Adri Broeke beschouwt in twee delen de gemeenschappelijke gedrevenheid van maatschappelijke organisaties en sportverenigingen. In het eerste deel behandelde hij voorbeelden van de vitaliteit en het adaptief vermogen van gedreven gemeenschappen aan de hand van de essay-bundel 'Gedreven Gemeenschap' en het artikel 'Burgercollectieven aan het roer?' van historicus Tine de Moor. In dit tweede artikel beschouwt hij de unieke waarde van co-creatie van sportverenigingen aan de hand van het proefschrift Thrive and Endure van Resie Hoeijmakers en het boek 'De Tweede Berg' van New York Times-columnist David Brooks.
9 april 2026
Achtergronden
In de vorige bijdrage bogen we ons over de ontwikkelingsgeschiedenis en de toekomstbestendigheid van de civil society in Europa. De impact van de modernisering stond daarbij centraal. Het vroeg heel wat stuurmanskunst van de bonte verzameling maatschappelijke organisaties en associaties om hun (noodzakelijke) legitimiteit te (her)vinden en bewaren. Telkens speelde de inkleuring van de drie strategische opgaven een belangrijke rol: welk publiek belang streven we na (=bedoeling); welke gezamenlijke drijfveren en waarden inspireren ons (=bezieling) en op welke wijze zorgen we voor blijvende betrokkenheid van belanghebbenden (=binding). In samenhang bepalen deze drie dimensies de identiteit en mate van gedrevenheid van de maatschappelijke organisaties in kwestie. In deze tweede bijdrage staan we stil bij de ontwikkelingsgang van een speciaal type maatschappelijke organisatie: de vrijwillige sportvereniging. Het onlangs verschenen Engelstalige proefschrift van Resie Hoeijmakers fungeert daarbij als inspiratiebron.
Binnen de historische ontwikkeling van de civil society nemen sportverenigingen al lange tijd een bijzonder plaats in. Dankzij hun laagdrempelige en voor (bijna) iedereen toegankelijke voorzieningen en activiteitenaanbod fungeren ze als uitnodigende plekken van actie en beleving. Sportliefhebbers van uiteenlopende rangen en standen komen daar sinds jaar en dag met enige regelmaat samen om in actieve of passieve zin van sport(wedstrijden) te genieten. Met zo’n 700.000 aangesloten ledenorganisaties vormen de democratisch gerunde en door vrijwilligers vormgegeven sportclubs de spil van het value-based European sportmodel.
Mede onder invloed van de eerder genoemde modernisering kregen de ‘voor de leden, door de leden’ sportverenigingen het eind vorige eeuw steeds zwaarder te verduren. De concurrentie van anders-georganiseerde (commerciële) sportaanbieders nam toe. Het werven en behouden van nieuwe leden en vrijwilligers werd er in de geïndividualiseerde samenleving ook niet bepaald makkelijker op. De vaste inkomstenbronnen (contributiegelden, kantineomzet) droogden steeds meer op.
"De private verenigingen maakten sedertdien openlijk deel uit van de publieke infrastructuur"
Adri Broeke
Ten langen leste besloten beleidsmakers in verscheidene Europese landen in te grijpen en de, altijd al enigermate verleende, overheidssteun flink uit te breiden. Als tegenprestatie werden de van oorsprong autonome sportverenigingen, onder regie van de gemeentelijke overheden, verplicht bij te dragen aan de realisatie van publieke doelstellingen. De private verenigingen maakten sedertdien openlijk deel uit van de publieke infrastructuur. Behalve het veilig organiseren van trainingen en wedstrijdsportactiviteiten, diende het takenpakket te worden verruimd met het realiseren van publieke doelstellingen, bijvoorbeeld op het gebied van gezondheidsbevordering of sportstimulering voor niet-leden in samenwerking met buurtsportcoaches en zorginstellingen, maar ook samen met professionals uit het sociale domein op het gebied van integratie en sociale cohesie in de wijk. De administratieve regeldruk nam daardoor toe. De eisen ten aanzien van de bedrijfsvoering en de behaalde resultaten werden opgevoerd. De meeste bestuurders hadden daar echter vrede mee. In de ogen van de samenleving en de politiek droeg dit nieuwe tweeledige takenpakket – én waardevol blijven voor de leden, én beoogde publieke waarden realiseren -zonder twijfel bij aan de versterking en verankering van de voor overleving cruciale legitimiteit.
Bovenstaande ontwikkelen zijn kenmerkend voor het huidige verenigingslandschap. Onlangs bracht een aantal sportonderzoekers in kaart welke invloed soortgelijke moderniseringsprocessen hadden op de waarden en beleidsdoelen die bij de wat grotere Noorse sportclubs centraal staan.
Bron: Julius Z. Strömberg e.a. In: European Sportmanagement Quarterly. Open acces article 5 nov. 2025 Routledge
Uit hun kwalitatieve analyse van beleidsdocumenten kwamen vier ideaaltypische clubkarakteristieken naar voren. De traditionele (type I) club met een klassiek sportgericht dienstenaanbod en een inward looking waardeoriëntatie. Daartegenover de vereniging nieuwe stijl (type IV), die zich juist kenmerkt door een open toekomstgerichte outward looking oriëntatie. Aangevuld met clubtype II (wel meer maatschappelijk georiënteerd maar de ‘voor de leden, door de leden’ karakteristieken behouden) en type III (hier en daar betaalde krachten inzetten is oké, maar liever niet tornen aan het bestaande sportaanbod). Deze typologie geeft waarschijnlijk ook voor andere landen in Europa een representatief beeld van de veranderende maar rijk geschakeerde hedendaagse verenigingsportwereld. Aan veerkracht, creativiteit en aanpassingsvermogen ook nu gelukkig zeker geen gebrek.
Sportclubs representeren bovendien een uniek organisatietype dat fundamenteel verschilt van business, public en membership organisations in andere sectoren van de samenleving, zo schrijft Hoeijmakers.
Uit: Thrive and Endure, Resie Hoeijmakers
In het functioneren als organisatie onderscheiden sportverenigingen zich door een unieke set van nauw met elkaar verbonden organisatieprocessen. Als de vier bepalende kernprocessen gelden:
Aanspreken en bevorderen van pro sociaal gedrag.
Leden brengen uit vrije wil tijd, geld, kennis, relaties en dergelijke in. Allen dragen vervolgens actief bij aan de realisatie van gedeelde waarden en beoogde doelen.
Publieke legitimiteit verkrijgen en verankeren.
Toegang krijgen tot publieke middelen (onder meer subsidies en verenigingsondersteuning) door slim maar gepast te opereren als partner in een zeer complexe omgeving waar meerdere markt en overheid logica’s gelden.
Competitief evenwicht nastreven en bewaren
Met een mix van coöperatief en competitief handelen de strijd aangaan met concurrerende opponenten. Zowel op sportief gebied (reguliere competitie) als op het terrein van ledenwerving (onder meer extra sportaanbod bepaalde doelgroepen) tegenspel bieden.
Door gerichte socialisatie van (nieuwe) leden, dynamisch conservatisme nastreven en handhaven
Waar nodig je aanpassen aan veranderende ledensamenstelling of publieke verwachtingen, maar tegelijk trouw blijven aan je eigen clubidentiteit en vastgestelde bijbehorende gedragsregels.
Als bijzonder soort (maatschappelijke) organisaties zijn sportverenigingen bij uitstek in staat om de formele en de meer informele kant van het functioneren met elkaar te verbinden. In het gangbare management- en organisatiedenken draait het echter overmatig veel om het in termen van effectiviteit en efficiëntie behaalde resultaat. Voor het versterken van de overlevingskracht van sportclubs zijn dit soort op beheersing gerichte prestatiecriteria van ondergeschikt belang.
"Zolang mensen als lid of belanghebbende actief (blijven) deelnemen aan deze informele sociale praktijken, is het voortbestaan van de sportvereniging tot in lengte van dagen gegarandeerd"
Adri Broeke
De doel, rationeel ingerichte organisatiestructuur (taken, rollen, bevoegdheden, procedures en dergelijke), is slechts bedoeld om de vier genoemde kernprocessen door het management op de juiste wijze op elkaar af te kunnen stemmen, zodanig dat een voor alle betrokkenen informele maar waardevolle stroom van contacten en sociale relaties tussen onder meer vrijwilligers, leden, fans, bezoekers en andere belanghebbenden in gang wordt gezet en in goede banen wordt geleid. In het door Hoeijmakers nieuw ontwikkelde systeemperspectief staat dit proces van 'georganiseerde waarde co-creatie' centraal. In de vorm van langdurige clubbinding, sociale identificatie met de clubidentiteit, een collectief gedeeld wij-gevoel en een verankerde publieke legitimiteit wordt op deze wijze duurzaam sociaal kapitaal opgeslagen. Dit zorgt voor een waarborg voor een toekomstbestendige thrive en endure van sportverenigingsorganisaties. Zolang mensen als lid of belanghebbende actief (blijven) deelnemen aan deze informele sociale praktijken, is het voortbestaan van de sportvereniging tot in lengte van dagen gegarandeerd. Het management en de ondersteuning van sportverenigingen dient in de eerste plaats op het bevorderen en verrijken van de beoogde waarde co-creatie processen gericht te zijn.
Bevinden maatschappelijke (sport)organisaties zich vandaag de dag in zwaar weer? Dat blijkt, zo zagen we, gelukkig mee te vallen. Op vanzelf aan de tijd en omstandigheden aangepaste wijze blijven burgers zich nog altijd in grote getale maatschappelijk organiseren, ondanks het onder invloed van de modernisering doorgeslagen individualisme, het op louter privaat winstbejag gerichte kapitalisme en de hevig aan erosie lijdende democratische gezindheid van veel landen. Met de levensvatbaarheid van sportclubs is er ook niet al te veel verontrustends aan de hand. Integendeel, uit eigen beweging en op vrijwillige basis zijn veel sportliefhebbers week in week uit bereid zich in te zetten voor de eigen leden en voor de (lokale) gemeenschap dienende publieke waarden.
"Iets kunnen betekenen voor anderen blijft mensen tot in lengte van dagen inspireren"
Adri Broeke
Genoemde uitingen van sociale betrokkenheid, binding en bezieling zijn, zeker in tijden van polarisatie en crises, volgens kenners kenmerkend voor onze eeuwenoude zoektocht naar een zinvol leven. In zijn boek 'De Tweede Berg' maakt David Brooks duidelijk dat er twee manieren van zinvol leven onderscheiden kunnen worden. Bij de eerste manier zoek je het hogerop: betere baan, meer inkomen, hogere status of meer verantwoordelijkheden. Het is een leven waarbij je jezelf voortdurend vergelijkt met anderen. Bij de tweede manier die Brooks beschrijft, ben je de eerste berg voorbij en ga je op zoek naar het goede. Je zet je in voor anderen, de wereld om je heen en de mensen waarmee je je op een belangeloze maar wederkerige wijze verbonden voelt. Daarvoor ben je bereid offers te brengen en waar nodig ten dienste van het gemeenschappelijke goede de strijd aan te gaan. Werken aan en vanuit gedeelde inspiratie geeft ons energie. Iets kunnen betekenen voor anderen blijft mensen tot in lengte van dagen inspireren. Maatschappelijke organisaties en sportverenigingen bieden ons daarvoor als geen ander alle kansen.
- Resie Hoeijmakers (2025). Thrive an Endure. Rotterdam: Golazo Media
- Julius Z. Strömberg e.a. In: European Sportmanagement Quarterly. Open acces article 5 nov. 2025 Routledge
- David Brooks (2020). De tweede berg. Amsterdam: Uitgeverij Unieboek
Deel dit bericht:
Door: Adri Broeke
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.