Go with Golazo
Sportknowhowxl
Home
Achtergronden
Op zoek naar de gemeenschappelijke gedrevenheid van maatschappelijke organisaties en sportverenigingen

Op zoek naar… de gemeenschappelijke gedrevenheid van maatschappelijke organisaties en sportverenigingen (1)

Adri Broeke beschouwt in twee delen de gemeenschappelijke gedrevenheid van maatschappelijke organisaties en sportverenigingen aan de hand van de essay-bundel 'Gedreven Gemeenschap', het artikel 'Burgercollectieven aan het roer?' van historicus Tine de Moor en het proefschrift Thrive and Endure van Resie Hoeijmakers. In dit eerste deel uitleg over en voorbeelden van de vitaliteit en het adaptief vermogen van gedreven gemeenschappen. In deel 2 van staat vanuit een meer theoretisch wetenschappelijke invalshoek de unieke waarde van co-creatie van sportverenigingen centraal.

26 februari 2026

Achtergronden

In onze hedendaagse sterk op het bevorderen van efficiëntie, effectiviteit en eigenbelang ingerichte samenleving, hebben heel wat uit sociale betrokkenheid en burgerinitiatief voortkomende organisaties het (extra) moeilijk. Hun ooit vanzelfsprekende maatschappelijke legitimiteit dient meer dan voorheen verdiend te worden. Waar staan jullie eigenlijk voor? Wat levert dat op aan kosten en baten? Kan de markt of de overheid dit niet veel beter verzorgen? Het bestaansrecht van de door de jaren heen omstreden civil society staat meer dan ooit op het spel. Zowel in de essay-bundel Gedreven Gemeenschap als in het proefschrift Thrive and Endure wordt op een eigen en overtuigende wijze een lans gebroken voor de herwaardering van vrije associaties en het maatschappelijk organiseren van onderop. In twee samenhangende delen gaan we daar dieper op in.

Burgergemeenschappen komen in actie

Vanuit een christelijk-filosofisch geïnspireerd gedachtegoed, vragen de drie auteurs van Gedreven Gemeenschap zich in gemoede af of en hoe maatschappelijke organisaties ook in de nabije toekomst nog van voldoende betekenis kunnen blijven. 

Voor een goed verhaal over de toekomst van de zogenoemde civil society (het maatschappelijk middenveld), is inzicht in de historische en actuele context onontbeerlijk, aldus de gerenommeerde essay-schrijvers. Als leidraad daartoe dient het moderniseringsproces dat onze samenleving de afgelopen tweehonderdvijftig jaar heeft doorlopen.

"Op het gebied van de toentertijd nog onderontwikkelde sport, schoten de amateurverenigingen als paddenstoelen uit de grond"

Adri Broeke

In het toenmalige Europa kwam na de Franse Revolutie (1789) een zoektocht op gang naar de vormgeving van een ware rechtsstaat. Met de Grondwet van 1848 en enkele jaren later de Wet op Vereniging en Vergadering gaf Nederland daar op vooruitstrevende wijze invulling aan. Met name de laagdrempelige verenigingsvorm zorgde eind 19de eeuw bij ons voor de hoogste organisatiegraad van vrije associaties en verenigingen in Europa. De opmars van de burgersamenleving was niet meer te stuiten.

Op het gebied van de toentertijd nog onderontwikkelde sport, schoten de amateurverenigingen als paddenstoelen uit de grond. Vervolgens richtten burgers voor allerlei takken van sport overkoepelende (inter)nationale verbonden op om tussen de verschillende sportclubs wedstrijden mogelijk te maken. Ook op gebieden als zorg, onderwijs en wonen en op dat van de (zakelijke) dienstverlening groeide het maatschappelijke middenveld gestaag uit tot een invloedrijke not-for-profit-sector, waar de overheid en de markt voortaan ernstig rekening mee zouden moeten houden.

Het kloppend hart van de samenleving

Aan de (mate van) gedrevenheid van het groeiend aantal maatschappelijke organisaties lag vanaf het prille begin een normatief kader ten grondslag. Drie strategische vragen stonden daarin centraal:
- aan welke kernwaarden dragen we bij (bedoeling)
- vanuit welke bronnen putten we dan (bezieling)
- met wie voeren we dat gezamenlijk uit (binding) 

25022026 Adri Broeke 1 n

In onderlinge afhankelijkheid en samenhang vormden deze drie opgaven een strategische driehoek. De legitimiteit en het strategische succes van elke maatschappelijke organisatie is sindsdien van de evenwichtige beantwoording op deze vragen afhankelijk. Meestal pakt dat goed uit, soms ook niet.

Historisch gezien was de tijd van de verzuiling – van pakweg eind 19de eeuw tot halverwege de 20ste eeuw – de meest succesvolle periode. Het maatschappelijke middenveld werd toentertijd door beleidsmakers gezien als het kloppend hart van de samenleving. In een langs levensbeschouwelijke lijnen (verzuild) ingerichte samenleving, zorgden de leiders van de zuilen voor overkoepelende samenwerking (=pacificatiepolitiek). Over de confessionele en sociaaleconomische zuilen werden de beschikbare publieke middelen (financiën, voorzieningen) vervolgens pondsgewijs verdeeld. Menig levensbeschouwelijk geïnspireerde hedendaagse bestuurder verlangt stiekem terug naar de glorietijd van dit katholieke subsidiariteitsbeginsel, waarbij het maatschappelijk midden van overheidswege vrij spel kreeg om de eigen achterban naar believen te bedienen.

"De moderne sporter wil in beginsel zoveel mogelijk zelf bepalen waar, wanneer en met wie gesport wordt"

Adri Broeke

In de wederopbouwperiode na WOII ging bij de rijksoverheid het roer radicaal om. De bestaanszekerheid van de inwoners en de stabiliteit van het landsbestuur diende voortaan onder regie van de rijksoverheid gegarandeerd te worden. De lappendeken aan stichtingen, coöperaties op belangrijke gebieden van zorg, sociale zekerheid, werkgelegenheid en wonen werden daartoe omgezet in van bovenaf aangestuurde uitvoeringsorganisaties van het ontzuilde overheidsbeleid. De uit eigen gelederen gekozen vrijwillige bestuurders moesten plaatsmaken voor professioneel geschoolde managers. Met de totstandkoming van de beoogde verzorgingsstaat (verstatelijking) en de versterkte grip op de leiding van maatschappelijke organisaties (=professionalisering) dreigde de burgergemeenschap in het voortrazende moderniseringsproces niet langer een rol van betekenis te (kunnen) spelen. 

Eind jaren zeventig kenterde het optimisme over de houdbaarheid en de betaalbaarheid van de beoogde welfare state en het daaraan ten grondslag liggende maakbaarheidsdenken. De onbedoelde neveneffecten (enorme bureaucratie, snel stijgende kosten en een snel groeiend aantal 'calculerende burgers’) versnelden de teloorgang van het naoorlogse verzorgingsstaatideaal. Het veronderstelde solidaire vermogen schoot in de uitvoeringspraktijk ernstig te kort. Meer marktgericht werken leek het panacee. Ook maatschappelijke organisaties moesten daarom voortaan aan de neoliberale ideologie geloven. Het werd ook voor hen zaak om op efficiëntie, prijs-kwaliteitsverhouding, innovatie en keuzevrijheid voor de burger als koning klant scherp te gaan concurreren.

Een nieuwe golf van vermaatschappelijking

Na twee eeuwen modernisering en optimistisch vooruitgangsgeloof worden we de laatste tijd hevig geconfronteerd met de schaduwzijden van de (laat)moderniteit, crises en transities alom en op allerlei gebied. Denk aan klimaatverandering, geopolitieke machtsstrijd, maatschappelijke polarisering en een afnemend vertrouwen in de (democratische) rechtsstaat. De samenleving lijkt een consumentenmacht geworden waarin mensen vooral eigen groepsbelang en individueel persoonlijk gewin nastreven. Uit allerlei empirisch onderzoek evenwel blijkt het wat betreft sociale betrokkenheid in de dagelijkse praktijk behoorlijk mee te vallen. De moderne burger is in maatschappelijk opzicht op veel fronten als vrijwilliger nog steeds actief. We zijn in Nederland jaar in jaar uit dan ook steevast internationaal kampioen vrijwilligerswerk.

"De vraag naar anders georganiseerde flexibele vormen van sportbeoefening en/of uitvoering van vrijwilligerstaken nam de afgelopen decennia toe"

Adri Broeke

Zeker op lokaal niveau ontbreekt het ons niet aan maatschappelijk engagement. De onderlinge band tussen mensen is wel minder hecht dan ten tijde van de verzuiling. Langdurige verplichtingen en vaste lidmaatschappen vermijden we liever. Meer dan voorheen bewegen we ons in informele netwerken en zogeheten lichte gemeenschappen. De hedendaagse burger kiest bij voorkeur voor het aangaan van tijdelijke verbintenissen en flink veel individuele bewegingsruimte.

In de sport zien we deze ontwikkeling terug in de vorm van sport light varianten van sportaanbod en -beoefening. De moderne sporter wil in beginsel zoveel mogelijk zelf bepalen waar, wanneer en met wie gesport wordt. De behoefte aan minder verplichtingen en meer keuzevrijheid leidde tot een afnemende vanzelfsprekende betrokkenheid van (potentiele) leden. De vraag naar anders georganiseerde flexibele vormen van sportbeoefening en/of uitvoering van vrijwilligerstaken nam de afgelopen decennia daarentegen toe.

In de afgelopen decennia kwam (mede als gevolg van de (laat)moderniteit in crisis) een nieuwe golf aan burgerinitiatieven op gang. Volgens historicus Tine de Moor popten vanaf het begin van de 21ste eeuw een snel in omvang en maatschappelijke waarde groeiend aantal burgercollectieven opnieuw op. Op probleemgebieden waar overheidsinstanties of het bedrijfsleven geen oplossingen voor boden, namen lokale gemeenschappen van burgers zelf het voortouw in buurt, dorp, stad of eigen regio.

25022026 Adri Broeke 3 n

Ditmaal organiseerde de burgerij zich in collectieven, naast naastenliefde en noaberschap, met name om meer grip te krijgen op de eigen leefomgeving. Al doende hoopte men betere oplossingen te kunnen creëren dan die van de (lokale) overheid of markt. Onder meer in de vorm van zorg- en energiecoöperaties, gemeenschappelijke woonvormen en sociaal veilige speelplekken bouwden de aldus betrokken bewoners actief mee aan de lokale samenleving.

Onder de bezielende leiding van Tine de Moor en haar collega’s ondersteunt het platform Collectieve Kracht inmiddels vele duizenden maatschappelijke grassroots organisaties die allen door een collectief van burgers – al dan niet in co-creatie met overheidsinstanties – bestuurd worden. Na vele jaren strijd en ontwikkeling staat het bestaansrecht van maatschappelijke organisaties nog altijd fier overeind. 

De sportvereniging als gedreven gemeenschap

De auteurs van het hier besproken essay maakten zich ernstig zorgen over de toekomstige legitimiteit van maatschappelijke organisaties. Tussen die van de overheid en die van de markt vervullen ze sinds mensenheugenis als burgergemeenschappen een eigen rol en betekenis. Zelfs – zoals heden ten dage – in tijden van grote veranderingen of crisis bleven ze belangrijke bijdragen leveren aan de noden van mensen en de oplossing van (lokale) samenlevingsvraagstukken. In deel I van deze column gaven we daar in de vorm van verhalen enkele voorbeelden van. De drie samenhangende dimensies bedoeling, bezieling en binding van de zogeheten strategische driehoek zorgden bij nader inzien telkens weer voor voldoende vitaliteit en adaptief vermogen van de betreffende gedreven gemeenschappen. In deel 2 van deze bespreking staat vanuit een meer theoretisch wetenschappelijke invalshoek de unieke waarde van co-creatie van sportverenigingen centraal. Wellicht dat ook hier de gemeenschappelijke gedrevenheid de kern vormt voor het opbloeien en duurzaam voortbestaan van vrijwillige sportverenigingen als betekenisvolle maatschappelijk organisaties.

Leestips:

-Jan Hoogland e.a. (2024). Gedreven Gemeenschap. Amsterdam: Buijten & Schipperheijn Motief

-T. de Moor (2025). In: Bestuurswetenschappen. Vol79, nr 1. Blz 64-83

Deel dit bericht:

Adri Broeke NIEUW

Door: Adri Broeke

0 reacties

Nog geen reacties. Wees de eerste!

Voeg je reactie toe

Meer over:

Blijf op de hoogte

Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de 
belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.