Go with Golazo
Sportknowhowxl
Home
Opinie
Dopingbestrijding bijt in eigen staart

Dopingbestrijding bijt in eigen staart

15 mei 2012

Opinie

door: Roel Nahuis

Het is weer dopingtijd in de kranten. Nuchtere beschrijvingen en harde beschuldigingen wisselen elkaar af. Helaas gaat het vaak over het overtreden van regels, maar zelden over die regels zelf. In deze column beweer ik dat die regels onderhevig zijn aan verwetenschappelijking en juridisering, waardoor de kosten van handhaving de pan uit rijzen. Bovendien maken alle investeringen in handhaving de weg naar een alternatief steeds moeilijker.

Elk jaar verschijnt er tussen de voorjaarsklassiekers en de Tour de France een flink aantal artikelen over doping in de verschillende kranten. In 2010 ging het over de aantijgingen van Landis aan het adres van Armstrong en over het motortje van Cancellara. In 2011 over Hamilton's aantijgingen en over de rentree van Thomas Dekker. En in 2012 dus over de Rabobankploeg. De Volkskrant suggereerde onlangs dat de Raboploeg het gebruik van doping jarenlang tolereerde en dat de ploeg daarmee waarschijnlijk geen uitzondering in het peloton vormde. Ook andere kranten rapporteerden over de zaak.

Het probleem met die mei-artikelen over doping is dat ze steeds weer een 'zie-je-wel' effect bij lezers oproepen, hoe neutraal de toon ook is. Door uitgebreide citaten laat de Volkskrant de lezer goed invoelen waarom wielrenners, ploegleiders en teamdirecteuren in bepaalde situaties bepaalde keuzes maken. Desondanks lees je in de reacties op forums als wielerflits.nl vooral ‘verbaast me niets’ en ‘weinig nieuwswaarde’. Het artikel is een mooie aanleiding om het beeld van een vervuilde sport maar weer tevoorschijn te halen, ook al wordt er in andere sporten evengoed doping gebruikt. Indirect dragen deze artikelen dus bij aan de sociale constructie van een dopingprobleem in het wielrennen.

De kosten van dopingbestrijding
Wat de Volkskrant beschrijft gebeurde vijf tot tien jaar geleden en dat is een lange periode in dit verband. Want sinds die tijd is de dopingbestrijding enorm veranderd. Regels zijn strenger geworden, er is veel geïnvesteerd in onderzoek naar detectie van substanties, landen die internationale sportevenementen organiseren beschikken over eigen high-tech laboratoria, het biologisch paspoort is ingevoerd, renners moeten continu beschikbaar zijn voor controles, ze kunnen worden veroordeeld op basis van indirect bewijs, ze kunnen jaren later nog worden veroordeeld en er worden veel hogere straffen uitgedeeld.

Ongetwijfeld komt doping tegenwoordig minder voor, maar moeten we deze ontwikkelingen daarom ook als een verbetering zien? Als het dopingprobleem er al mee zou zijn opgelost, dan is dat wel tegen erg hoge kosten. Voor de renners zelf, want controlesystemen onderwerpen hen aan allerlei beperkingen. Zij moeten op afroep beschikbaar zijn om door doctoren in hun lichaam te worden geprikt. Voor de ploegen, want die hebben in het anti-doping regime veel van hun macht ingeleverd bij supranationale regelgevende instanties. Bovendien raken zij steeds vaker verzeild in allerlei conflicten over bijvoorbeeld pro-tour licenties (Saxo/Contador), wild-cards (Vacansoleil/Ricco) of arbeidscontracten (Rabobank/Rasmussen). Voor bonden en koersorganisatoren, die voortdurend met elkaar in de clinch liggen. Voor zowel renners als bonden geldt bovendien dat de bestrijding van doping door middel van regelgeving leidt tot arbitrage in rechtbanken, met complexe dossiers, lange procedures en grote belangen in termen van reputaties en financiële claims. En voor het publiek, want er wordt jaarlijks naar schatting zo’n 100 miljoen dollar belastinggeld en bondscontributies gereserveerd voor kostbare dopingbestrijding (exclusief juridische kosten) die slechts wordt gebruikt door een zeer kleine fractie van de bevolking, namelijk topsporters.

Op mondiaal niveau bestaan de kosten bovendien uit het verder vergroten van de kloof tussen Noord en Zuid. Arme landen kunnen geen wedstrijden organiseren als ze niet in staat zijn om dure buitenlandse diensten voor het testen van monsters te betalen of hun eigen laboratoria op te zetten. Tenslotte, het blijft twijfelachtig of al die bestrijdingsmaatregelen doping werkelijk uitbannen. Voor hetzelfde geld gaat het gebruik verder ondergronds en vindt het plaats op medisch ongecontroleerde manieren.

Scheidsrechtersport
Een simpel zie-je-wel-oordeel over dopinggebruik negeert al deze kosten. Zo’n oordeel accepteert het simpele gegeven van een dopinglijst. Je zit goed als je geen producten op de lijst gebruikt en fout als je dat wel doet. De implicatie is echter dat de regelgevers zeker moeten weten welke middelen prestatiebevorderend zijn in welke sport, voldoende vertrouwen in wetenschap en statistiek moeten hebben en uitstralen om de uitkomst van een test te interpreteren als het misbruik van die middelen, en een hele infrastructuur moeten opbouwen en onderhouden om het volgen van de regels te controleren.

Filosoof Bas Haring twijfelde ooit openlijk in het televisieprogramma de Avondetappe van Mart Smeets aan de haalbaarheid daarvan (zie ook hier). Hij opperde dat het wielrennen af moet van vage en betwistbare criteria om aan juridisering van de sport te ontkomen; wielrennen heeft een scheidsrechter nodig, die vooraf, op basis van een eenvoudige en eenduidige test, kan vaststellen wie wel en wie niet koersgerechtigd is. Deze regel is feitelijk een aantal jaren gehanteerd. Uit nood. Tussen 1997 en 2001 wist de internationale wielerunie UCI dat renners epo gebruikten, maar had ze nog geen opsporingsmethode voorhanden. De UCI heeft toen de hematocrietcontrole, of gezondheidscontrole, ingevoerd. Ze controleerde niet het gebruik maar het effect van epo. Rekening houdend met natuurlijke verschillen werd de grens vrij ruim, maar wel medisch verantwoord, op 50% gezet. Wie na zware inspanning een lagere waarde had kon tot die grens herstellen, al dan niet met behulp van (verboden) epo. Wie de grens overschreed kreeg een startverbod opgelegd.

Een weg terug?
Vanuit het idee van een scheidsrechtersport was die oplossing zo gek nog niet. Het dopingprobleem gaat niet alleen over wat renners, managers en louche dealers volgens bepaalde regels doen, maar vooral ook over wat die regels met hen doen en welke maatschappelijke kosten dat met zich meebrengt. Dan bieden regels met controle op 'startwaarden' een goedkope oplossing, minder ingrijpend op het privéleven van renners, simpel en eenduidig te controleren, minder rechtsgangen en dus minder hoge juridische kosten voor verschillende partijen en, niet onbelangrijk, uitstekend verdedigbaar op grond van het sport-ethische principes. Men start immers met gelijke kansen. Helaas bestaat er geen gemakkelijke weg naar een ander soort spelregels. IOC, WADA en landen met een restrictief drugsbeleid oefenen grote druk op het wielrennen uit om van zijn bezoedelde imago af te komen. Verschillende sporten strijden om welke de meest effectieve dopingbestrijding heeft. Er is veel geïnvesteerd in R&D, testlaboratoria en reglementen. En er zijn forse inspanningen verricht om deze investeringen publiekelijk te legitimeren.

De dopingbestrijding is een slang geworden die in zijn eigen staart bijt. Zonder al die investeringen en inspanningen was het probleem ongetwijfeld veel minder groot geweest en zouden we nu een stuk nuchterder naar de medische begeleiding bij de Raboploeg kunnen kijken.

Roel Nahuis is in 2007 aan de Universiteit Utrecht gepromoveerd als wetenschaps- en technieksocioloog. Hij volgt de berichtgeving over doping al jaren met grote belangstelling en constateert daarin de uitbesteding van arbitrage aan wetenschappers en rechtbanken. Nahuis schreef eerder over o.a. de contraproductieve effecten van pijnbestrijding, waarmee sterke parallellen zijn te trekken. Voor meer informatie: r.nahuis@hotmail.nl

Deel dit bericht:

0 reacties

Nog geen reacties. Wees de eerste!

Voeg je reactie toe

Meer over:

Blijf op de hoogte

Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de 
belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.