8 juni 2010
Opinie
Reactie op ‘Kan een organisatie als NOC*NSF twee heren dienen?’
Splitsing NOC*NSF niet wenselijk
In het interessante artikel van Jan Rijpstra over NOC*NSF blijven enkele aspecten onderbelicht die een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van de NSF en de fusie tussen NOC*NSF. Gezien de samenhang tussen top- en breedtesport en de positieve effecten van de genoemde fusie moet splitsing van NOC*NSF niet overwogen worden.
Rijpstra brengt een aantal argumenten voor de oprichting van de NSF in 1959 naar voren. Daaraan kan nog worden toegevoegd dat er behoefte bestond aan een overkoepeling van de sport in ruime zin. Ook de levensbeschouwelijke sportorganisaties, de verenigingen van leraren lichamelijke opvoeding en de Stichting Spel en Sport werden lid van de nieuwe organisatie. Volgens het charter van het IOC was dat niet mogelijk. Een ander argument voor de oprichting van de NSF was dat het NOC een actieve rol was gaan spelen op het terrein van de sportaccommodaties en daarvoor een afdeling en een Raad had opgericht. Men was van oordeel dat deze activiteiten beter pasten in een meer algemene organisatie en dat het NOC zich zou moeten concentreren op de echte Olympische taken.
Zoals Rijpstra terecht opmerkt ontplooide de NSF initiatieven op tal van terreinen en trad zij meer en meer op als de belangenbehartiger van de sport. Toch bestaat bij sommigen het idee dat de NSF er vooral was voor de breedtesport. In alle nota’s heeft de NSF echter gepleit voor een evenwichtig sportbeleid met aandacht voor zowel de top- als de algemene wedstrijdsport en de recreatiesport. De twee laatstgenoemde sportvormen werden later samengevat onder het begrip breedtesport. Bovendien werd de samenhang tussen de sportvormen beklemtoond. De aandacht van de NSF voor de topsport werd ook weerspiegeld in de organisatie van het NSF-bureau. Daarin vond men een afdeling topsport en een afdeling maatschappelijke begeleiding (topsporters) terug. Bovendien besteedde de afdeling sportgeneeskunde een aanzienlijk deel van de tijd aan topsportkeuringen en topsportbegeleiding. Voorts werden alle voorstellen voor de topsportuitkeringen uit de toto/lotto aan de sportbonden uitgewerkt op het NSF-bureau. Bestuurlijk gezien kende de NSF een Raad voor de Topsport en een Raad voor de Maatschappelijke begeleiding.
Juist doordat de NSF naast het NOC veel aandacht besteedde aan topsport ontstond er steeds meer overlapping tussen de activiteiten van beide organisaties. Ook voor de sportbonden en de topsporters was de situatie verwarrend. Voor de uitzending naar de Olympische Spelen moest men bij het NOC zijn, voor de andere topsportaangelegenheden bij de NSF. Bovendien breidde het NOC in de jaren tachtig haar activiteitenpakket uit. Zo organiseerde men de jeugd-olympische dagen en werd men actief in de steeds belangrijker wordende sportsponsoring. Voor dit laatste richtte NOC en NSF zelfs samen de stichting Sportsupport op om overlapping te vermijden. Ook met betrekking tot de belangenbehartiging ontstond de wens tot bundeling van krachten. De fusie tussen NSF en NOC in 1993 was de logische consequentie van de ontwikkelingen. In andere Europese landen vonden vergelijkbare fusies plaats.
Rijpstra heeft gelijk dat de fusie nooit formeel is geëvalueerd. Zowel de ervaringen met de nieuwe organisatie als de resultaten waren echter bijzonder positief. Na de fusie ontwikkelde NOC*NSF zich als dé koepel en belangenbehartiger van de Nederlandse sport. Dat gaf ook duidelijkheid naar de overheid en andere financiers van de sport. In financiële zin ging het de sport goed, de Nederlandse topsporters boekten vele uitstekende resultaten en de breedtesport in de verenigingen kon zich handhaven ondanks voortschrijdende individualisering en toenemende concurrentie van bijvoorbeeld fitnesscentra.
Bij dit alles moet niet uit het oog worden verloren, dat in de jaren vόόr de fusie vooral door de NSF voortdurend was gestreden voor vergroting van de invloed van de sport in de verhouding sport-overheid, voor de verhoging van het sportbudget en de verruiming van de mogelijkheden voor De Lotto. De omstandigheden voor de nieuwe organisatie waren gunstig maar deze situatie is duidelijk benut.
Los van deze feiten zijn er andere overwegingen om niet opnieuw tot een splitsing over te gaan. Ondanks de grote ontwikkeling van de topsport met haar specifieke eisen en problemen blijft de samenhang tussen top- en breedtesport een feit en is deze van belang. Top- en breedtesport beïnvloeden elkaar wederzijds. Het duidelijkst komt de samenhang naar voren bij de sportloopbaan van de talenten. Zowel bij de sportbonden als de internationale federaties bestaat er één organisatie. Om aan de specifieke eisen van vooral de topsport tegemoet te komen ontstaan terecht wel secties of afdelingen met een grote mate van zelfstandigheid.
In deze nationale en internationale structuur past heel goed een organisatie als NOC*NSF, waarbinnen afwegingen moeten worden gemaakt over doelen en middelen. Daarbij moet niet uit het oog worden verloren dat de top- en de breedtesport door hun aard een verschillende positie innemen. Topsport speelt zich vooral af op nationaal en internationaal niveau en vraagt onder andere door de uitzending naar de Olympische en Paralympische Spelen om meer directe bemoeienis. De breedtesport speelt zich voornamelijk af op lokaal niveau, waardoor de rol van een overkoepelende nationale organisatie meer op afstand is. De belangenbehartiging van de breedtesport blijft echter onverkort van grote betekenis. Daar ligt ook het antwoord op de vraag naar de verhouding tot de nieuwe organisatie die NISB en VSG samen gaan vormen. NOC*NSF houdt de taak om op te komen voor de belangen van de sportbonden en –verenigingen en impulsen te geven om hen te versterken bij het organiseren van hun sportactiviteiten.
Ook in de komende jaren is het voor de sport in Nederland van belang dat er een sterke overkoepeling van de sport blijft bestaan die verantwoordelijk is voor de overall belangenbehartiging en die de activiteiten uitvoert zowel op het terrein van de top- als de breedtesport die beter gezamenlijk kunnen worden gedaan dan door de bonden afzonderlijk.
Wim de Heer was van 1963 tot 1998 werkzaam in diverse functies bij de NSF en NOC*NSF, o.a. als algemeen secretaris van de NSF en directeur van NOC*NSF. Hij schreef o.m. zijn proefschrift ‘Jeugdsport in Nederland’ (1969) en het naslagwerk ‘Sportbeleidsontwikkeling 1945–2000’ (2001).
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.