Skip Navigation LinksHome-Nieuws-Column XL-Item

Breed motorisch opleiden, een kritische blik 23 november 2021

door: Jaap Verhagen

Gelukkig is er steeds meer aandacht voor bewegen, gezondheid en motoriek. Niet alleen in vakliteratuur maar ook via webinars, scholingen en de lokale en landelijke media wordt kennis en informatie gedeeld. Bewegen en gezondheid is hot. Steeds meer deskundigen, stakeholders, opiniemakers, schrijvers en andere belanghebbenden geven gevraagd en ongevraagd hun mening, al dan niet gebaseerd op (wetenschappelijke) kennis en (eigen) belang. Belangen zoals: product of kennisverkoop, waarschuwen van (delen van) de samenleving, beleid en gewin. Vraagt al die aandacht niet ook om een kritische blik?

Wanneer ik lees wat er op internet, in vakliteratuur en via andere media wordt beweerd en verkondigd over wat er zou moeten gebeuren om het aanleren van bewegen te verbeteren, schrik ik regelmatig van de aannames, beperkte onderzoeken en daaraan gekoppelde inzichten die tot een beter beleid op het gebied van sport en bewegen en daarmee een beter ontwikkelde motorische ontwikkeling van de huidige generatie zouden moeten leiden. In dit artikel plaats ik enkele kritische vragen bij inzichten en conclusies die worden getrokken en die volgens mij veelal verfijning behoeven. 

Mijn ervaring op het gebied van onderwijs in bewegen, discussies die ik met regelmaat voer met vakcollega’s over de inrichting van het onderwijs en enkele gepubliceerde artikelen, zijn daarbij de voornaamste bron van mijn scepsis. De kritische vragen richten zich op enerzijds de aandacht die ontwikkelingen rondom Breed Motorisch Opleiden (BMO) genereren en aan de andere kant de beperkte aandacht voor de eigen onderwijs/mens visie en de manier waarop mensen zouden willen opleiden.

"Het valt op dat de uitwerking van de diverse BMO-programma’s per aanbieder verschillend is"

De claim van BMO
De breed motorische ontwikkeling (BMO) claimt bij te dragen aan drie aspecten (Hoofwijk et al, 2020): een verbetering van de gezondheid, een vergroting en/of verbreding van de participatie en aan persoonlijke ontwikkeling. Welke persoonlijke ontwikkeling wordt in dat artikel niet helemaal duidelijk.

Het Athletic Skills Model (ASM), Multimove, Eco-coach, Nijntje beweegdiploma en Monkey Moves zijn voorbeelden van aanbieders die een programma verzorgen dat bijdraagt aan een brede motorische ontwikkeling. Het valt op dat de uitwerking van de diverse BMO-programma’s per aanbieder verschillend is. 

MonkeyMoves-2Mijn eerste kritische vraag is deze: hoe wordt deze breed motorische ontwikkeling vormgegeven bij kinderen die minder plezier beleven aan bewegen en minder goed kunnen meekomen en moeite hebben om samen met andere kinderen te bewegen?

Ten tweede is er de vraag naar hoe breed deze ontwikkeling is en is het aanbieden van (deze) activiteiten dan voldoende en welke activiteiten zijn dit dan precies? Zijn er ook minder geschikte activiteiten? Wat maakt activiteiten geschikt en waar is dit dan van afhankelijk?

"Is er enig wetenschappelijk bewijs dat een BMO-programma betere resultaten oplevert, dan een niet BMO-programma? En welke concrete resultaten zijn dit dan?"

Een sprong voorwaarts
Kenniscentrum Sport & Bewegen citeert, onder andere op haar website, Marieke van der Plas (directeur KNGU) die zegt dat ouders een sprong ervaren in de ontwikkeling van hun kind. Over welke ontwikkeling gaat het dan? Gaat dat om motorische ontwikkeling? Cognitieve ontwikkeling of sociaal en emotionele ontwikkeling? Of alle drie? En was die sprong eerder niet zichtbaar? En hoe komt dat dan? Door het programma of door de trainers of door beide? Of alleen doordat kinderen meer bewegen? Sommige programma’s leiden ook trainers op. Bij welke groepen worden deze trainers dan ingezet? Is daar beleid op gemaakt? Worden die trainers begeleid? Wat is dan het verschil tussen wel en niet opgeleide trainers? Hoe worden die verschillen erkend en eventueel ‘opgelost’?

XL40ColumnXLJV-1Zijn de trainers die een dergelijk programma niet gevolgd hebben, minder in staat om breed op te leiden en wat zijn dan hun pedagogische, didactische en methodische tekorten? Is er enig wetenschappelijk bewijs dat een BMO-programma betere resultaten oplevert, dan een niet BMO-programma? En welke concrete resultaten zijn dit dan? En is het dan ook niet ‘logisch’ dat BMO-geschoolde trainers en begeleiders worden ingezet bij de jongste jeugd?

Het feit dat de beginnende en de vaak minst ‘goede’ trainers de trainingen geven aan de minst vaardige spelers bij een sportclub, is dit niet een veel grotere belemmering dan het wel of niet breed motorisch opleiden van bijvoorbeeld de onder 8-voetballers? Kenniscentrum Sport & Bewegen schrijft op hun website dat actieve kinderen op oudere leeftijd meer sporten en bewegen en daardoor minder last hebben van overgewicht. Ik ben benieuwd welke leeftijd als oudere leeftijd wordt bedoeld, dat staat niet vermeld. Is dat een genetisch gegeven of ontstaat dat door opvoeding en omgeving? Het blijkt net even genuanceerder te liggen, zo laat het onderzoek van Levine (2007) over NEAT-conservers en activators zien.

"Sommige mensen hebben een erfelijk bepaalde hersenbedrading die lichaamsbeweging minder belonend maakt"

Bankhangen: genetisch bepaald
Op z’n minst wordt bankhangen en minder bewegen voor een deel bepaald door je DNA. (Mann, 2015; Levine, 2007). Het lijkt erop dat bepaalde individuen minder gevoelig zijn voor belonende stoffen in de hersenen, aldus Eco de Geus, 2021 (hoogleraar aan de VU Amsterdam). Hij deed afgelopen jaren onderzoek en constateerde dat sommige mensen een erfelijk bepaalde hersenbedrading hebben die lichaamsbeweging minder belonend maakt. De Geus maakt dan ook onderscheid tussen fysieke en psychische effecten, waarbij naar voren komt, en dat is niet onbelangrijk, dat er geen samenhang blijkt te zijn tussen fysieke en psychische effecten.

XL40ColumnXLJV-1De eerste 2000 dagen van het leven van een kind zijn belangrijk voor het bewegen op latere leeftijd en schijnen hier een belangrijke bijdrage in te leveren (Hadders-Algra, Dirks, 2000). Een brede motorische basis bij jonge kinderen zou meer kans op een leven lang sporten en bewegen met plezier geven. Is bewegen op een niveau dat aansluit bij dat van het kind daarvoor niet van groter belang? En je gehoord en verbonden voelen op de momenten waarop je beweegt en dus minder nadruk in de sport en het bewegingsonderwijs op fit zijn en het voldoen aan de verwachting van anderen (leerkracht, team/klasgenoten, ouders). In dit verband is het ook van belang dat beweegprofessionals stoppen met het afnemen van testen en formeel en informeel beoordelen van de fitheid (en het beweegniveau) van de bewegers (zie o.a. Culp, 2021). Het uitgaan van en gaan kijken naar het waargenomen zelfbeeld (de ‘perceived competence’) zoals Robinson et al in 2015 reeds suggereerden en Saffron en Landli in hun artikel Beyond the Beeps in 2021 beschreven, lijkt van groter invloed te zijn op een leven lang sporten. Is juist deze nadruk op het fysiek en motorisch presteren niet een van de grootste belemmeringen voor kinderen om deel te (blijven) nemen aan sportactiviteiten? En geldt dit niet nog meer voor het onderwijs in bewegen?

"De (wild)groei van motorische tests heeft naar mijn idee kwalijke kanten"

Homo Adidas
BMO propageert een andere manier van denken over sporten, spelen en bewegen. Zo klinkt de visie die ASM uitdraagt in eerste instantie erg kindgericht. 'Het ASM draagt bij aan een optimale (talent)ontwikkeling voor ieder kind en adolescent van elk bewegingsniveau. De leerling staat centraal in een andere manier van denken over bewegen. Hierdoor ontstaat een kwaliteitsslag in bewegen, wat leidt tot minder blessures, meer creativiteit en een verbetering van de fitheid.' 

De MQ-scan, die zich baseert op het gedachtegoed van ASM, is meer uitgesproken in haar keuze. ‘Motoriek speelt een cruciale rol in de gezondheid van kinderen. MQ Scan heeft een unieke methode ontwikkeld om de motorische ontwikkeling van kinderen te meten én verbeteren in de basisschooltijd. Snel, simpel en betrouwbaar’, zo is te lezen op de site. 

XL13ColumnXL-BLOC-1

In de opleidingen, tot docent lichamelijke opvoeding van de Hogeschool Arnhem Nijmegen (HAN) en Fontys Hogeschool Eindhoven, wordt ervoor gepleit dat elk kind in Nederland wordt getest op beheersing van (grond)motorische vaardigheden aan het einde van groep 2. (Platvoet, Teunisse, Rozer, 2016). Waarom aan het einde van groep 2? En is dit het enige testmoment? Het doel van deze test is de grotere bewegingsarmoede van de huidige populatie leerlingen tegen te gaan. Deze (wild)groei van motorische tests heeft naar mijn idee kwalijke kanten. Het kan bijvoorbeeld tot gevolg hebben dat in de lessen bewegingsonderwijs de nadruk komt te liggen op circuitvormen. Het accent ligt dan veelal op oefenen van basisvaardigheden die daarna worden getest. Dat is (in ieder geval deels) terug naar de lichamelijke oefening ‘de homo Adidas’ zou Midas Dekkers (2006) zeggen. 

Lichamelijke oefening is wezenlijk anders dan lichamelijke opvoeding. De vakvereniging noemt zich niet voor niets Koninklijke Vereniging voor Lichamelijke Opvoeding. Bij defensie wordt de term lichamelijke oefening gebruikt en is deze inderdaad vooral gericht op het oefenen van het lichaam.

Physical literacy
In dit verband wil ik de steeds populairder wordende physical literacy-gedachte (Whitehead, 2010) onder de aandacht brengen. Het tijdschrift Lichamelijke Opvoeding, nr. 8 van 2019 is volledig gewijd aan dat thema. In dezelfde editie worden de uitgangspunten van de physical literacy-gedachte door Brouwer en Jacobs besproken. In een kritische verkenning onderzoeken ze welke meerwaarde dit concept kan hebben ten opzichte van 'meervoudige deelnamebekwaamheid'. In hoeverre leren kinderen meer dan alleen bewegen en worden ze dus ook bekwamer in bijvoorbeeld samenwerken, doorzetten, overleggen, structureren, nadenken, verbanden leggen etc. als algemene doelstellingsformulering voor het bewegingsonderwijs? Om de vergelijking compleet te maken nemen ze de visie van Biesta en het concept Positive Youth Development in hun reflectie mee.

"De claim dat een brede motorische ontwikkeling zorgt dat ieder kind met plezier gaat en blijft sporten en bewegen, een leven lang, lijkt dan ook niet meer dan een deel van de waarheid"

Brouwer en Jacobs komen tot de conclusie dat er voldoende aandacht wordt besteed aan de meervoudige deelnamebekwaamheid maar dat het domein subjectivering waarover Biesta, 2015) spreekt nogal in de schaduw blijft. Het kind dat als het ware de wereld leert ontdekken, exploreren, bespelen en manipuleren.

Drop-outs
Wat mij ook opvalt is dat persoonlijke ontwikkeling en sociaal/emotionele ontwikkeling uit elkaar worden gehaald door Kenniscentrum Sport & Bewegen. Is sociaal/emotionele ontwikkeling niet een onderdeel van de persoonlijke ontwikkeling, net als de fysieke, motorische en cognitieve ontwikkeling? Een kritiek van Davids (2021) die beweert dat de over-gestructureerde aanpak in ‘deliberate practise’ juist zorgt voor veel sport drop-outs en pleit voor een meer ecologisch-dynamische benadering waarbij de nadruk eerst op kinderen dient te zijn en dan pas op atleten.

XL40ColumnXLJV-3De claim dat een brede motorische ontwikkeling zorgt dat ieder kind met plezier gaat en blijft sporten en bewegen, een leven lang, lijkt dan ook niet meer dan een deel van de waarheid. Als die ontwikkeling niet zo breed is, maar wel gericht op het eigen kunnen en eigen beleven, zal het kind en later de volwassene zijn leven lang blijven bewegen. Extra aandacht, extra plezier, niet alleen uit meer succes, maar ook uit herhaald succes en samen succes lijken van wezenlijk belang voor een levenslange deelname aan sportactiviteiten.

Mensen die regelmatig gaan sporten, doen dat niet enkel en alleen om hun motorische vaardigheden te vergroten. Voor veel mensen en zeker juist voor kinderen kan het vergroten van motorische vaardigheden niet meer dan een van de redenen zijn om (meer) te gaan bewegen. Juist de fysieke, cognitieve en sociale component kunnen van gro(o)t(er)belang zijn. Fysiek om gezonder te worden en fitter te voelen, cognitief om meer over de activiteit te weten te komen en sociaal om samen met anderen te bewegen.

"Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat initiatieven en inzichten soms wel heel gemakkelijk in de armen worden gesloten"

Meer nuance
Zijn kinderen voor hun optimale ontwikkeling meer gebaat bij motorisch vaardigheden of juist ook bij sociale, cognitieve en mentale vaardigheden? Welke mate van vaardigheid is belangrijk? Is het belangrijk om daar een maat aan te hangen? En wie bepaalt dat uiteindelijk? Hoe dan wel? Dat kan ik niet exact zeggen. Wel wordt mij helder dat ik de ontwikkelingen kritisch wil blijven bevragen op hun onderliggende uitgangspunten en hun geclaimde resultaten en successen. En daarbij mag zo af en toe best wat meer nuance worden aangebracht. 

Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat initiatieven en inzichten soms wel heel gemakkelijk in de armen worden gesloten, zonder dat mensen zich afvragen in hoeverre deze nieuwe ontwikkelingen passen binnen hun eigen mens-, opleidings- en onderwijsvisie en de manier waarop je die vorm zou willen geven.

Bronnen

  • Biesta, (2015). What is Education For? On Good Education, Teacher Judgement, and Educational Professionalism. European Journal of Education, January.
  • Brouwer, B., & Jacobs, F. (2019) Bewegingsonderwijs: Doen we nog de goede dingen? Een kritische reflectie op het bewegingsonderwijs vanuit drie perspectieven. Lichamelijke Opvoeding Magazine, 107 (8), blz. 6-1
  • Culp, B. (2020). Everyone matters; eliminating dehumanizing practices in physical education, Joperd nr. 1
  • Davids, K. (2021). Blowing the whistle on traditional sports coaching, Sheffield Hallam University.
  • Dekkers, M. (2006). Lichamelijke oefening. Amsterdam: Atlas Contact Uitgeverij.
  • Dijkhoff H. (2016). Motorisch leren, stand van zaken. Lichamelijke Opvoeding Magazine, 104 (7), blz. 6-7
  • Hadders-Algra, M. en Dirks, T. De motorische ontwikkeling van de zuigeling. Springer, 2000
  • Hoofwijk, M. et al (2020). Brede motorische ontwikkeling van kinderen Nut en noodzaak,  Sportgericht nr. 6
  • Levine, J. (2007). Nonexercise activity thermogenesis. Liberating the life-force. Journal of Internal Medicine.
  • Mann, T. (2015). Secrets from the eating lab, Harper.
  • Chiara, V., de (2010). Voluntary exercise and sucrose consumption enhance cannabinoid CB1 receptor sensitivity in the striatum. Neuropsychopharmacology.
  • Platvoet, S., Teunissen, J.W., & Rözer, M. (2016, oktober). Bewegen moet je leren.
  • Lichamelijke Opvoeding Magazine 104 (pp. 34-37) 
  • Safron, C., en Landli, D. (2021). Beyond the beebs; affect, Fitness Gram®, and diverse youth, Sport, Education and Society.
  • Whitehead, M. (2010). The Concept of Physical Literacy. In M. Whitehead (Ed.), Physical Literacy throughout the Life Course (pp. 10-20). Abingdon, Oxford: Routledge.
  • Met het ASM krijgt ieder talent de ruimte (www.allesoversport)
  • Een breed motorische ontwikkeling als sleutel tot een leven lang plezier in sport en bewegen (Sport Knowhow XL)
  • Voor kinderen is er nog meer beweegplezier met WhatsAAP (Sport Knowhow XL)

Jaap Verhagen is opgeleid als docent bewegingsonderwijs en gezondheidszorg en welzijn en behaalde een master in leren in innoveren. Hij is werkzaam (geweest) als (opleidingsdocent) bewegingsonderwijs in PO, VO, MBO en HBO en als coach en opleider in de sport -en fitnessbranche. Voor meer informatie: www.veronon.nl

« terug

Reacties: 9

Leendert van Gaalen
23-11-2021

Ha Jaap, goede en zinvolle vragen die je stelt. Belangrijk om een kritische noot te laten horen en ook zo te blijven kijken. Als sociale onderneming zijn we 'verplicht' onszelf dit soort vragen te blijven stellen om echt te kunnen bewijzen wat de impact is en hoe we deze kunnen verbeteren. Dit is een onwijze (toffe) uitdaging.

Ik zou heel graag op al vragen antwoord geven vanuit de visie die wij erop na houden bij Monkey Moves. Misschien kun je een keer een les komen bekijken. Dan kun je zien hoe juist physical literacy een belangrijke basis van ons programma vormt. Hoe gestructureerd bewegen wordt afgewisseld met ongestructureerd spel. Hoe persoonlijke groei en plezier de aandacht krijgt in plaats van het truukje. Hoe samen met kinderen wordt gekeken naar het aanpassen van spel zodat élk kind plezier kan ervaren. Hoe competitie tot een minimum wordt beperkt.

mvg
Leendert (oprichter van Monkey Moves)
Docent LO, Bewegingswetenschapper

Jaap Verhagen
23-11-2021

Hallo Leendert,

Wat leuk dat je reageert en natuurlijk kom ik graag een keer kijken. Een oud-collega van mij Johan van Ballegooijen werkt ook voor Mnkey Moves.

Antwoord op die vragen vanuit jullie visie graag.

We kunnen ook een keer telefonisch of online overlggen.

Mijn contactgegevens staan op mijn site www.veronon.nl

Ik wens je een prettige dag toe,.

Met vriendelijke groet,

Jaap Verhagen

Femke Lobach
23-11-2021

Beste Jaap Verhagen, wat een interessant artikel. Wat mij vooral raakt, is het confirmation bias effect. Onderzoeken worden gevonden en gebruikt om een claim te steunen, veel is multi-interpretabel. En hoe lastig is het om zelf kritisch te blijven op juist het andere deel, het tegengeluid (ik heb even een korte associatie met het Simplistisch Verbond).

Enfin, ik ben zelf lid van een werkgroep/intervisiegroep Groeimindset. Een groep talenttrainers,  HJO's, opleiders enzovoorts uit verschillende takken van sport, die deze wetenschappelijke benadering steunen/hanteren. Jouw artikel bewijst maar weer hoe lastig het is om kritisch te blijven. Je maakt mij weer alert. Dank daarvoor. Even los van, dat het mijn idee bevestigd, dat er meer nodig is dan motorisch opleiden en dat komt natuurlijk vanuit mijn eigen bias :).  

Met dank Femke Lobach, groeimindset coach & mentale trainer

Jaap Verhagen
23-11-2021

Hallo Femke,

Bedankt voor je positieve reactie daar ben ik blij mee en inderdaad dat effect is een van de dingen waar ik kritisch op ben.

Wat doen jullie precies en vind je het leuk om eens wat meer kennis te maken?

Vriendelijke groet,

Jaap Verhagen

www.veronon.nl 

Ziggy Tabacznik
25-11-2021

Beste Jaap,

Een fijn kritisch stuk. En laat ik voorop stellen dat we met kritische blikken, alleen maar voorwaarts komen. Maar wat mij betreft mag je ook genuanceerder zijn in enkele uitspraken Je hebt het over (wild)groei aan motorische testen. Ik vind dit eigenlijk misplaatst, gezien het feit dat de meest gebruikte instrumenten uitgebreid onderzocht, wetenschappelijk onderbouwd en gevalideerd zijn. Ik vind dat je daar de mensen achter de ontwikkeling echt tekort mee doet. En het is aan iedere beweegprofessional zelf te bepalen om zo'n meetinstrument in te zetten en daarin een keuze te maken. 

P.L. is al even onderweg maar vindt in Nederland nog weinig aansluiting. In Canada is dit groot omarmd. Blijkbaar zien we in Nederland nog niet de meerwaarde. Als dit volgens jou de way to go is, hoe ziet dit er dan uit? Of waarom start jij dan niet met de physical literacy school

Daarnaast ben je nogal kritisch op verschillende opvattingingen en aanpakken. En je schrijft het niet exact te weten. Ik mis een duidelijk visie, vanuit jou, op BMO en een concrete oplossing hoe het er volgens jou zou kunnen uitzien.  

Wanneer je zelf  geen concrete gedachten hebt voor oplossingen, schiet je naar mijn mening tekort in je pleidooi? Dan zitten we met z'n allen in een fase van pioneren en het samen brengen van goede aanpakken. Dit stapje stapje uitdiepen, onderzoeken en beter maken met elkaar.  Zo gaat dit zich steeds beter vormen, zowel op inhoud als in resultaten. 

Het voelt voor mij dan ook als een stuk waar iemand een kilo augurken heeft gegeten en dan krijgt het al snel een zure bijsmaak.

Jaap Verhagen
25-11-2021

Hallo Ziggy,

Bedankt voor je opmerkingen in een uitgebreide reactie.

Fijn dat er discussie op gang komt dat is de bedoeling van het stuk. Het feit dat ik niet zelf meteen alle oplossingen kan geven, omdat die bijvoorbeeld nog onderzocht moeten worden of omdat er niet 1 oplossing is vind ik niet af doen aan mijn tekst. Ik stel voornamelijk (kritische) vragen en verbaas mij over een aantal zaken. Ik denk dat dat mag en legitiem is.

Ik schrjf ook niet dat PL de einige of beste oplossing, of weg is, wel dat ik soms de aandacht voor het gehele kind/de gehele mens mis.

Ik beweer nergens in de tekst dat de fysieke tests niet kloppen of verkeerd zijn. Wel valt me op dat er vele verschillende zijn, die ook nog verschillende onderdelen, vaardigheden testen. Ik ben dan benieuwd waarom er aandere vaardigheden worden getest en of eventueel (een deel van) die tests op elkaar aansluiten of bij elkaar passen of juist niet.

We kennen elkaar een beetje, graag ga ik in gesprek waar ik in meerdere publicaties, bv op Linkedin ook toe  oproep. Ik beweer helemaal niet te weten wat persee beter is. Ik constateer slechts en stel vragen.

Ik wens je een prettige dag toe.

Met vriendelijke groet,

Jaap Verhagen

Jorrit Beerens
25-11-2021

Ha Jaap, allereerst gefeliciteerd met (de publicatie van) het artikel. Naar aanleiding van je vraag om een reactie, zal ik proberen mijn visie en mening te verwoorden als trainer/coach van een u12 basketball team, alsmede vanuit mijn functie als coördinator opleidingen van de Nederlandse Basketball bond.

Op de eerste plaats denk ik dat we goed moet kijken naar het werkelijke probleem, waar we met z'n allen een antwoord op zoeken. Volgens mij proberen we een oplossing te formuleren voor de beweegarmoede en de nadelige effecten daarvan. Naast allerlei sociaal maatschappelijke factoren die hieraan ten grondslag liggen, denk ik dat we ook al enige tijd moeilijk een antwoord kunnen formuleren op de meest gewenste organisatievorm. Sport en spel verplaatst zich deels van het publieke domein naar het (deels) particuliere domein. Dat wat we “vroegah” buiten op pleintjes en in de gymzalen leerden is minder geworden en laten we nu door ouders zelf organiseren. Hier zijn parallellen te trekken met bijvoorbeeld de muzieklessen, of andere vormen van culturele vorming. Dit is een nieuwe werkelijkheid. Ik denk dat we als verschillende actoren in de sport op zoek zijn naar een nieuwe balans en onderlinge verhoudingen, om een positieve bijdrage te leveren aan deze problematiek. Ik hoop en denk dat dit een gemeenschappelijk doel is.

Een aantal ontwikkelingen (kort door de bocht) :

1) Scholen, die van oudsher een brede motorische blik hadden, hebben minder ruimte voor beweegonderwijs en/of maken andere keuzes.

2) Sportclubs zijn van oudsher gewend zijn zich te richten op meer eenzijdige motorische ontwikkeling, via deliberate practice

3) BSO’s zijn niet altijd even ondernemend zijn om in deze "sportbehoefte" te voorzien.

Een aantal social enterprises zijn daarom in dit gat gesprongen, en geven antwoord op de behoefte van lichamelijke opvoeding door in een leuke gecontroleerde omgeving "spel" aan te bieden. Zij positioneren zich veelal met een breed motorische aanpak. Een aanpak die aanslaat bij ouders.

In jouw betoog trek je in twijfel of deze aanpak de enige voorwaarde is van een rijk sportaanbod en langdurige sportparticatie. Je stelt dat dit maximaal een deel van de waarheid is. Ik denk dat deze aanbieders deze stelling niet zullen bestrijden, getuige ook de bovenstaande post van Leendert. Omgeving, stimulans vanuit huis, mogelijkheid tot spel; er zijn meerdere factoren die een rol spelen bij een langdurige sportparticatie. De vraag is wat mij betreft dus niet of BMO de factor is, of een factor voor langdurige participatie. Het antwoord hierop is voor mij positief, zeker als het in combinatie met "play" en het aanleren cognitieve en sociale vaardigheden wordt aangeboden. Het is wat mij betreft dus en/en, en niet of/of.

In mijn persoonlijke ervaring met jonge basketballers, die ook andere sporten laat doen, zie ik dat de  de kids de afwisseling leuk vinden, we zien dat er opeens andere "koplopers" zijn, wat bijdraagt aan de eigenwaarde en gevoel van competentie, en de kinderen maken kennis met activiteiten die ze anders niet hadden leren kennen. Kortom, mijn persoonlijke ervaring met BMO (of eigenlijk muliti sports benadering) is positief. Daarnaast geloof ik ook in de theorie dat BMO kan bijdragen aan blessure preventie, en de vorming van soepelere atleten. Als we dit kunnen combineren met de ontwikkeling van bepaalde LIFE skills, dan denk ik dat we op de goede weg zijn.

Namens de NBB proberen we de clubs hierbij te helepen door in opleidingen aandacht te vragen voor dit onderwerp en lanceerden we recent het programma Multiskillz, een database met veelzijdige oefeningen die, voor beginnende trainers wordt aangeboden. Kernwoorden zijn "fun", "breed motorisch", "gamebased" en "iedereen in beweging". Juist die geintegreerde aanpak. Niet alleen voor de eerste teams, maar juist voor alle teams. (Nb ik train en spreek zelf het liefst over groepen).

Kortom, ik lees dat je de ontwikkelingen kritisch wil volgen en vragen wil stellen. Dat is prima, ik denk dat jouw doel is om een bepaalde “hype” tegen te gaan? Ik herken wel de gretigheid waarop dit topic nu wordt besproken, en ja, aanbieders als Monkey Moves pakken de materie net iets anders aan dan de oldskool gymdocent. Ik vind dit eigenlijk wel positief; als kinderen maar bewegen en we samen werken tegen de beweegarmoede. Ik deel je zorgen als gaat om inclusiviteit; kan elk kind de weg naar monkey moves vinden?

Als je in dit artikel vooral vragen wil stellen, dan heb ik wel een wedervraag; je hebt nu gekozen voor een literatuurstudie, en op basis daarvan probeer je een discussie op gang te brengen. Waarom heb je niet gekozen voor een rondgang / interviews met de partijen die je in het artikel noemt? Misschien een mooie vervolgstap in je onderzoek?

Jaap Verhagen
26-11-2021

Hallo Jorrit,

Hartelijk dank voor je zeer uitgebreide reactie, dat waardeer ik zeer.

Om met het laatste dat je schreef te beginnen. Prima idee om nu een rondgang te maken. Zoals je hierboven ziet heb ik al contact met Leendert en Ziggy en ga ik graag met hen in gesprek. De tijd voor een rondgang was er (nog) niet en literatuurstudie lijkt me goed om mee te beginnen. We kennen elkaar een beetje en ik denk dat er veel moois bij de NBB bloeit, waar je dagelijks druk mee bent en een flinke rol in hebt. Compimenten daarvoor.

Natuurlijk is het goed om kinderen, zeker op jongere leeftijd breed op te leiden, daar ben ik ook zeker niet tegen. Ik denk echter (net als jij grotendeels) dat dat maar een deel van de oplossing is. Betere trainers, betere accommodatie, meer uren en meer intervisie zijn bijvoorbeeld andere oplossingen, Net als jij weet ik dat juist een praktijkbegeleider bij een sportclub van grote waarde kan zijn en dan hebben jullie het bij Cangeroos nog redelijk goed voor elkaar.

Ook jou wil ik dan ook vragen om het gesprek aan te gaan en hoe mooi zou het zijn als er meer mensen aanlsuiten en we dus met professionals samen verbeteringen gaan aanbrengen, we willen namelijks allemaal (grotendeels) hetzelfde ongeveer.

We spreken elkaar vast (binnenkort) weer.

Vriednelijke groet,

Jaap Verhagen

Jaap Verhagen
01-12-2021

Beste Leendert, Femke, Ziggy en Jorrit,

Wat tof dat jullie hebben gereageerd op de column/het artikel dat ik heb geschreven. Graag ga ik met jullie in gesprek om nu de vervolgstap te maken, naar verbeteren van bewegingsonderwijs en sport. Graag maak ik dan ook met jullie persoonlijk of bijvoorbeeld met een aantal van jullie een (online) afspraak om elkaar te versterken en (nader) kennis te maken. Ik denk namelijk dat we allemaal hetzelfde nastreven namelijk zo goed mogelijk onderwijs of training in de sport en dat we daarvoor juist elkaar nodig hebben.

Ik ben bereikbaar via jaapverhagen@me.com / www.veronon.nl en 06-55233382 en wacht jullie reactie af.

Tenslotte wens ik jullie alle goeds toe voor een leuke dag,week, maand etc.

Met vriendelijke groet,
Jaap Verhagen

Reactie toevoegen

Naam*
E-mailadres*
Reactie*
Stuur mij een e-mail als er een nieuwe reactie wordt geplaatst