Go with Golazo
Sportknowhowxl
Home
Opinie
Zonder epo rijdt het peloton duidelijk trager of niet

Zonder epo rijdt het peloton duidelijk trager. Of niet?

3 april 2012

Opinie

door: Bram Brouwer

De titel van deze column is deels ontleend aan een artikel van de Belgische krant De Standaard, dat zegt: ‘Sinds 2004 rijdt het peloton opnieuw trager. Dat heeft de Zwitser Thomas Perneger, een epidemioloog van het universitair ziekenhuis in Genève, berekend. Perneger wijst op een mogelijk verband met verminderd dopinggebruik. ‘ Volgens de Zwitser steeg de gemiddelde snelheid over de eerste vijf renners in de ronden van Frankrijk, Italië en Spanje van 1990 tot 2004 tezamen jaarlijks met 0,18 km/uur, maar daalt sindsdien jaarlijks weer met 0,17 km/uur.

Perneger legt uit dat door epo de maximale zuurstofopname (VO2max) met ±7% toeneemt, waardoor renners 2,8% (1 km/uur) harder fietsen. Dat komt volgens Perneger overeen met wat renners nu langzamer fietsen en overtuigt hem ervan dat die snelheidsafname komt door minder epo-gebruik.

Drogredenering
Dat renners nu langzamer fietsen omdat ze minder epo gebruiken, bevat de impliciete bewering dat ze eerder harder fietsten omdat ze wel epo gebruikten. Maar dat is juist wat Perneger met zijn uitspraak wil aantonen. Het is een cirkelredenering, een petitio principii: aannemen wat nog bewezen moet worden. Zulke beweringen lijken waar, maar zijn het niet. We analyseren Pernergers bewering refererend aan een publicatie van Lodewijkx en mijzelf, die op dezelfde wielerrondes is gebaseerd.

Methodologische problemen
Methodologie gaat over goed onderzoek doen. Pernegers eerste methodologisch probleem is dat hij denkt de prestatieontwikkeling in het wielrennen te meten, maar hij meet de prestatiedichtheid in de wielertop: hoe variëren prestaties tussen renners onderling. Dat zijn twee onafhankelijke variabelen (A kan stijgen, terwijl B daalt en andersom). Al in 1987 (pre-epo-periode) beschreef ex-renner, tv-commentator en psycholoog Maarten Ducrot zijn theorie van de gradueel afnemende verschillen. Door professionelere begeleiding, meer inzicht in de sportfysiologie en betere trainingsmethoden nam het gemiddeld prestatieniveau in het peloton toe. Dit werd begin jaren negentig versterkt door de introductie van het UCI-klassement. Daarin kregen renners waardevolle punten voor topklasseringen, waardoor ze vaker tot de finish bleven koersen. Dat gaf de gemiddelde wielerprestatie een boost, waar epo buiten stond.

Een tweede methodologisch probleem is dat Perneger snelheidsveranderingen in het wielrennen geheel toeschrijft aan epo. Grote wielerrondes worden door veel factoren beïnvloed, waaronder epo. Naast de al genoemde factoren zorgen verbeteringen aan de fiets, voeding, wegen, etc. dat renners steeds sneller rijden. Ook willen sporters zichzelf, hun tegenstanders en voorgangers steeds overtreffen (psychologische factor). Epo staat daar buiten.

Deze basisontwikkeling wordt beïnvloed door systematische kenmerken van specifieke wedstrijden. Volgens ons onderzoek zijn wedstrijdlengte, -zwaarte, en aantal etappes de belangrijkste beïnvloeders. Gezamenlijk verklaren ze 98% van de prestatieontwikkeling. Ze zijn dan ook de beste verklaring voor Pernegers snelheidsverschillen. Dit laat slechts 2% ruimte voor alle andere invloeden, inclusief epo. Perneger laat deze essentiële beïnvloeders buiten beschouwing. Een derde groep, toevallige, beïnvloeders (weer, wind, wegdek, motivatie, etc.) hebben effect op afzonderlijk etappes, maar de positieve en negatieve effecten heffen elkaar in drie weken durende rondes op. We kunnen ze dan negeren.

Het derde methodologische probleem in Pernegers bewering is dat hij snelheid gebruikt als afhankelijke variabele, waarmee hij de wedstrijdprestaties wil meten. Snelheid is echter samengesteld uit afstand en tijd (kilometers per uur), terwijl wedstrijdlengte als beïnvloeder van de wedstrijdprestatie ook in kilometers wordt uitgedrukt. Dat geeft interferentie tussen de kilometers in snelheid en in wedstrijdafstand. Snelheid is daarom ongeschikt voor Perneger redenering. Ze moet worden gesplitst in afstand en tijd. Winnaarstijd heeft geen interferentie en is dus wel geschikt om de wedstrijdprestatie te meten. De wedstrijdlengte in meer of minder tijd afleggen is immers ook langzamer c.q. harder fietsen, dus snelheid. Wetenschappelijk moet Pernegers bewering dan ook worden afgewezen vanwege methodologische bezwaren. Hij mag de conclusies die hij trekt niet trekken. Ofwel, hij beweert onzin.

De wielerpraktijk
Perneger is mogelijk een uitstekend epidemioloog, maar van wielrennen heeft hij geen kaas gegeten. Iets wat overigens voor veel zelfbenoemde ‘dopingdeskundigen’ geldt. Ze kunnen elkaar vooral goed napraten. Door dat papegaai-effect ontstaat consensus over epo-effecten, die dan niet meer ter discussie staan. Ook niet als de feiten iets anders zeggen, zoals we bij Pernegers zullen zien.

Om profijt van epo te hebben moeten renners na gebruik ervan beter presteren, ofwel: langduriger harder kunnen fietsen. Breed wordt aangenomen - ook door Perneger - dat de VO2max bepalend is voor wielerprestaties. Om duurprestaties te verbeteren moet epo dan de VO2max verhogen. En dat doet het - volgens de epidemioloog - met 7%, waardoor renners 1 km/uur harder fietsen.

Deze redenering komt al snel in de problemen. Inspanningsfysiologische leerboeken zeggen dat sporters VO2max-inspanningen hooguit ~ 10 minuten kunnen volhouden. Daarna moeten ze hun inspanning verlagen om verzuring te voorkomen. Het belang van de VO2max neemt dan snel af. Bij wielrennen is het belang van de VO2max dan ook marginaal en dat maakt verhoging ervan weinig zinvol. Het lagere maximale-steady-state-niveau is belangrijker. Daar heeft epo echter geen invloed op.

Hoewel het voorgaande Pernegers 1 km/uur-bewering onwaarschijnlijk maakt, accepteren we haar hierna toch als juist en beoordelen haar betekenis voor de wielerpraktijk bij maximale benutting. De 10 minuten grens reduceert het 1 km/uur-voordeel tot 167 mtr/uur. Ook is Pernegers voordeel een laboratoriumresultaat, dat we volgens Hopkins met 0,4 moeten vermenigvuldigen om ze naar de wielerpraktijk te vertalen. Pernegers 1 km/uur krimpt dan tot ± 67 mtr/uur.

Vervolgens ontstaat een nieuw probleem. Als 2,8% gelijk is aan 1 km/uur, is de uitgangssnelheid ~36 km/uur. Die snelheid staat echter ver af van de VO2max-snelheid van beroepsrenners (geschat op ~55 km/uur), vanwege de bijna derdemachtsrelatie tussen snelheid en benodigd vermogen bij fietsen. Bij 10 km/uur kost 5 km/uur harder fietsen ‘slechts’ 15 watt extra, bij 25 km/uur is dat 55 watt, en bij 55 km/uur zelfs 205 watt. Pernegers 1 km/uur bij 36 km/uur levert bij 55 km/uur minder dan 0,5 km/uur snelheidswinst op. En als epo prestaties verbetert, dan alleen boven het VO2max-niveau. Daaronder kunnen renners immers zonder epo hetzelfde presteren. Het vermeende voordeel neemt nu verder af tot ~30 mtr/uur in de praktijk (0,5%). Deze voor het dopingdebat in het wielrennen cruciale relatie tussen snelheid en benodigd vermogen bij wielrennen wordt altijd overgeslagen. Dat vermeende 0,5%-voordeel geldt vervolgens slechts voor een renner op kop. Zijn collega’s, uit de wind, hebben een onbetwist voordeel van 26% (twee renners) tot 40% (peloton).

Ook is Pernegers bewering gebaseerd op het idee dat wielrennen gaat om wie het hardst fietst. Dat is - behoudens in tijdritten - een misvatting. Lodewijkx gaf een goede beschrijving van wielrennen als kakofonie van geven en nemen, linkeballen, flikken, coöperatie en combines tussen renners, ploegen, officials, sponsoren, media, jury, etc. Niet wie het hardste fietst, maar wie die dit wielerspel het beste speelt wint. Dat maakt wielrennen zo’n mooie sport en onderscheidt haar van veel andere sporten. Wielrennen puur om hard fietsen - zoals het dopingdebat veronderstelt - is volstrekt oninteressant. Wie denkt dat het hier besproken epo-voordeel in dit onvoorspelbare groepsdynamische proces enig meetbaar effect heeft, snapt niets van wielrennen.

Tunnelvisie
Verder zegt Perneger: ‘Ook in de Ronde van Spanje was die trend merkbaar, zelfs in een meer uitgesproken vorm. Tussen 2004 en 2009 daalde de gemiddelde snelheid er met 1 km per uur. Alleen in de Giro bleef de snelheid de afgelopen jaren stijgen gemiddeld met 0,12 km per uur.’ De door de Zwitser gevonden gedifferentieerde prestatieontwikkeling in de verschillende rondes correspondeert met onze bevindingen. Hij verzuimt echter deze belangrijke observaties in zijn conclusies te betrekken. Als hij (met velen) de prestatieontwikkeling in het wielrennen toeschrijft aan epo, dan fietsten renners in Spanje door epo harder en dat voordeel valt weg nu ze geen epo meer gebruiken. In Italië echter fietsten renners door epo langzamer en dat nadeel valt weg nu ze geen epo meer gebruiken.

Op basis van zijn eigen observaties kan Perneger slechts concluderen dat iets anders dan epo de prestatieontwikkeling van wielrennen bepaalt, tenzij hij de hiervoor geformuleerde theorie van de differentiële epo-effecten wil verdedigen. Maar die onwaarschijnlijke theorie moet hij dan wel onderbouwen.

Negeren van eigen observaties en het als wetenschapper veronachtzamen van methodologische problemen wijst op vooringenomenheid en selectieve bewijsvoering: bevestigingsvertekening (bevestiging zoeken van wat men al dacht), ook wel tunnelvisie genoemd. Ook wetenschappers kunnen daar last van hebben.

Afsluiting
Door de vele problemen waarop Pernegers redenering stuit, moet ze als amateuristisch broddelwerk worden gekwalificeerd, een wetenschapper onwaardig. Toch worden opvattingen over epo vooral door dit soort broddelwerk in stand gehouden. De media versterken dit door wel aandacht te besteden aan deze kort te formuleren populistische visies, terwijl langere gedegen weerleggingen worden genegeerd. Wegens die lengte, of ook wegens tunnelvisie?

Gebruikte literatuur:
- Belga bhe (2012, January 21). Zonder epo rijdt het peloton duidelijk trager. De Standaard.
- Lodewijkx, H. F. M. & Brouwer, B. (2011). Some Empirical Notes on the 'Epo Epedemic' In professional Cycling. Research Quarterly for Exercise and Sport, 82, 740-754.
- Ducrot, M. (1987). Berichten uit de Tour de France [Dispatches from the Tour de France]. Amsterdam: Thomas Rap.
- Wilmore, J. H. & Costill, D. L. (2006). Inspannings- en sportfysiologie (Nederlandse versie). Maarsen: Elsevier gezondheidszorg.
- Hopkins, W. G. (2004). How to Interpret Changes in an Athletic Performance Test. Sportscience, 8, 1-7.
- Hopkins, W.G., Schabort, E.J. & Hawley, J.A. (2001). Reliability in Physical Performance Tests. Sports Medicine, 31 (3). 211-234.
- Ingen Schenau, G. J. v. (1985). Snelheid: Een evenwicht tussen inspanning en wrijving.. In J.P.Clarijs & G. J. v. Ingen Schenau (Eds.), Wielrennen: Een confrontatie tussen de wetenschap en de praktijk van het wielrennen. (pp. 39-67). Lochem/Gent: Uitgeversmaatschappij De Tijdstroom.
- Burke, E. R. (2002). Serious Cycling (2nd. edition). Champaign: Human Kinetics.
1. Lodewijkx, H. F. M. (2011). Tussen geven en nemen: Wielrennen als dubbelspel. Rotterdam: 2010 Uitgevers.

Bram Brouwer is ruim dertig jaar schaatstrainer en was een van de eerste gediplomeerde wielrentrainers in Nederlanden. Hij heeft 15 jaar professioneel duursporters begeleid en is daarna psychologie gaan studeren aan de Open Universiteit. Hier studeerde hij in 2009 cum laude af als arbeids en organisatiepsycholoog op het onderwerp ‘Doping als drogreden’ en behaalde de basisaantekening sportpsychologie. Momenteel werkt hij aan zijn proefschrift met als werktitel ‘De mythen van epo bij wielrennen’. Daarnaast werkt hij in zijn eigen praktijk, als adviseur/coach voor mensen en organisaties die willen presteren en verzorgt lezingen over deze onderwerpen. Voor meer informatie: info@brambrouwer.nl of www.brambrouwer.nl.

Deel dit bericht:

0 reacties

Nog geen reacties. Wees de eerste!

Voeg je reactie toe

Meer over:

Blijf op de hoogte

Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de 
belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.