13 februari 2025
Nieuws
door: Leo Aquina | 13 februari 2025
“Het gaat erom dat we samenkomen om nieuwe systemen te bedenken rondom de maatschappelijke impact van sport en bewegen”, zei lector en penvoerder Steven Vos bij de start van de SPRONG-groep PASS in februari 2024. Onderzoeker Pim Peeters is verantwoordelijk voor Werkpakket 3 binnen het onderzoekstraject en hij richt zich op de inventarisering, borging en uitwisseling van methodologieën, begrippen, paradigma’s en ethische principes die in de verschillende sectoren (sport en bewegen/onderwijs/welzijn/gezondheid) worden gehanteerd. Hoe staat dat er na een jaar voor?
Binnen Spring-PASS worden vier Werkpakketten onderscheiden. Het eerste Werkpakket houdt zich bezig met het programma-management, het tweede met zogenaamde living labs, het vierde richt zich op beleidsmakers en het derde werkpakket moet de andere werkpakketten voorzien van een 'instrumentarium'. Peeters: “Met het derde werkpakket zitten we er eigenlijk een beetje tussenin. Naarmate SPRONG PASS vordert gaan wij samen met de andere werkpakketten nieuwe gereedschappen ontwikkelen die hen helpen bij hun taak.” Aan het eind van het eerste jaar werkt Peeters met zijn team aan de afronding van de beginfase. Peeters licht toe: “We hebben het breed opgepakt en onderzocht wat voor instrumenten er al zijn om met living labs aan de slag te gaan. Waar het gaat om de bestuurs- en beleidskant hebben we ons meer gericht op kaders die helpen in de besluitvorming.”
Concreet?
Het werkpakket richt zich op methodologieën, begrippen, paradigma’s en ethische principes. Heeft Peeters daar concrete voorbeelden van? “Ik kan niet direct een concreet voorbeeld geven van iets dat direct toepasbaar is bij living labs”, zegt hij. Peeters ziet een paradox: “Enerzijds zijn er weinig toolkits die zich echt richten op living labs, anderzijds zijn er heel veel generieke toolkits om zaken in kaart te brengen als het gaat om praktijkonderzoek. Er is geen stappenplan, maar er zijn wel veel algemene teksten. De uitdaging is dat te vertalen naar de praktijk van onze living labs. Om die brug te slaan hebben we binnen Werkpakket 2 verschillende living labs bezocht met de vraag waar zij tegenaan lopen. Zo kunnen we de match zoeken tussen de bestaande methodologieën, begrippen, paradigma’s en ethische principes en de praktische vragen die van belang zijn voor de living labs. Op hoofdlijnen hebben we wel een idee van de aanpak, maar de precieze invulling moet per plek worden bepaald. We komen er meer en meer achter dat je eerder op principe stuurt, dan op specifieke werkwijzen.”
Als het gaat om het formuleren van begrippen, is consistentie het probleem. Peeters: “Er is al veel aan begripsbepaling gedaan, maar de consistentie ontbreekt. Er zijn verschillende versies van living labs, dus het begint bij de vraag: wat is eigenlijk een living lab? Waaraan moet een living lab nu werkelijk voldoen om die naam te verdienen? We hebben wel ideeën over de werkzame principes van living labs, maar er is weinig overeenstemming over hoe die principes in de praktijk precies vormgegeven moeten worden.”
Verschil
Peeters constateert ook dat er best grote verschillen bestaan tussen living labs zoals de technologiesector die kent om producten te ontwikkelen en de living labs op het gebied van sport en bewegen. “In de technologiesector heb je bijvoorbeeld ENoLL, waar onderzoekers samen met commerciële partijen producten ontwikkelen om die samen in de markt te zetten. In sport en bewegen zijn we primair bezig maatschappelijke waarde te creëren en dat is toch iets anders.”
Als het gaat om de formulering van ‘ethische principes’ waar de Living labs rekening mee moeten houden, is Peeters wel concreet: “Vanuit werkpakket 2 blijkt dat living labs worstelen met vragen rondom privacy en hoe je daar in een onderzoek mee omgaat: hoe zit het met de toestemming die deelnemers moeten geven om mee te doen aan onderzoek en hoe zit het bijvoorbeeld met de gezondheidsverschillen binnen een onderzoek?” De ‘paradigma’s’ tot slot, krijgen iets minder aandacht. Peeters: “Daar is de focus in de beginfase van SPRONG PASS iets minder op, maar je kunt denken aan zaken als hoe we ons verhouden tot burgerwetenschap. In subsidie-eisen wordt vaak gesteld dat burgers bij het onderzoek moeten worden betrokken. Daarbij kun je ook op voorhand de vraag stellen: wie is eigenaar van het onderzoek en zouden die burgers dan niet op voorhand al betrokken moeten worden bij de subsidieaanvraag?”
Zoeken naar kaders
Naast het voorzien in methodologieën, begrippen, paradigma’s en ethische principes richt Werkpakket 3 zich op de professionalisering van bruggenbouwers. Peeters: “Daarbij gaat het om mensen die de verbinding leggen tussen de verschillende partijen. Binnen living labs wordt deze rol vaak belegd bij een lab-regisseur en/of senior onderzoeker, maar het kan ook gaan om mensen die specifiek zijn aangesteld als lab-regisseur. In die rol zijn mensen vaak zoekende omdat er geen duidelijke kaders voor zijn vastgesteld. Op de Fontys-hogeschool hebben we een opleidingstraject ontwikkeld om die mensen te helpen de eerste stappen te zetten en vanuit die opleiding komen zij ook in een community van bruggenbouwers.”
Het SPRONG-PASS traject heeft een looptijd van vier jaar, met een optie op nog eens vier jaar extra. “Het is belangrijk om er ook echt langdurig mee aan de slag te gaan om ervoor te zorgen dat er een goed fundament staat waarop kan worden voortgebouwd”, aldus Peeters. Daarin zit volgens hem ook de maatschappelijke relevantie: “Het gaat er bij SPRONG PASS niet zozeer om dat we jongeren in beweging brengen, maar we zorgen dat we als onderzoeksgroep beter en sterker worden zodat we het onderzoek dat daarvoor zorgt beter kunnen faciliteren. De maatschappelijke relevantie zit dus in die doorwerking.”
Voor meer informatie: SPRONG-groep PASS (projectinformatie op Lectorenplatform Sport & Bewegen)
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.