19 augustus 2014
Opinie
door: Ton Biessels
Wanneer ben je eigenlijk echt aan het leren? 'Je leert overal en altijd' is een veelgegeven antwoord op deze vraag. Er zijn verschillende manieren om te leren, en mensen leren ook verschillend. Er zijn eigenlijk geen slechte manieren van leren; wel zijn er vele die niet worden gebruikt. In mijn onderzoek naar ‘hoe en wat coaches leren’ blijkt dat er weinig breedte is in het aanpakken van het leren. Ik gebruik hiervoor de term ‘smal leren’. Dit maakt meteen duidelijk wat er aan de hand is en waar het probleem ligt.
Er worden slechts enkele manieren van leren ingezet. Verbreding is dan de uitdaging! In een poll op de website van ‘De Voetbaltrainer’ - een magazine voor coaches betaald voetbal - zien we de resultaten op de vraag: wat is uw favoriete manier van leren? Zo'n 110 coaches gaven antwoord en twee manieren van leren sprongen eruit: men leert graag in de eigen praktijk én gaat graag naar cursussen en clinics. Ook op ‘nadenken’ werd redelijk gescoord (De VoetbalTrainer, juli 2010). De conclusie is, dat van de zeven mogelijkheden om jezelf te ontwikkelen er slechts drie worden ‘benut’. Vier komen er nauwelijks aan bod. Het smalle in de volle breedte! Stof tot nadenken...
Beter worden in nadenken, hoe kun je dat bereiken?
Een favoriete manier hebben om je ontwikkeling aan te pakken - bijvoorbeeld door een dvd te bekijken en deze te analyseren - is één. Er ook goed in zijn, vaardig weten te analyseren en bruikbare conclusies te trekken is een andere zaak. Deze twee zaken kunnen ver uit elkaar liggen. Dat geldt ook voor ‘reflectional learning’. Daar denkt bijna iedereen goed in te zijn: nadenken is immers niet zo moeilijk. Of toch wel? We proberen in deze column te doorgronden wat het nadenkende leren je kan opleveren en hoe je het kan oppakken. Maar eerst zullen we een antwoord willen hebben op de vraag: wat is nadenkend leren?
Een anekdote: een atletiekcoach rijdt na een van de wekelijkse trainingen weer naar huis. De training was bijzonder zwaar geweest, dat was ook wel nodig, want kracht en duurvermogen lieten bij de atleten te wensen over. Zoals genadeloos bleek in de laatste twee ronden van de laatste race, en ook al uit eerdere races daarvoor. De coach laat nog even zijn aanpak voor verbetering door zijn hoofd gaan. Eventjes maar. Zijn gedachten springen al weer naar de volgende wedstrijd. Zal de training zijn rendement opleveren?
Met een leeg hoofd komt hij thuis aan. ‘Je hoofd leeg maken’ is immers steeds de kunst in dit vak van trainer/coach. Tevreden komt hij weer thuis. De aanpak gaat werken, besluit hij, al zappend langs de diverse televisiekanalen.
Stof tot nadenken
Elke coach herkent zich hier in, in zijn eigen tak van sport. Er is na een wedstrijd altijd veel stof tot nadenken. Tijdens het afgelopen WK voetbal werd dit statement weer regelmatig gemaakt, als coaches voor de camera kwamen uitleggen wat er mis ging. Maar hoe doe je dit nadenken nou op een productieve manier. Er is veel uit te halen, veel te winnen.
Om meer grip te krijgen op het onderwerp is een model altijd handig; ik gebruik zelf hiervoor het model van ‘on the job learning styles’ (Berings 2006). In haar model verdeelt de auteur - op basis van het moment van de reflectie - dit fenomeen in drie subcategorieën: denken vóór, tijdens en na de actie. Zo krijgen we logischerwijs: 1. reflectie vóór de actie (wedstrijd, training, moeilijk gesprek met een sporter of met het bestuur); 2. reflectie tijdens de actie; 3. reflectie ná de actie. Deze indeling helpt om te onderscheiden op welke momenten een coach kan reflecteren. Maar waarover zal hij gaan reflecteren? Je kunt wel ondersneeuwen met al die gedachten. Daarbij helpt nog een simpele indeling: de coach legt de focus op de individuele sporter, op het team, en op zichzelf. In z’n totaal twee drieluikjes; dat is al meer dan genoeg.
In de volgorde stel ik een kleine wijziging voor: begin met reflectie ná de actie: deze actie is immers de rijkste bron waar je de informatie uit haalt om je analyse te maken.
Eerst leren ‘achteruit te denken’
Je kunt stellen dat in bovenstaand voorbeeld van de atletiekcoach wel degelijk wordt nagedacht. Echter, ik zou het liever ‘denken’ sec noemen. Hij heeft gedachten en laat deze passeren. Er zit geen diepgang in de reflectie. Evenmin neemt hij er de tijd voor, noch zit er een systeem in. Zo haalt hij er niet uit wat mogelijk is. Wat leverde dit denken op? Coach is tevreden over de aanpak en vervolgt die. En zit zo in no-time weer bij de toekomst, namelijk bij de volgende wedstrijd. Hij is al begonnen aan het vooruitdenken.
Voor nadenken moet je even de tijd nemen en een model of systeem gebruiken. In plaats van nadenken wordt ook wel het woord reflectie gebruikt. Dat betekent letterlijk terugbuigen. Etymologisch is dit grappig en geeft ook heel duidelijk aan wat er moet gebeuren. Jezelf terug-buigen over wat er is gepasseerd in een training of wedstrijd. Daar ligt werkelijk een schat aan informatie, die om een grondige analyse vraagt. Op een rijtje gezet zijn de volgende acties noodzakelijk voor zo’n grondige analyse:
• Retrospectief denken: terugblikken!! Thuis én direct na de training of wedstrijd.
• Diepgaand: elke sporter of elk teamlid breng je op je netvlies. Wat is de kern?
• Alle momenten worden ‘teruggekeken’ als ware het een video.
• Als je tijdens de wedstrijd aantekeningen maakt zul je niets vergeten!
• Onderscheid in je analyse: kennis, vaardigheid en attitude.
• Pas deze verdeling ook op jezelf toe: wat heb je nodig aan kennis, vaardigheden? Wat was je attitude? (zie voor deze verdeling de eerdere column ‘practical learning’).
• In je eentje denken! Dan pas samen met anderen.
Deze leerstrategie ‘reflectional learning’ is een lastige. Dat komt deels door zijn vanzelfsprekendheid. Denken doe je sowieso wel. Maar denken om er iets concreets uit te halen en daardoor als coach beter in je vak te worden, is lastig, vraagt discipline en concentratie. En dan moet je het ook nog eens helemaal alleen doen.
Een voorbeeld: Je team heeft zojuist een wedstrijd winnend afgesloten. Toch ben je niet tevreden over het vertoonde spel. Je signaleerde irritatie bij enkele spelers. Wat speelde er? Daarbij kwam nog dat afspraken bij terugwinnen van de bal na balverlies niet werden nagekomen. Maar er was meer aan de hand. Je hield er een bezorgd gevoel aan over. Je raakt in gedachten; veel stof tot nadenken! Maar al snel verlies je de concentratie en besluit je om de eerstvolgende training de kwestie met je assistent-trainer te bespreken. Wel denk je nog dat je eerst zelf tot een eigen analyse zou moeten komen… Jij bent immers de coach.
Ton Biessels is management- en organisatieadviseur, maar zijn oorsprong ligt in de sport: hij studeerde aan de Academie voor Lichamelijke Opvoeding (ALO) in Tilburg en vervolgens Bewegingswetenschappen tot en met zijn kandidaats-examen aan de Vrije Universiteit Amsterdam (VU). Verder was hij jarenlang gymleraar in het basis- en voortgezet onderwijs en docent anatomie & fysiologie aan inservice-opleidingen. Momenteel werkt hij als buitenpromovendus aan de Universiteit Utrecht aan een promotieonderzoek getiteld ‘Hoe en wat coaches leren’. Voor meer informatie: tonbiessels@gmail.com.
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.