16 december 2008
Opinie
Op 28 november 2008 schudde het AD zijn lezers wakker met een artikel op de voorpagina over de invoering van de zogenoemde Whereabouts-verplichting in het voetbal. Het woord ‘Chaos’ in de kop en pittige uitspraken van een aantal geïnterviewden deden het ergste vermoeden. Waar ging dit over?
De feiten
Om op die vraag antwoord te geven moet ik eerst
even terug naar 2004, toen de eerste World Anti-Doping Code van kracht werd. Die
eerste Code voorzag al in de mogelijkheid om als antidopingorganisatie sporters
te verplichten hun verblijfplaats door te geven. De achterliggende gedachte was
(en is) dat het van belang is om dopingcontroles ook buiten wedstrijdverband uit
te voeren. En dat dat niet eenvoudig is als de verblijfplaats van de sporter
niet bekend is, lijkt me ook zonder nadere toelichting wel duidelijk.
In de eerste jaren na de invoering van de Code werden betrekkelijk weinig sporters en sporten met de Whereabouts-verplichting geconfronteerd. Dat was vooral een kwestie van prioriteitstelling, want uit de invoering van de Code vloeiden ook allerlei andere nieuwe taken en verplichtingen voort, en de meeste daarvan hadden voorrang boven de Whereabouts-administratie.
Vanaf 2006 werd de Whereabouts-verplichting aan een steeds groter aantal sporters opgelegd, eerst vooral door Internationale Federaties maar later ook steeds meer door Nationale Anti-Doping Organisaties. Dit had twee redenen. Enerzijds wordt doping steeds meer in kleine doseringen en volgens doordachte schema’s gebruikt, waardoor de kans op een positieve bevinding binnen wedstrijdverband steeds kleiner wordt, en daarmee het belang van controles buiten wedstrijdverband steeds groter. En anderzijds maakte een aantal spraakmakende zaken duidelijk dat sommige sporters van het ontlopen van dopingcontroles een soort nieuwe discipline maakten.
De Code bepaalt dat allereerst de nationale en internationale top aan de Testing Pool moet worden toegevoegd, eventueel aangevuld met andere sporters als daar aanleiding voor is (en lidmaatschap van die Testing Pool leidt tot de Whereabouts-verplichting). De definiëring van de ‘nationale en internationale top’, wordt tot op zekere hoogte aan elke antidopingorganisatie overgelaten, al is er wel steeds meer sprake van internationale consensus op dit punt. In Nederland werd in de loop van 2008 de Whereabouts-verplichting stap voor stap uitgebreid tot in totaal zo’n achthonderd topsporters. Dit zijn in principe alle sporters die van NOC*NSF een zogenoemde topsportstatus hebben gekregen (A-sporters, B-sporters en High Potentials), aangevuld met een groep sporters die op basis van criteria van de Dopingautoriteit zijn geselecteerd. Het betreft sporters van zo’n veertig verschillende topsportbonden, zowel teamsporten als individuele sporten, wat overigens ook een soort afspiegeling van de brede Nederlandse sportcultuur is. Alleen sporten waarin Nederland momenteel internationaal op een onvoldoende hoog niveau presteert (en die dus ook geen statushouders kennen) en sporten waarbij dopingcontroles buiten wedstrijdverband weinig zin hebben (zoals de denksporten) kennen geen sporters met de Whereabouts-verplichting.
Voetballers vormen tot nu toe de enige uitzondering op deze regels, omdat de FIFA als enige (Olympische) Internationale Federatie een uitzonderingspositie had weten te bedingen bij de World Anti-Doping Agency (WADA). Die uitzonderingspositie komt erop neer dat voetballers wel tijdens trainingen en wedstrijden gecontroleerd mochten worden, maar niet daarbuiten. En als voetballers buiten trainingen en wedstrijden niet gecontroleerd kunnen worden, heeft het bijhouden van hun verblijfplaatsen uiteraard weinig zin.
Vanaf 1 januari 2009 komt een einde aan deze situatie: met de invoering van de nieuwe, herziene Code gaat deze ook onverkort en mondiaal voor voetballers gelden, waarmee een einde komt aan de uitzonderingspositie die voor voetballers gecreëerd was.
In Nederland zal het overigens nog een aantal maanden duren voordat die voetballers een brief op hun deurmat zullen vinden, want daarvoor moet de KNVB eerst een nieuw (op de nieuwe Code gebaseerd) Dopingreglement vaststellen en de jaarlijkse ledenvergadering vindt pas kort voor de zomer plaats. Tot dat moment geldt het oude Dopingreglement, en wordt de huidige controlepraktijk gewoon voortgezet. En uiteraard zullen te zijner tijd, net als in alle andere sporten, alleen de voetballers die van NOC*NSF een A-, B- of High Potential-status gekregen hebben met de verplichting geconfronteerd worden. Uitgaande van het huidige beleid van NOC*NSF zijn dat leden van de vertegenwoordigende teams, mogelijk nog eens aangevuld met een of enkele individuele voetballers als daar aanleiding voor is. Om een indruk te geven: momentaal hebben vierentwintig mannen, vijfentwintig vrouwen en veertien deelnemers/deelneemsters aan paralympisch voetbal zo’n topsportstatus.
De meningen
Het is opvallend dat een
verplichting die al bij zo’n veertig sportbonden bestaat opeens voor nieuwe
beroering zorgt als er een einde komt aan de uitzonderingspositie van
voetballers op dit punt. De sterke vakbond en de publicitaire kracht van het
voetbal zijn hier zeker factoren van belang. Maar voor zo’n uitzonderingpositie
is geen enkel inhoudelijk argument aan te voeren. Het veelgehoorde
argument ‘dat voetballers niet gebruiken’ en ‘dat je in het voetbal niets aan
doping hebt’ berust in ieder geval op drijfzand. Mondiaal gezien kende de
voetbalsport in 2007 een percentage positieve bevindingen van 1,23%, een positie
tussen judo (1,20%) en atletiek (1,30%) in, en niemand weet wat er met dit
percentage gebeurt als ook buiten trainings- en wedstrijdverband gecontroleerd
mag worden. Voetbal is daarnaast bij uitstek een sport waar zeer grote (ook
financiële) belangen op het spel staan. En ik zou zelfs willen aanvoeren dat het
voldoen aan een administratieve verplichting zoals de whereabouts-verplichting
minder problematisch moet zijn in het voetbal (met een sterke professionele
infrastructuur) dan in sporten waar de sporter alles zelf moet doen.
Met dit alles wil ik overigens absoluut niet verhullen dat de whereabouts-verplichting als zodanig een belasting voor de sporter is. Sporters zitten er uiteraard niet om te springen, en leuk zal het nooit worden. Wel proberen we uiteraard de sporter zoveel mogelijk te ondersteunen in de uitvoering van de verplichting, en de invoering van het zogenoemde ‘one hour time slot’ (per 1 januari 2009) is vooral onder druk van de sporters tot stand gekomen. Maar geen twijfel: het is en blijft een verplichting waar we de populariteitsprijs niet mee gaan winnen.
Het is dan ook niet een verplichting die ‘zomaar’ wordt opgelegd. De belasting die voortvloeit uit de verplichting moet in redelijke verhouding staan tot het belang dat ermee gediend wordt, een schone en eerlijke sport. Om die reden zal de groep sporters die ermee geconfronteerd wordt altijd relatief klein zijn, en ik denk dat de omvang van die groep in de komende jaren eerder een beetje zal slinken dan dat ze zal groeien.
Sommige tegenstanders gaan overigens nog een stuk verder, en zijn van mening dat het opleggen van de whereabouts-verplichting een schending van fundamentele rechten van de sporters betekent. Het recht op een ongestoord privéleven, en zelfs het recht op een ongestoorde vakantie worden in stelling gebracht. Het zal duidelijk zijn dat ik van mening ben dat het huidige beleid proportioneel is, en daarmee gerechtvaardigd (anders zou ik er geen uitvoering aan kunnen geven). Maar ieder heeft uiteraard recht op een andere mening, en het zal me niet verbazen als de discussie uiteindelijk voor de rechter wordt voortgezet en afgerond. Waarbij ik in ieder geval durf te voorspellen dat die rechter in zijn uitspraak voor voetballers geen andere maatstaf zal nemen dan voor andere sporters.
Herman Ram is vanaf 1 mei 2006 directeur van de Stichting Anti-Doping Autoriteit Nederland. Daarvoor was hij ruim zes jaar directeur van de Nederlandse Ski Vereniging. Eerder was hij directeur van de badmintonbond (van 1994 tot 2000) en de schaakbond (van 1992 tot 1994).
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.