14 april 2009
Opinie
In het artikel ‘Nederlands pleidooi voor veel groter variatie aantal Olympische sporten’ door Thomas van Zijl (Sport Knowhow XL van 9 april jl.) wordt een veel te negatief beeld van de Nederlandse betrokkenheid in het internationale sportbestuur voorgesteld. De badinerende opmerkingen van Jan Fransoo in de laatste alinea doen niet alleen onrecht aan alle Nederlanders die wel actief betrokken zijn in het internationale sportbestuur, maar zijn ook feitelijk onjuist. De door het International Office van het NOC*NSF opgestelde ‘Gids Internationale Sportbestuurders’ geeft meer dan 150 namen van Nederlanders die in besturen en commissies van internationale sportfederaties actief zijn!
Hiertoe behoren naast Jan Fransoo en Hein Verbruggen ook de twee Nederlandse IOC-leden De Prins van Oranje en Anton Geesink, de acht Nederlandse bestuursleden van Olympische internationale sportfederaties - Peter von Reth, Peter Paul Lathouwers en Jan Albers (FIH/hockey), Jan Snijders (IJF/Judo), Henri van der Aat (ISAF/zeilen), Joop Atsma (UCI/wielrennen), Jan Dijkema (ISU.schaatsen), ondergetekende Wiltfried Idema (FIBT/bobslee) - en de twee actief bij het IPC/paralympics betrokkenen: Rita van Driel en Fred Jansen.
Inmiddels wordt onder de aegis van NOC*NSF-bestuurslid Andre Bolhuis in het kader van Olympisch Plan 2028 in kaart gebracht hoe Nederland zijn positie in het internationale sportbestuur verder kan verbeteren. Grote lof verdient daarbij overigens Marije Dippel, de drijvende kracht achter het ‘herboren’ International Office van NOC*NSF.
Wiltfried Idema is Vice President of Legal Affairs and Member Executive Committee FIBT, de internationale bob- en skeletonfederatie ( www.fibt.com). Ook is hij Vice President of International Affairs BSBN, de Bob en Slee Bond Nederland (www.bsbn.nl).
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.