Skip Navigation LinksHome-Nieuws-Column XL-Item

Verandering in sportvereniging begint bij het bestuur 1 december 2015

door: Jan-Willem van der Roest

Op 4 december aanstaande verdedigt Jan-Willem van der Roest aan de Universiteit Utrecht zijn proefschrift ‘From participation to consumption? Consumerism in voluntary sport clubs’ over consumentisme in sportverenigingen. In een drieluik op Sportknowhow XL beschrijft hij de resultaten van zijn onderzoek. De thema’s van dit drieluik zijn: (1) de opkomst van de sportconsument, (2) de consumentistische houding: mythe of werkelijkheid? en (3) veranderende sportverenigingen. Vandaag in deel 3: Waarom ontwikkelen sommige verenigingen zich tot ‘moderne’ verenigingen, terwijl andere clubs aan het klassieke verenigingsmodel vasthouden?

In deel 1 en deel 2 van dit drieluik ben ik ingegaan op consumentisme in de sport. Ik heb eerst besproken hoe de sportconsument in korte tijd een belangrijke term is geworden in het sportbeleid, terwijl ik in mijn tweede bijdrage heb uitgelegd hoe de consumentistische houding beter begrepen kan worden. In dit laatste deel ga ik in op de vraag wat sportverenigingen eigenlijk doen om in te spelen op het vermeende consumentisme onder de leden.

Consumentisme
In het vorige deel zagen we al dat de sportvereniging in het algemeen (nog) relatief weinig last heeft van consumentisme onder de leden. Toch is goed voor te stellen dat sommige verenigingen meer met consumentisme te maken hebben dan andere verenigingen. Het is daarbij ook goed denkbaar dat deze twee groepen verenigingen zich verschillend hebben ontwikkeld over de afgelopen jaren.

In het eerste deel van dit drieluik zagen we al dat sportverenigingen volgens de bonden flexibilisering en servicegerichtheid zouden moeten nastreven om in te spelen op het vermeende consumentisme. Zij moeten zich, kortgezegd, volgens een consumentenlogica ontwikkelen en de klassieke verenigingslogica (het model waarin vrijwillige inzet en traditioneel lidmaatschap voorop staan) verlaten. In mijn promotieonderzoek heb ik onderzocht of deze ontwikkeling zich inderdaad voordoet bij Nederlandse sportverenigingen.

"Tussen 2007 en 2012 daalde het aantal verenigingen met flexibel en servicegericht aanbod"

Uit mijn onderzoek blijkt dat over de gehele linie geen sprake is van een toenemende flexibilisering en een toenemende servicegerichtheid (zie tabel 1). Sterker nog: tussen 2007 en 2012 daalde het aantal verenigingen met flexibel en servicegericht aanbod. Toch is een aantal sportverenigingen te zien dat wel aan de gang is gegaan met deze vernieuwende vormen van aanbod. Dit zou in lijn kunnen zijn met de eerdere gedachte dat bepaalde sportverenigingen meer te maken hebben met consumerende leden. Maar is dit nu ook daadwerkelijk de reden dat deze verenigingen zich op zo’n vernieuwende manier ontwikkelen? En is deze vernieuwing eigenlijk een gunstige ontwikkeling voor sportverenigingen?

XL41-Tabel2BijColumnXLJWvdRoest
 Meetinstrument voor consumentisme
Om te onderzoeken welke verenigingen zich dan wel ontwikkelen volgens de consumentenlogica heb ik aan de hand van het meetinstrument voor consumentisme onderzocht of dit inderdaad te relateren valt aan de consumentistische houding van de leden. Uit dit onderzoek kwam een verrassend antwoord naar voren: er bleek namelijk nauwelijks verschil te zijn in de houding van de leden van verenigingen met een consumentenlogica en die met een verenigingslogica. Omdat ik me niet voor kon stellen dat het verschil tussen deze twee typen verenigingen niet te verklaren viel, heb ik vervolgens verder gezocht naar alternatieve verklaringen voor het verschil tussen deze verenigingen.

"Verenigingen met een consumentenlogica bleken over het algemeen jongere en hoger opgeleide besturen te hebben"

Uit de gegevens die ik vervolgens analyseerde kwamen wél interessante verschillen naar voren. Toen ik namelijk de externe omgeving van verenigingen met een consumentenlogica bekeek, bleken deze verenigingen veel meer samenwerkingspartners te hebben, meer concurrentie te ervaren en financieel meer afhankelijk te zijn van de omgeving (sponsors, subsidies, andere externe inkomsten) dan verenigingen met een verenigingslogica. Ook bleken deze verenigingen over het algemeen jongere en hoger opgeleide besturen te hebben. Verder blijven de bestuursleden in deze verenigingen korter in hun bestuursfunctie en werken deze besturen vaker met een formeel, geschreven beleidsplan.

Professioneler
Je zou dus kennen stellen dat de besturen van verenigingen met een consumentenlogica professioneler te werk gaan. Verder hebben zij - dankzij hun opleidingsniveau en hun werkzaamheden in het dagelijks leven - een bepaald beeld bij hoe zij hun vereniging moeten besturen. Volgens de institutionele theorie (zie DiMaggio & Powell, 1983), gaan organisaties waarin veel hogeropgeleiden actief zijn op elkaar lijken omdat normen over ‘succesvol organiseren’ via training en opleiding op elkaar worden overgedragen. Ook zien deze besturen eerder waar kansen voor hun vereniging liggen en kunnen zij dus beter inspelen op de verwachtingen die sportbonden, gemeenten en andere beleidsorganisaties van sportverenigingen hebben (zie deel 1 van het drieluik).

De verandering van sportverenigingen in de richting van een consumentenlogica begint dus bij het bestuur van deze verenigingen. Is het nu ook zo dat deze verenigingen de ‘klassieke’ verenigingslogica hebben verlaten? En is het eigenlijk wenselijk dat verenigingen zich in deze richting ontwikkelen? Het antwoord op de eerste vraag is 'nee' en het antwoord op de tweede vraag ligt aan het perspectief van waaruit je de vraag bekijkt.

"Een goed voorbeeld van verenigingen met een mengeling van logica’s zijn tennisverenigingen"

Uit mijn onderzoek blijkt dat verenigingen met een consumentenlogica ook nog steeds een fikse scheut verenigingslogica in zich hebben. De logica’s bestaan dus vooral naast elkaar en verdringen elkaar niet in deze moderne verenigingen. Bovendien verloopt de verandering richting de consumentenlogica langzaam. Een goed voorbeeld van verenigingen met een mengeling van logica’s zijn tennisverenigingen die aan de ene kant een grote mate van flexibiliteit kennen in de vereniging (ruime openingstijden, toegang tot de baan en de kleedkamers met een pasje), maar wel werken met een verplichte bardienst.

Voortbestaan klassieke verenigingsmodel van onschatbare waarde
Het antwoord op de tweede vraag - is deze ontwikkeling gewenst? - behoeft verdere discussie en is afhankelijk van je positie in de discussie ten aanzien van consumentisme in de sport. Afgaand op mijn ervaringen in dit promotieonderzoek ben ik geneigd te zeggen dat ruimte moeten blijven bestaan voor het klassieke verenigingsmodel. Alle verenigingen, ongeacht hun logica, hebben immers grote betekenis voor hun leden en het voortbestaan van deze verenigingen is van onschatbare waarde voor deze mensen.

Literatuur
DiMaggio, P., & Powell, W. (1983). The iron cage revisited: Institutional isomorphism and collective rationality in organizational fields. American Sociological Review, 48(2), 147-160.

Jan-Willem van der Roest werkte de afgelopen jaren als promovendus bij de Universiteit Utrecht onder begeleiding van Maarten van Bottenburg aan een proefschrift over consumentisme in sportverenigingen. Inmiddels werkt hij als onderzoeker bij het Mulier Instituut en als docent bij de Universiteit Utrecht, departement Bestuurs- en Organisatiewetenschap. Zijn expertise ligt op het gebied van sportorganisaties, vrijwilligerswerk, en financiën in de sport. Meer informatie of reacties via Twitter https://twitter.com/jwvdroest of j.vanderroest@mulierinstituut.nl

« terug

Reacties: 4

marius Privee
01-12-2015

Opvallen is dat de meeste onderzoeken en op merkingen gaan over outdoor verenigingen met een eigen accommodatie. In Nederland is de indoorsport vaak te gast bij gemeentelijke bedrijven. Alles wat zij willen doen is moeilijk haalbaar. Het wordt hoog tijd dat onderzoeken zich ook richten op de mogelijkheden en kwaliteit van de indoorvereniging. Een mooi voorbeeld is het feit dat als een outdooraccommodatie in prijs stijgt de hele gemeenteraad in opstand komt en als een indooraccommodatie een verhoging door voert er niemand is die bezwaar aan tekent.

Hans Slender
02-12-2015

Hoi Jan-Willem,

Dank voor de drie interessante bijdragen in het verlengde van jouw promotie-onderzoek. Leuk om het op deze wijze voor een breed publiek toegankelijk te maken. Jij stelt dat zowel de professionalisering- als verenigingslogica betekenis kan hebben voor een deel van de leden en dus beide bestaansrecht zouden moeten hebben. Toch merk ik dat veel bonden en sportservices in hun ondersteuning toch neigen richting professionalisering. Is er naar jouw mening ook een verschil in de mate waarop beide typen vereniging een sociale impact hebben op de maatschappij (bijvoorbeeld ontwikkeling sociaal kapitaal en cultureel kapitaal)? Ik zou mij zo voor kunnen stellen dat een sportconsument wellicht minder gestimuleerd wordt tot maatschappelijke participatie, sociaal kapitaal ontwikkeld en sociale binding ervaart dan leden van een traditionele sportvereniging. Ik zou mij zelfs voor kunnen stellen dat een professionele vereniging meer zappgedrag in de hand werkt dan een traditionele vereniging (doordat binding minder wordt nagesreeft). Heb jij hierover ook wat gevonden in jouw onderzoek of in de literatuur?

Ineke Donkervoort
03-12-2015

Een proefschrift over een mooi en relevant onderwerp. Op basis van de blogs heb ik toch wel een aantal vragen. Een van de conclusies is dat de sportconsument bestaat. Jan Willem beschrijft op basis van onderzoek dat ze meer voorkomen in de fitnessbranche dan bij sportverenigingen. Vervolgens concludeert hij dat sportverenigingen minder 'last' van sportconsumenten hebben. Deze zin roept bij mij echter de vraag op of het niet gaat om last hebben, maar om een keuze, waarbij sommige sportverenigingen ervoor kiezen om meer in te spelen op sportconsumenten dan anderen. Een vereniging zou er toch ook voor kunnen kiezen om niet in te spelen op wat met sportconsumenten wordt bedoeld, maar op sporters die kiezen voor de geborgenheid en de verbinding waarin een "klassieke" sportvereniging ook sterk kan zijn. Die vereniging richt zich dan op een andere groep. Voor die groep zou het aanbod naar mijn mening overigens best geflexibiliseerd kunnen worden. Ook dat is een keuze, maar die kan losstaan van consumentisme. Kiezen voor sportconsumenten kan dan ook als gevolg hebben dat er meer samengewerkt wordt met externe partners. Of de conclusie juist is dat verenigingen die kiezen voor de sportconsument ook professioneler genoemd mogen worden vraag ik mij af. Het kiezen als vereniging voor een vereniging met verbinding; de klassieke vereniging,  vraagt ook om goed en consistent bestuur en kwalitatief goede en veilige sportbeoefening. Dus beide modellen vragen een goed professioneel bestuur, maar die dienst die geleverd wordt is anders. Jan Willem constateert ook dat consumentenlogica en verenigingslogica naast elkaar bestaan. De vraag die daarbij bij mij opkomt is of daarvoor niet een bepaalde omvang nodig is? Jan Willem vindt in zijn slotbetoog dat er ruimte moet blijven voor klassieke verenigingsmodel. Dat ben ik met hem eens. Volgens mij gaan verenigingen en verenigingsbesturen daar overigens zelf over. De sport is er naar mijn mening helemaal niet mee gediend als iedere vereniging gestimuleerd zou worden tot het sportconsumenten model. Zoals als ook het proefschrift van Marije van 't Verlaat uit 2011 laat zien, leidt dat waarschijnlijk tot plannen maken die vervolgens in een la komen te liggen. Interessant is de vraag hoe groot de markt is van sporters die willen sporten in een klassieke sportvereniging vanwege de (ver) binding. En of die behoefte groter is in de dorpen op het platteland dan bijvoorbeeld in de steden in het Westen van ons land? 

Jan-Willem van der Roest
06-01-2016

Beste Marius, Hans en Ineke,

Excuses voor mijn late reactie op jullie vragen, door de drukke decembermaand waren jullie reacties mij even ontschoten. Toch ga ik graag in op jullie vragen.

Marius:
Ik denk dat je gelijk hebt als je stelt dat buitensportverenigingen de meeste aandacht krijgen in het sportonderzoek. In mijn onderzoek zijn de binnensportverenigingen echter ook zeker meegenomen. Uiteraard hebben zij minder mogelijkheden om in infrastructuur te investeren/uit te breiden, maar met flexibele lidmaatschapsvormen is het zeker ook mogelijk voor binnensportverenigingen om richting de consumentenlogica te gaan (als zij dat zouden willen).

Hans:
Het aardige is dat mijn onderzoek laat zien dat juist de verenigingen binnen de consumentenlogica succesvol blijken te zijn in het binden van vrijwilligers. Ook de emotionele betrokkenheid lijkt niet minder te zijn in deze verenigingen dan in de traditionele verenigingen. Meer zappgedrag (of flexibiliteit) betekent wat mij betreft dus zeker niet per se dat bindingen vervagen en dat mogelijkheden om sociaal of cultureel kapitaal wegvallen. Ook de consumentistische vereniging blijft toch in eerste instantie een vereniging (en dus geen bedrijf).  Echter: mijn onderzoek laat ook zien dat over het algemeen de 'consumentistische' verenigingen meer mogelijkheden hebben om sociaal en cultureel kapitaal in te zetten en je hebt volgens mij gelijk dat sportbonden/verenigingsondersteuning te veel inzetten op een bepaald type vereniging (namelijk die met een geprofessionaliseerde/consumentistische logica). De meer traditionele verenigingen (met over het algemeen lager opgeleide en oudere bestuurders) hebben juist ook een enorme functie in het behouden/institutionaliseren van sociaal en cultureel kapitaal. Wat mij betreft zou een gedifferentieerde aanpak in de verenigingsondersteuning dus zeer wenselijk zijn: kijk wat een bepaald type vereniging nodig heeft en accepteer het als jouw verenigingsondersteuning betekent dat je 'slechts' kunt onderhouden wat er al is.

Ineke:
Ik kan mij in grote lijnen vinden in je betoog/de vragen die je stelt. Ik heb bewust het woord 'last' gebruikt om juist te laten zien dat dit wellicht anders beschouwd moet worden. Ik vraag mij overigens af of er een bewuste keuze gemaakt wordt door sommige verenigingen om te gaan voor de sportconsument. Mijn gevoel is dat maar heel weinig (of geen) verenigingen deze keuze bewust maken, het is vooral een uitkomst van een proces waarin de binnenwereld en de buitenwereld van de vereniging invloed uitoefenen op het verenigingsbeleid.

Wanneer je stelt dat wat jou betreft geborgenheid en verbinding prima samen kunnen gaan met flexibiliteit, dan vind je mij volledig aan jouw zijde. In het laatste hoofdstuk in mijn proefschrift roep ik zelfs op om de behoefte aan meer flexibiliteit (die voort kan komen uit allerlei afwegingen, zoals bijvoorbeeld de toenemende mate waarin mensen flexibel werken) niet te verwarren met de behoefte aan dienstverlening / consumentisme. Op het punt van het samenvallen van professionalisme en het consumentistische model heb ik gevonden dat er wel degelijk een sterke correlatie te zien is tussen deze twee variabelen. De vraag is echter hoe professionalisme wordt gedefinieerd: ik heb gekozen voor de aanwezigheid van professionals, maar professioneel besturen betekent natuurlijk iets heel anders.

Om op je laatste opmerking in te gaan: ik ben vorige maand bij het Mulier Instituut een onderzoek gestart naar de fucntie van sportverenigingen in krimpkernen. Hier willen we vaststellen wat de functie van verenigingen in deze (plattelands)omgevingen is. De vraag die jij stelt zal daarbij ongetwijfeld ook aan bod komen.

Hartelijke groet,

Jan-Willem van der Roest

Reactie toevoegen

Naam*
E-mailadres*
Reactie*
Stuur mij een e-mail als er een nieuwe reactie wordt geplaatst