13 mei 2008
Opinie
In de aanloop naar Olympische Spelen en wereldkampioenschappen is diverse malen aangedrongen op het boycotten van het evenement. Ook nu weer heeft Erik van Muiswinkel de discussie over een boycot aangezwengeld. Meestal heeft een boycot geen enkele zin. De gedeeltelijke boycot van Zuid-Afrika in verband met de apartheid vormde hierop een uitzondering.
Wanneer gediscussieerd wordt over sportboycots wordt regelmatig als argument aangevoerd dat sport en politiek niets met elkaar te maken hebben. Dit is natuurlijk niet waar. Sport en politiek hebben op tal van manieren met elkaar te maken. Enerzijds doen allerlei geledingen van de sport regelmatig een beroep op de overheid om financiële en andere ondersteuning. Anderzijds wil de overheid sport hanteren als middel ter verbetering van de volksgezondheid, de integratie van bevolkingsgroepen, de bevordering van de sociale cohesie, etc. Steeds meer sportorganisaties willen daaraan een bijdrage leveren. Hierbij is in de meeste gevallen sprake van een goede samenwerking tussen sport en overheid in het belang van sport en samenleving. Het is echter iets geheel anders wanneer politici de sport willen hanteren als politiek pressiemiddel om de situatie in een bepaald land te verbeteren. Wanneer andere middelen falen lijkt sport een aantrekkelijk en goedkoop wapen. Voordat de sport aan een boycot wil meewerken moet echter aan een aantal voorwaarden worden voldaan. Aan de hand van de historie van de sportboycots werk ik dit nader uit.
Melbourne
De eerste grote boycot waarmee Nederlandse
sportbeoefenaren werden geconfronteerd, was die van de Olympische Spelen in
Melbourne in 1956. Naar aanleiding van de inval van de Sovjet-Unie in Hongarije
besloot het bestuur van het Nederlands Olympisch Comité (NOC) om niet naar
Melbourne te gaan en de daar al aanwezige sporters terug te roepen. In de
samenleving bestond veel waardering voor deze emotionele daad van het NOC. De
sporters, onder wie veel kanshebbers op medailles, waren het slachtoffer van
deze eenzijdige boycot die geen enkele zin had. Slechts enkele landen gingen om
uiteenlopende redenen niet naar Melbourne en zelfs de Hongaarse delegatie was
aanwezig. Deze keer ging het om een initiatief vanuit de sport zelf hoewel
diverse sportbonden het niet eens waren met het besluit.
Tijdens de vijftig
jaar later in 2006 door NOC*NSF georganiseerde reünie voor de leden van de
Olympische ploeg van 1956 bleek nog eens hoe groot de teleurstelling is geweest
voor de betrokken sporters.
München
De aanslag op de Israëlische delegatie tijdens de
Olympische Spelen van München in 1972 leidde niet tot een boycot. Het
Internationaal Olympisch Comité (IOC) besloot dat de Spelen moesten doorgaan,
wat overigens ook de mening was van de Israëlische delegatie. Het NOC besloot te
blijven maar de beslissing over het al dan niet deelnemen over te laten aan de
individuele sporters. Enkelen gingen naar huis.
Montreal
Tijdens de Spelen in Montreal in 1976 was er wel
weer sprake van een boycot. Een aantal Afrikaanse landen verliet de Spelen omdat
het IOC weigerde Nieuw-Zeeland uit te sluiten van de Spelen. Rugbyers uit
Nieuw-Zeeland hadden namelijk een trip gemaakt naar Zuid-Afrika waar toen de
apartheid heerste.
Andere oproepen tot boycot in de jaren zeventig
Vanwege
het schrikbewind in Argentinië riepen Freek de Jonge en Bram Vermeulen op tot
een boycot van de wereldkampioenschappen voetbal in 1978 in dat land. Nederland
ging echter wel, evenals naar het WK hockey voor heren in hetzelfde jaar in
Argentinië.
Veel minder publiciteit kreeg de discussie over het al dan niet deelnemen van een ploeg uit Zuid-Afrika aan de Paralympics in 1980 in Arnhem. De Tweede Kamer was van mening dat moest worden afgezien van deelneming van de genoemde ploeg. De regering liet formeel de beslissing over aan de organiserende stichting maar trok alle steun terug. De stichting werd daardoor gedwongen de ploeg te weigeren. Anders dan in 1956 en in 1978 was er nu sprake van politieke besluitvorming en beïnvloeding.
De Moskou-boycot
Dit was echter nog niets vergeleken met
de druk vanuit regering en parlement op de sport en in het bijzonder op het NOC
om niet aan de Olympische Spelen van 1980 in Moskou deel te nemen vanwege de
inval van de Sovjet-Unie in Afghanistan. Naar aanleiding van de oproep van
president Carter om deze Spelen te boycotten deed premier Van Agt een beroep op
NOC en NSF om geen delegatie af te vaardigen. Een week later stemden de leden
van beide organisaties in met de door NOC en NSF opgestelde kanttekeningen.
Daarin werd o.a. gesteld dat het te vroeg was voor een besluit, dat overleg met
zusterorganisaties nodig was, dat nagegaan zou moeten worden of de sport in een
uitzonderingspositie zou komen te verkeren en wat de consequenties voor de sport
zouden zijn.
De Tweede Kamer sprak zich uit voor een boycot maar was verdeeld over de argumentatie: sommige kamerleden hanteerden de inval in Afghanistan als argument, voor anderen was de schending van de mensenrechten het belangrijkst. Dit laatste gold ook voor het Comité Olympische Spelen en Mensenrechten onder leiding van Ed van Thijn. Dit comité organiseerde in de vergaderzaal van de Tweede Kamer een speciale discussie. Namens de sport stelde ik daar dat een boycot slechts in uitzonderlijke situaties mag worden gehanteerd als aan diverse voorwaarden is voldaan en dat hiervan geen sprake was met betrekking tot de Spelen in Moskou.
Regering en Parlement konden in financiële zin weinig druk uitoefenen op de sport omdat de uitzending naar Olympische Spelen grotendeels werd gefinancierd door De Lotto. Staatssecretaris Wallis de Vries probeerde nog invloed uit te oefenen op het bestuur van deze organisatie maar dit had geen effect. Het bestuur van het NOC besloot uiteindelijk om wel deel te nemen aan de Spelen, in tegenstelling tot landen als de Verenigde Staten en West-Duitsland. Bij de opening en de sluiting werd de EU-vlag gebruikt en waren geen bestuursleden aanwezig.
Hoe zinloos de boycot was bleek uit de voortzetting van de strijd in
Afghanistan en van de schending van de mensenrechten. Bovendien vonden binnen
een jaar atletiekwedstrijden plaats tussen de Sovjet-Unie en de Verenigde
Staten, het land waar alles mee begonnen was. Als reactie op de boycot van de
Olympische Spelen van Moskou werden die in 1984 in Los Angeles wel als
vergelding geboycot door de Sovjet-Unie en enkele andere landen.
Uitgangspunten sport en politiek
De vele discussies
hadden wel als positief resultaat dat op basis van overleg tussen
vertegenwoordigers van de sport en van de grootste partijen in de Tweede Kamer
de ‘Uitgangspunten sport en politiek’ werden opgesteld. Daarin werd o.a.
gesteld: ‘In het uiterste geval kan/kunnen de Nederlandse regering en/of
parlement het wenselijk achten om als oordeel uit te spreken dat
vertegenwoordigers van Nederlandse sportorganisaties zich niet zouden moeten
bloot stellen aan politiek gebruik en niet zouden moeten deelnemen aan bepaalde
sportmanifestaties. Deze uitspraken zullen voor de sport zwaarder wegen naarmate
regering en parlement:
- aannemelijk maken dat de sporters buiten ons
land voor politieke doeleinden worden gebruikt;
- blijk geven van een
zekere politieke consistentie en de uitspraken mede gebaseerd zijn
op een
brede politieke meerderheid;
- aansluiten bij het oordeel van een
internationale politieke instantie;
- aangeven of, en zo ja welke,
middelen worden gebruikt om het politieke doel te bereiken;
- de
maatregel op zijn effectiviteit hebben getoetst;
- ernstig rekening
houden met de belangen van de sporters en met de verplichtingen die voortvloeien
uit het lidmaatschap van een internationale sportorganisatie en met eventueel
andere verplichtingen, die inmiddels zijn aangegaan. Bij Europese en
Wereldkampioenschappen, Olympische Spelen en de noodzakelijke
kwalificatiewedstrijden zullen deze verplichtingen groter zijn dan bij
vriendschappelijke wedstrijden.’
Voorts werd gewezen op de noodzaak van tijdig overleg tussen de regering en de sport en op het respecteren van de eigen verantwoordelijkheid van de desbetreffende sportorganisatie.
Zuid-Afrika
Deze uitgangspunten zijn consequent
gehanteerd in de lange periode dat er sprake was van een boycot van Zuid-Afrika
vanwege de apartheid. Na een oproep van minister De Boer adviseerde de NSF haar
leden alle vermijdbare contacten achterwege te laten met de sport uit dat land.
Een uitzondering werd gemaakt voor wedstrijden waar punten konden worden behaald
voor de wereldranglijst in enkele wereldbonden die niet tot boycot waren
overgegaan.
De NSF gaf het advies van een gedeeltelijke boycot omdat aan de
in de uitgangspunten gestelde voorwaarden werd voldaan en er goed overleg plaats
vond met de ministeries van Buitenlandse Zaken en CRM, die de uitgangspunten
respecteerden. Het was een effectieve boycot die hard aankwam in het land waar
de sport bij de blanke bevolking een belangrijke rol speelde.
Meer recente boycots
In 1995 kondigden de ministers van
Buitenlandse Zaken van de EU plotseling een boycot af tegen Nigeria in verband
met de voortdurende schending van de mensenrechten. In 1999 achtte de
Nederlandse regering sportcontacten met Joegoslavië onwenselijk. De Nederlandse
clubkampioen dameshandbal werd hiervan het slachtoffer. Beide boycots haalden
niets uit en werden spoedig weer opgeheven. Het bleek dat de eerder goed
functionerende uitgangspunten sport en politiek nog nauwelijks bekend waren.
Beijing
Het was te verwachten dat er in de aanloop naar
de Olympische Spelen in Beijing discussies zouden oplaaien over een mogelijke
boycot. De situatie vertoont overeenkomsten met die in 1980 maar er zijn
duidelijke verschillen. Nu vinden gelukkig ook regering en parlement dat de
sport zelf niet moet worden geboycot. Veel meer wordt nu door politici gesteld
dat het beter is te gaan en de mogelijkheden te benutten om onze opvattingen
naar voren te brengen. Vooral door de situatie in Tibet en de actuele schending
van de mensenrechten in China worden er wel steeds meer vraagtekens gezet bij de
aanwezigheid van politici bij opening en sluiting van de Spelen. Het gaat dan om
het gebaar zonder dat doorgaans overwogen wordt of dit wel effectief is. Een
verschil met de situatie in 1980 is ook dat er toen sprake was van een echte
sportboycot door een groot aantal landen waaronder de Verenigde Staten en
West-Duitsland. De overeenkomst is dat ook nu de sport bij het wegblijven van
politici weer in een uitzonderingspositie wordt geplaatst. Regeringsleiders en
ander politici verdringen zich om naar China te gaan om zakelijke en culturele
banden te versterken.
Het is goed om de ‘Uitgangspunten sport en politiek’ nog eens toe te passen op de huidige situatie. De conclusie is dan dat een (gedeeltelijke) boycot van de Olympische Spelen in Beijing net zo zinloos zou zijn als de boycot van de Spelen in Melbourne in 1956.
NB: Een eerdere versie van dit artikel door Wim de Heer is gepubliceerd
in het blad ‘Lichamelijke Opvoeding’, jaargang 96, nummer 4 van 28 maart 2008,
blz. 12-14. Het artikel dat op deze site staat is een geactualiseerde versie van
dat artikel.
Wim de Heer was van 1963 tot 1998
werkzaam in diverse functies bij de NSF en NOC*NSF, o.a. als algemeen secretaris
van de NSF en directeur van NOC*NSF. Vanuit die functies was hij intensief
betrokken bij diverse discussies over sportboycots. Van zijn publicaties kunnen
worden genoemd zijn proefschrift ‘Jeugdsport in Nederland’ (1969) en het
naslagwerk ‘Sportbeleidsontwikkeling 1945–2000’(2001).
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.