekers en beleidsmakers waren en bleven lief voor elkaar. Er is sindsdien dan ook niets veranderd. En dat is jammer, want liefde maakt blind. De sportsector zou beter af zijn met iets meer distantie en kritische analyse. Maar misschien is het voor onderzoekers en journalisten wel net als voor wielrenners in een gedrogeerd peloton: meedoen of stoppen.

Jan Janssens is lector Sportbusiness Development bij de opleiding Sport, Management en Ondernemen aan de Hogeschool van Amsterdam. Voor meer informatie: j.w.janssens@hva.nl

Deel dit bericht:

0 reacties

Nog geen reacties. Wees de eerste!

Voeg je reactie toe

Meer over:

Blijf op de hoogte

Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de 
belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.