24 maart 2015
Opinie
door: Michiel de Nooij en Peter Horsselenberg
Meestal worden sportevenementen met een economische impactanalyse (EIA) geëvalueerd. Maatschappelijke kosten-batenanalyses (MKBAs) zijn op andere beleidsterreinen veel gebruikelijker dan EIAs. We laten zien dat het verschil van EIA en MKBA groot is. Omdat de MKBA wel rekening houdt met niet-markteffecten van sportevenementen geeft de MKBA een beter beeld van het effect op de welvaart. Daarom pleiten we ervoor dat er bij sportevenementen veel meer MKBAs gemaakt worden.
Veel gemeenten en het rijk steunen sportevenementen (financieel of materieel). Als vervolgens sportevenementen worden geëvalueerd dan gebeurt dit volgens de richtlijnen van de Werkgroep Evaluatie Sportevenementen (WESP 1). Voor de grotere evenementen die subsidie van het ministerie van VWS krijgen is zo’n evaluatie verplicht. In praktijk wordt vaak een bezoekersprofiel gemeten en worden de additionele bestedingen bepaald. Deze additionele of extra bestedingen in een regio wordt de economische impactanalyse (EIA) genoemd. Soms worden effecten zoals beleving, promotionele waarde, participatie en cohesie apart gemeten. Echter deze worden dan niet in geld gewaardeerd.
Voor ander overheidsbeleid wordt eigenlijk nooit volstaan met slechts een berekening van de additionele bestedingen, maar wordt een maatschappelijke kosten-batenanalyse opgesteld. Dit is lastiger, zeker omdat er bij sportevenementen veel zachte, niet-markteffecten zijn. Het feit dat er twee verschillende instrumenten zijn roept de vraag op of het verschil tussen beide instrumenten (EIA en MKBA) groot is.
Om hier meer inzicht in te krijgen hebben we voor de Dam tot Damloop zowel een EIA als een MKBA opgesteld 2. Tevens is ervoor gekozen om drie regio’s te onderscheiden om te kijken hoeveel de omvang van de regio (alleen de stad, de provincie of het hele land) uitmaakt voor de uitkomst. Er is onder andere voor de Dam tot Damloop gekozen omdat dit het grootste hardloopevenement van Nederland is met flink veel bezoekers en een flinke impact op de omgeving 3.
Enquêtes
Er zijn drie verschillende enquêtes gebruikt: een onder de bezoekers (face to face afgenomen door 40 studenten bij 768 bezoekers), een onder de deelnemers (via internet, 9.058 uitnodigingen zijn verstuurd en er zijn 2.963 enquêtes ingevuld) en een onder alle Amsterdammers (n=431 met behulp van het panel van O+S van de gemeente Amsterdam).
De eerst stap is het meten van hoeveel bezoekers uitgeven. Hiervoor is bezoekers gevraagd naar hoeveel ze hebben uitgegeven. Als de bezoekers uit Amsterdam en Zaandam kwamen is de bezoekers gevraagd of ze naar elders waren gegaan indien er geen de Dam tot Damloop was geweest, en als ze buiten Amsterdam en Zaandam wonen of ze speciaal voor de Dam tot Damloop zijn gekomen. Deze laatste twee vragen zijn nodig om vast te stellen hoeveel van de bestedingen additioneel (extra) zijn. Bezoekers aan de Dam tot Damloop geven in totaal € 2,6 miljoen uit. Hiervan is ruim € 1,5 miljoen additioneel voor Amsterdam en Zaanstad.
Als tweede zijn de uitgaven en inkomsten van de organisatie geanalyseerd. Het evenement heeft een begroting van totaal € 1,9 miljoen. In Amsterdam en Zaandam geeft de organisatie € 9 ton minder uit dan ze uit deze regio aan inkomsten heeft (een negatieve bestedingsimpuls). Ook voor Noord-Holland heeft de organisatie een negatieve bestedingsimpuls van ruim € 3 ton. Voor Nederland als geheel zijn inkomsten en uitgaven bijna in balans.
In aanloop naar en tijdens het evenement geven de hardlopers geld uit. Veel van de uitgaven in de aanloop naar de Dam tot Damloop worden in de eigen woonplaats gedaan (denk aan hardloopschoenen en trainingsondersteuning), waardoor deze niet extra zijn voor Amsterdam. De extra uitgaven in Amsterdam en Zaanstad zijn € 358.488. De extra uitgaven in Noord-Holland zijn alleen afkomstig van de lopers van buiten Noord-Holland en zijn € 221.922. In heel Nederland zijn er geen extra uitgaven door het ontbreken van buitenlandse deelnemers.
Opstellen analyse
Met deze drie posten kan een economische impactanalyse opgesteld worden. Voor een maatschappelijke kosten-batenanalyse is meer kennis van het evenement nodig.
Als eerste missen in de EIA veel effecten die bij de bezoekers optreden. Zo worden de extra bestedingen gegenereerd door een klein deel van de bezoekers. Een deel van de bezoekers geeft niks uit en een deel telt niet mee als additioneel. Hierdoor worden de additionele uitgaven bepaald door slechts 33,9 procent van de bezoekers. Effectief maakt het voor de EIA dus niet uit of er 115.000 bezoekers zijn (zoals wij schatten), of slechts alleen de 40.000 bezoekers die zorgen voor extra uitgaven. Met slechts 40.000 bezoekers is het duidelijk een ander evenement.
Veel van de bezoekers die niks uitgeven zeggen dat ze het evenement waarderen. 56,6 procent van de bezoekers is van plan volgend jaar weer te komen en driekwart vindt een bezoek aan de Dam tot Damloop aan te raden aan vrienden, kennissen en of familie. Het plezier dat publiek beleeft aan het evenement, blijkt ook uit het gedrag. De gemiddelde verblijfstijd langs het parcours is een uur en driekwartier (105 minuten). De gemiddelde reistijd enkele reis is een half uur.
We hebben daarom probeert te achterhalen hoeveel plezier bezoekers hebben van het gratis evenement. Daarom is gevraagd naar de betalingsbereidheid (willingness to pay). 41,3 procent van de bezoekers wil betalen als de organisatie dat nodig heeft om het evenement goed en veilig voor lopers en publiek te organiseren. De gemiddelde betalingsbereidheid voor deze groep is € 7,67. Voor alle 115.000 bezoekers is de totale betalingsbereidheid € 364.368, als maat voor het plezier dat het publiek aan dit evenement ontleend.
Ook bewoners in de stad waar een evenement is kunnen profiteren (als het goed is voor de economie of de sfeer in de stad, of omdat ze van het evenement genieten) of juist nadeel hebben (overlast door drukte of verkeer). Via een aantal stellingen hebben we onderzocht hoe bewoners tegen de Dam tot Damloop aankijken. Ruim 60 procent van de respondenten vindt het belangrijk dat de Dam tot Damloop in de eigen stad wordt georganiseerd. En ruim 77 procent vindt het goed dat de gemeente Amsterdam en de gemeente Zaanstad de Dam tot Damloop mede mogelijk maken.
Om deze steun concreter te maken is ook aan de Amsterdammers een betalingsbereidheidsvraag gesteld. 14,5 procent wil betalen als de organisatie geld nodig heeft om de Dam tot Damloop te blijven organiseren en dit geld nodig is om het evenement zowel voor de lopers als de bezoekers goed en veilig te laten verlopen. Gemiddeld is de betalingsbereidheid € 15,16 per respondent die wil betalen en weet hoeveel. Voor alle Amsterdammers levert dit een waarde op van € 1,5 miljoen.
Tegelijkertijd zijn er ook mensen die juist last van de Dam tot Damloop hebben. Hier is gevraagd naar type overlast en hoe erg deze wordt ervaren, en welk bedrag nodig zou zijn om hun overlast te compenseren (willingness to accept). Omdat maar weinig mensen overlast hadden ervaren en omdat er grote verschillen in zowel ervaren overlast als gevraagde compensatiewaarde zijn, gecombineerd met een selectie-effect, is geen compensatiewaarde uit de enquête afgeleid. Mogelijk is de betalingsbereidheid die hierboven werd gevonden daarom te hoog.
Bij de hardlopers treden nog twee baten op. Ten eerste is deelname hun meer waard dan ze moeten betalen. Deze extra waarde (hun consumentensurplus) is gemiddeld € 16 en in totaal € 590.165. Ten tweede gaan hardlopers in aanloop naar en deels ook na afloop meer lopen, en soms ook meer sporten. Mensen die meer sporten leven langer. Dit effect is op ruwe wijze gewaardeerd.
Gezondheidswinst
Als een kwart van de deelnemers voldoende beweegt en dat zonder Dam tot Damloop niet deed (48 procent van de deelnemers is meer gaan sporten, als de helft daarvan onvoldoende bewoog), en als dat effect een half jaar aanhoudt (inclusief voorbereidingstijd), dat mensen 40 jaar sportief kunnen leven en zo hun levensverwachting kunnen verhogen, en dat mensen die voldoende bewegen een jaar langer leven, met een waarde van een extra quality adjusted life year (qaly) van € 50.000, dan is de gezondheidswinst voor de 36.757 hardlopers al € 5.513.550.
Deze waarde wordt pas aan het eind van de levens van de sporters (over 40 jaar) gerealiseerd. Met een discontovoet van 5,5 procent geeft dit een huidige waarde € 647.639 voor heel Nederland. Deze waardering lijkt eerder een onderschatting dan een overschatting omdat een aantal kengetallen laag zijn geschat en andere gezondheidseffecten nog buiten beschouwing zijn gelaten.
Verder zijn er nog twee effecten, namelijk dat als mensen uitgaven doen ze dat doen omdat ze gelukkiger worden van die uitgaven dan van andere uitgaven (anders hadden ze daarvoor gekozen). Dit geluk of consumentensurplus schatten we op 5 procent van de uitgaven (ook van de niet-additionele uitgaven). En bedrijven die betalen voor deelname of sponsoring doen dat ook alleen omdat ze er beter van worden. Hun voordeel schatten we op 10 procent van hun uitgaven (omdat we alleen de directe en niet de directe kosten meenemen).
EIA en MKBA
De onderstaande tabel bevat alle effecten die hierboven zijn besproken uitgesplitst naar drie regio’s (Amsterdam en Zaanstad, Noord-Holland (inclusief Amsterdam en Zaanstad) en Nederland als geheel). De betalingsbereidheid voor bezoekers uit Amsterdam is niet meegenomen om overlap met betalingsbereidheid van alle Amsterdammers te voorkomen (regel 6). De betalingsbereidheid voor Zaandam is met dezelfde betalingsbereidheid per persoon berekend als voor Amsterdam (regel 8). De onderste twee regels bevatten een economische impactanalyse (hoeveel zijn de extra bestedingen) en een maatschappelijke kosten-batenanalyse (hoe groot zijn de maatschappelijke kosten en baten). Dit om de standaardevaluatie bij sportevenementen te vergelijken met de standaardevaluatie op andere beleidsterreinen. In de optellingen (regel 12 en 13) is een multiplier van 1 gebruikt, dat wil zeggen aangenomen is in de berekening dat een euro extra bestedingen in een regio ook leidt tot een euro extra productie (BBP) of welvaart. Dit hoeft niet altijd zo te zijn.
Deze optelling laat een aantal dingen goed zien:
Noten
Dr. Michiel de Nooij was projectleider van dit onderzoek en is onafhankelijk onderzoeker gespecialiseerd in maatschappelijke kosten-batenanalyses en sport en economie. Voor meer informatie Michiel de Nooij Economisch Onderzoek en Advies, info@michieldenooij.nl of www.michieldenooij.nl). Hij heeft eerder onder meer onderzoek gedaan naar de maatschappelijke baten van het nieuwe Feyenoord-stadion, de maatschappelijke kosten en baten van het in Nederland organiseren van het WK voetbal en de Olympische Spelen.
Peter Horsselenberg is docent communicatie en onderzoeker bij CAREM, Hogeschool van Amsterdam.
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.