31 maart 2009
Opinie
Je kunt het speculeren noemen of koffiedik kijken. Of trendwatchen zoals Jan Rijpstra het noemt op Sport Knowhow XL. Hij ging daarvoor naar Zuid-Afrika met een zestig personen tellend gezelschap. De trip stond in het teken van het Olympisch Plan 2028. Rijpstra ging ervan uit dat het een geschikte gelegenheid was om in het ‘ons kent ons circuit’ onder meer een monsterverbond te sluiten over de nieuwe voorzitter van NOC*NSF. Ook Marcel Sturkenboom gaf op Sport Knowhow XL zijn visie op de nieuwe voorzitter en het nieuwe bestuursmodel. Op verzoek van Peter Hopstaken volgt mijn reactie op hun ideeën en mijn visie op de opvolgingsprocedure.
Door het NOC*NSF-bestuur moet het als een klap in het gezicht worden ervaren dat volgens Jan Rijpstra de trip naar Zuid-Afrika sterk bepalend zou worden voor de keuze van de nieuwe NOC*NSF-voorzitter. Op de eerste plaats omdat bij NOC*NSF geen uitnodiging voor bestuursleden is binnengekomen voor de door het Ministerie van VWS georganiseerde trip naar Zuid Afrika en de trip in het NOC*NSF-bestuur niet aan de orde is geweest. Op de tweede plaats gaat het NOC*NSF-bestuur er voor de volle honderd procent van uit dat het bestuur richtinggevend is voor wie de nieuwe voorzitter wordt. Het bestuur geeft zichzelf een sterk bepalende rol in de voordracht. Alle verkiezingen van nieuwe voorzitters van NOC*NSF waren tot op heden voorgekauwd in wat ik noem het ‘Alte Kameraden-netwerk’. Uitzondering daarop was Erica Terpstra, die mede op mijn verzoek tegenkandidaat werd van de toenmalige bestuurskandidaat Ruud Vreeman.
Mijn visie op de verkiezingsprocedure is gebaseerd op het IOC Charter en op ‘over de grens kijken’. Dat is dringend nodig. Wil het Olympisch Plan 2028 (en het binnenhalen van andere grote sportevenementen) een kans van slagen hebben, dan moet Nederland sterk vertegenwoordigd zijn op gezaghebbende functies in het internationaal Olympische sportbestuurlijk circuit. En daarin schiet Nederland momenteel enorm tekort. Ik heb voor een expertmeeting tijdens de Olympische Winterspelen in Turijn (2006) - en recent nog eens gedetailleerd voor bestuur en bonden - een inventarisatie gemaakt. Ik heb steeds op het belang van die vertegenwoordiging en stimulerende regelgeving gewezen.
Het is vrijwel ondenkbaar dat mensen die in Nederland ‘in een fauteuil’ naar bestuursfuncties worden begeleid met succes internationale functies bereiken. Daar is ervaring in keiharde open verkiezingen bij nodig.
Het statutaire verbod om tegelijk bestuurslid van NOC*NSF en van een aangesloten bond te zijn, werkt bovendien remmend op doorstroom van bestuurlijk talent naar internationale organisaties. Wie gaat nu een goede sportbestuurder uit eigen bond stimuleren om NOC*NSF bestuurslid te worden, als de consequentie is dat hij/zij dan uit het bondsbestuur moet treden? De regels moeten aansluiten bij de internationale olympische structuur. Dat doe je niet alleen door - zoals in het verleden is gebeurd - enkele dagen voor een internationale verkiezing waaraan een Nederlands Olympisch bestuurder meedoet, een enorm bedrag beschikbaar te stellen. Dat is dweilen met de kraan open. Let op: ik bepleit geen verplichting dat NOC*NSF-bestuurders gekozen moeten worden uit bestuursleden van sportbonden/leden, maar wil die mogelijkheid openhouden, zodat de stemgerechtigde leden zelf kunnen bepalen wie ze willen.
Als niets fundamenteel veranderd aan de verkiezingsprocedure en dat statutair verbod, kunnen we beter met onmiddellijke ingang stoppen met het bidproces 2028. Dat is dan pure kapitaalvernietiging, hoe groot het draagvlak er in Nederland ook voor is.
Marcel Sturkenboom had een directiefunctie bij NOC*NSF. Dat leidde tot conflicten. Vooral met de algemeen directeur. Sturkenboom werd de deur gewezen. Dreiging met een rechtszaak ging vooraf aan een akkoord over zijn vertrek. Nu is hij directeur bij de NeVoBo. Als directeur van NeVoBo (lid/eigenaar van NOC*NSF) mag en moet hij een mening hebben over NOC*NSF. Niet moeilijk te veronderstellen is dat een volgend conflict op de loer ligt. Zijn visie wordt bij NOC*NSF al snel gezien als oneigenlijke inmenging.
In een interview met Sport Knowhow XL spreekt Marcel Sturkenboom zijn voorkeur uit voor een betaalde voorzitter die samen met de algemeen directeur een Raad van Bestuur vormt. De overige gekozen bestuursleden functioneren dan als Raad van Toezicht. Geen nieuw geluid. Al in 2001 heb ik dit punt voorgelegd aan IOC President Jacques Rogge, omdat toenmalig NOC*NSF-voorzitter Hans Blankert van mening was dat het voorzitterschap bijna een dagtaak was (al begrijp ik nog steeds niet waarom hij later kandidaat-voorzitter Ruud Vreeman steunde, iemand met een zestigurige werkweek). Het IOC kader zet in op vrijwilligerswerk, maar Dr. Rogge is bereid mee te denken. NOC*NSF krijgt veel geld van een goede doelen organisatie (Lotto) en moet daarom het CBF-kenmerk hebben. Als ik de regelgeving van CBF goed interpreteer, is bezoldiging van bestuursleden bij het CBF zeer discutabel. Maar ook dat is misschien bespreekbaar.
Mijn inhoudelijke motieven tegen een betaalde voorzitter wegen zwaarder.
Dagelijks zwaarder vanwege actuele gebeurtenissen in onze
samenleving:
1. Zelfs extravagante salarissen en bonussen zijn geen
enkele waarborg voor kwaliteit. Sportorganisaties moeten lering trekken uit de
oorzaken van de bouwfraude en de miljardenafschrijvingen door de kredietcrisis.
Kijk naar de wanorde bij instellingen als Philadelphia. Kijk naar de torenhoge
salarissen en bonussen. Blijkbaar nietszeggend. Dat geldt ook in de situatie van
Marcel Sturkenboom aan wie de algemeen directeur kort voor zijn gedwongen
vertrek de bonus volledig had toegekend.
2. Sport wordt gedragen
door vrijwilligers. Er zijn voldoende zeer competente voorzitters te vinden in
het vrijwillig kader.
3. Vanaf 2001 (in mijn beleidsplan
‘Liever een hengel dan een vis’) stelde ik regelmatig het spanningsveld
tussen betaalde staf en vrijwillig bestuur ter discussie. Volgens mij
functioneert het huidig bestuur nu al voornamelijk als Raad van Toezicht en
staat het nu al ver af van de beleidsontwikkeling.
4. Zie het
onafhankelijk onderzoeksrapport 'Besturen als sport'
(2008) dat door de Universiteit van Leiden op mijn initiatief is
samengesteld. Daarin passeren verschillende bestuursmodellen de revue.
5. Er bestaat een keihard wetmatigheid dat professionals streven naar
vergroting van hun organisatie. Non-profitorganisaties lopen daarbij voorop. Het
leidt tot meer managementfuncties en daaronder naar meer mensen voor de
uitvoering van steeds meer activiteiten. Dat automatisme wil ik doorbreken. Het
onttrekt geld aan het sporten zelf.
Marcel Sturkenboom vraagt zich af waarom voor Zuid-Afrika gekozen is voor een trip in het teken van het Olympisch Plan 2028. Ik ga verder en vind dat bij deze trip het kind met het badwater is weggegooid door het NOC*NSF-bestuur over het hoofd te zien.
Kortom, het Olympisch Plan 2028 loopt het risico dat te weinig direct of indirect contact is met degenen die straks stembepalend zijn: voor hen die het uitbrengen van de bid bepalen (NOC*NSF-bestuursleden), voor hen die de bid moeten toekennen (IOC-leden) en voor hen die stembeïnvloedend zijn (Nederlandse internationale sportbestuurders). Die internationale bestuurders moeten ruim tevoren aangetoond hebben dat ze ook voor hun collega’s in het internationaal Olympisch circuit van toegevoegde waarde zijn (het geven en nemen principe).
Van kandidaat NOC*NSF voorzitters hoop ik dat zij:
- de competitie
willen aangaan met andere kandidaten.
- een helder verkiezingsprogramma
samenstellen en verdedigen. Na hun ambtsperiode zie je wat van hun voornemens
terecht is gekomen. Het maakt hen onafhankelijker (als ze gekozen worden op
bestuursvoordracht voelen ze zich verplicht solidair aan
hen).
- aandringen op een geheime stemming, ook als er maar één
kandidaat is.
- geen ‘dreigement-gestuurd’ voorzitter zijn.
-
rekening houden met de IOC-vertegenwoordiger als constante factor en
ervaringsdeskundige in het NOC*NSF-bestuur.
- Olympian zijn.
Anton J. Geesink is de vertegenwoordiger van het Internationaal Olympisch Comité (IOC) in Nederland. Geesink is voormalig topjudoka. Hij wist in 1961 als eerste niet-Japanner de wereldtitel te behalen in de klasse 'alle categorieën'. In 1965 deed hij dit opnieuw in Rio de Janeiro, dit keer in het zwaargewicht. In 1964 won Anton Geesink ook tijdens de Olympische spelen in Tokio goud in alle categorieën. Judo stond toen voor het eerst op het programma als demonstratiesport en tot ontzetting van het thuispubliek versloeg hij in de finale hun favoriet Akio Kaminaga. Geesink heeft een recordaantal van 21 Europese judotitels, maar werd in 1957, 1958, en 1959 ook nog Nederlands kampioen Grieks-Romeins worstelen. Hij werd tevens vier keer verkozen tot Sportman van het jaar.
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.