25 augustus 2009
Opinie
Als je altijd op twee voeten staat, kom je niet vooruit.
Op 31 maart 2009 publiceerde Sport Knowhow XL mijn visie op de verkiezing in 2010 van de nieuwe voorzitter van NOC*NSF (zie hier). Die visie is gebaseerd op het IOC Charter en op ‘over de grens kijken’. Dat is dringend nodig. Wil Nederland een kans van slagen hebben het einddoel van het Olympisch Plan 2028 te bereiken, dan moet Nederland sterk vertegenwoordigd zijn op gezaghebbende functies in het internationaal Olympische sportbestuurlijk circuit. En daarin schiet Nederland, momenteel enorm tekort. Dat Nederland zo zwak vertegenwoordigd is op gezaghebbende internationale functies heeft oorzaken.
- Het is ondenkbaar dat mensen die in Nederland ‘in een fauteuil’ naar
bestuursfuncties worden begeleid met succes internationale functies bereiken.
Daar is ervaring in keiharde open verkiezingen nodig. Waarbij iets te kiezen
valt en met geheime stemming als climax. Kandidaten voor internationale functies
dienen campagne te voeren (met beleidsplan). Dat lukt niet in een campagne van
enkele weken, zelfs al stellen je eigen bond, VWS en NOC*NSF daarvoor een enorm
bedrag beschikbaar.
- Alsof dat de doorstroom al niet voldoende
belemmert, komt daar bovenop het statutaire verbod om tegelijk bestuurslid van
NOC*NSF en van een aangesloten bond te zijn. Ook dat gaat ten koste van snelle
doorstroom van bestuurlijk talent naar internationale organisaties. Wie gaat nu
een goede sportbestuurder uit eigen bond stimuleren om bestuurslid van NOC*NSF
te worden, als de consequentie is dat hij/zij dan uit het bestuur van zijn/haar
eigen bond moet treden?
Regels en cultuur van NOC*NSF zijn dus contraproductief voor bekleding van internationale functies. Het opheffen van genoemd verbod is daarom van belang. Stemgerechtigde leden moeten zelf kunnen bepalen wie ze willen kiezen: iemand van buitenaf of iemand uit eigen kring.
Inmiddels is de benoemingsprocedure opgestart en is er een sterke benoemingsadvies-commissie benoemd. Voorzitter is NOC*NSF -bestuurder Ton Rombouts. Zonder twijfel is de invloed van de bonden (groot, klein, Olympisch en niet-Olympisch) in die benoemingsadvies-commissie toegenomen. Inmiddels heeft de commissie de leden/bonden opgeroepen kandidaten voor te dragen.
Dat klinkt allemaal positief. Vergeleken met het verleden wordt winst geboekt rond de betrokkenheid van bonden. Niettemin blijft de kans op kapitaalvernietiging groot vanwege de beide vrijwillig opgeworpen drempels. Denk aan de mogelijkheden die voor bondsbestuurders ontstaan als zij ook NOC*NSF-bestuurder zouden zijn. Met de accreditatie van NOC*NSF-bestuurder bewegen ze zich in het internationaal bestuurlijk circuit. Dat scheelt jaren in de internationale integratie omdat hun aanzien en contactmogelijkheden zijn gestegen.
Als je altijd op twee benen staat kom je niet vooruit. Als we echt een grote verbeterstap vooruit willen zetten, moeten we de koers durven wijzigen en radicalere maatregelen nemen. In één mogelijk scenario - misschien wel nachtmerriescenario - verloopt de komende Algemene Ledenvergadering als volgt: conform planning heeft de commissie Rombouts één kandidaat voorgedragen aan het bestuur. Het bestuur draagt vervolgens één (het zou in een revolutie ontaarden als dat een ander is) kandidaat voor aan de leden.
Naar verwachting zal deze kandidaat tijdens de ALV op verzoek van de scheidend voorzitter zonder stemming maar met een luid applaus worden benoemd. De nieuwe voorzitter moet zich vervolgens net als andere bestuurders die zonder hoofdelijke stemming worden gekozen, uiteraard dankbaar tonen jegens de mensen die hem voordroegen en prijst het zittend bestuur de hemel in. Het is een keuze die bestuur en bonden maken, maar het is zonde van het geld en tijd om zoveel mensen naar Papendal te laten komen voor het benoemen van de nieuwe voorzitter tijdens de Algemene Leden Vergadering, want dan is de teerling al geworpen.
In een wensscenario - misschien een fata morgana - zie ik de ALV anders verlopen. In dat scenario zie je, ondanks de intentie één kandidaat voor te dragen, toch méér dan één kandidaat. Bonden hebben namelijk nog steeds het recht af te wijken van de bestuurs-voordracht en mogen tegenkandidaten presenteren. Realistisch gezien is die kans beperkt, omdat elke ‘type’ bond zich vertegenwoordigd ziet in de benoemingsadviescommissie.
De benoemingsadviescommissie kan ook iedere afgewezen kandidaat op het hart drukken zich niet te laten ontmoedigen. Zij zouden zich door bonden kunnen laten voordragen en met een verkiezingsprogramma hun kans zelf in de hand kunnen nemen. Helaas moet ik er rekening mee houden dat geen van de afgewezen kandidaten de moed zal opbrengen de kandidatuur door te zetten. Maar zelfs dan kan mijn wensscenario nog een beetje uitkomen. In dat geval zou de nieuwe voorzitter niet bij acclamatie worden benoemd, maar via een geheime stemming die een bond kan vragen. Voor het geval het zover komt, heb ik NOC*NSF aangeboden de technische infrastructuur voor geheime stemming (de ‘stemkastjes’) van het IOC te lenen.
Bij eerdere verkiezingen heb ik bewust toegewerkt naar tegenkandidaten. Zonder dat ik ook maar enige ambitie had voorzitter te worden, heb ik mezelf één keer zelf als kandidaat gemeld, zodat de kandidaten vooraf toch rekening moesten houden met een geheime stemming. Acht jaar geleden heb ik het anders gedaan. Destijds heb ik een oproep gedaan aan enkele prominente ex-sporters om zich te kandideren. De afkorting van ‘Van, Voor en Door sporters’ sprak Erica Terpstra het meest aan. Zij kandideerde daadwerkelijk tegen de bestuurs-voordracht van Ruud Vreeman. Hoe dan ook, bij de verkiezing van 2010 zal ik daar niet op aansturen. Dit keer heb ik gebruik gemaakt van de oproep van de Benoemingsadviescommis-sie om zelf een goede kandidaat voorgedragen. Bovendien krijgen de bonden inspraak en daarmee de kandidaat die ze verdienen.
In aankomende democratieën ontzeggen mensen zich van alles, reizen kilometers ver om te kunnen stemmen (het hoogste goed van een democratie) of staan urenlang in de rij voor een stembureau. In Nederland denken wij de democratie te dienen door de vraag te stellen ‘Heeft iemand behoefte aan een geheime stemming?; zo niet, dan wensen wij onze enige kandidaat met een daverend applaus proficiat’.
Ik wil ook nog iets kwijt over het thema belangenverstrengeling en
tijdgebrek. In het verleden werden deze argumenten weleens genoemd om het
statutair weren van bondsbestuurders uit het NOC*NSF-bestuur te motiveren. Deze
argumenten zijn zeer dubieus. Ieder weet uit zijn eigen omgeving dat de mensen
die het ‘t drukst hebben, het snelst tijd vrijmaken iets op te pakken. Ten
aanzien van belangenverstrengeling moet je je afvragen of koepelorganisaties die
in het bestuur (ook) bestuurders van aangesloten ledenorganisaties mogen opnemen
verkeerd bezig zijn. De kans dat iemand voorzitter van een internationale
sportbond wordt zonder voorzitter van een nationale bond te zijn is vrijwel
uitgesloten. Sterker nog: in voorkomende gevallen is het bestuurslidmaatschap
van een lid voorwaarde voor een bestuursfunctie van de koepelorganisatie. Eén
voorbeeld: zou mijn IOC-collega Patrick Hickey beter functioneren als
EOC-voorzitter als hij niet NOC-voorzitter in Ierland zou zijn?
Dat medebestuurders en leden bonden een mening hebben die afwijkt
van de mijne, respecteer ik ten volle. Dat ik mijn eigen mening niet bijstel,
heeft te maken met het feit dat deze voorstellen niet bespreekbaar blijken te
zijn. Ze zijn voldoende keren aan de orde gesteld en ook prof. dr. Jouke de
Vries en drs. Kees Nagtegaal van de Universiteit van Leiden adviseerden in hun
onderzoek ‘Besturen als Sport’ het thema verkiezingen te agenderen. Andere
bestuurders kunnen als zij zich onvoldoende gehoord voelen uit het bestuur
stappen. Ik als IOC-vertegenwoordiger in het NOC*NSF bestuur kan dat niet.
Volgens het Olympic Charter is de IOC-vertegenwoordiger bestuurslid van NOC*NSF
en blijft dat zolang deze IOC-lid is. Daarom heb ik het recht op een
dissenting opinion bedongen (een afwijkende mening die genotuleerd
wordt). Over thema’s die ik voor de ontwikkeling van NOC*NSF van groot belang
vind, kan ik daarom altijd mijn eigen visie publiek maken. Vervolgens werk ik
loyaal mee aan genomen collectieve bestuursbesluiten.
Wij mogen de functie van de nieuwe voorzitter niet los zien van het Olympisch Plan 2028. De nieuwe voorzitter moet zich daarom realiseren dat in het bidding proces ook de hele entourage van de bidding cities meetelt. Daarbij is het niet gebruikelijk dat een IOC-lid deel uitmaakt van het bidding committee, maar wel een vliegwielfunctie heeft. Omdat in de komende jaren veel overheidsmiddelen in het OP 2028 worden gestoken, zal de nieuwe voorzitter niet alleen verantwoording schuldig zijn aan de leden van NOC*NSF, maar aan de hele samenleving. Van VWS mag verwacht worden dat zij van jaar tot jaar de bereikte effecten scherp verantwoord willen zien om ‘evidence-based’ verder te investeren in onze sportstructuur.
Anton J. Geesink is de vertegenwoordiger van het Internationaal Olympisch Comité (IOC) in Nederland. Geesink is voormalig topjudoka. Hij wist in 1961 als eerste niet-Japanner de wereldtitel te behalen in de klasse 'alle categorieën'. In 1965 deed hij dit opnieuw in Rio de Janeiro, dit keer in het zwaargewicht. In 1964 won Anton Geesink ook tijdens de Olympische spelen in Tokio goud in alle categorieën. Judo stond toen voor het eerst op het programma als demonstratiesport en tot ontzetting van het thuispubliek versloeg hij in de finale hun favoriet Akio Kaminaga. Geesink heeft een recordaantal van 21 Europese judotitels, maar werd in 1957, 1958, en 1959 ook nog Nederlands kampioen Grieks-Romeins worstelen. Hij werd tevens vier keer verkozen tot Sportman van het jaar.
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.