7 december 2010
Opinie
Met zijn betoog over het nut van innovaties voor de sport op de Dag van het Sportonderzoek heeft Ruud Stokvis heel wat tongen losgemaakt. Dat is mooi en terecht. Want het betoog nodigt uit tot aanscherping, verdieping en weerwoord.
Ruud Stokvis vroeg zich tijdens zijn lezing op de Dag van het Sportonderzoek en later in een column op Sport Knowhow XL af of innovaties sportief kunnen zijn. Hij komt - met de econoom Schumpeter in zijn achterzak - tot de conclusie dat innovatie onsportief is. Sport is in zijn ogen een plek waar gelijken met elkaar moeten strijden en waarin innovatie leidt tot ongewenste ongelijkheid: ‘We willen wedstrijden zien waar het persoonlijke en teamkunnen van deelnemende partijen getest wordt en waarbij de tegenstanders zo weinig mogelijk van elkaar verschillen’. Innovatie zou leiden tot ongelijke of zelfs oneerlijke concurrentie. Dit zou op zijn beurt ongewenst zijn en dus kunnen rekenen op een afnemende belangstelling. Het is interessant om deze verschillende verbanden nader te bekijken.
Leidt innovatie tot meer ongelijkheid tussen de kansen van sporters op succes, is een eerste, interessante vraag. Voor een antwoord daarop is helaas nog weinig empirisch bewijs. Feit is wel dat in de sport talent oneerlijk is gedistribueerd. Dit maakt dat er altijd sporters (of teams) zullen zijn die kleinere kansen op winst hebben dan andere. Bij deze deelnemers is er dus een prikkel om op een andere manier zijn kansen te vergroten. Een innovatie zal voor de topsporter (hetzij als innovator, hetzij als eerste adaptor – dat maakt voor de discussie niet zoveel uit) dus gericht zijn op het behalen van een voordeel op de concurrentie. Deze prikkel zal bij een ‘follower’ groter zijn dan bij een ‘leader’, omdat de potentiële additionele opbrengst (zowel sportief als economisch) van de eerstgenoemde groter is dan van de laatste. Hierdoor kunnen sportprestaties nivelleren.
Michael Lewis laat in ‘Moneyball’ zien dat het niet toevallig is dat in baseball juist een ‘kleine’ club als de Oakland A’s een innovatieve manier van het waarderen van spelers ontwikkelde. Wielrennen is een ander voorbeeld waarin de verschillen in de top vanaf de jaren vijftig steeds kleiner zijn geworden. Innovaties op het gebied van fietsmaterialen, trainingsvormen, tactieken en verzorgingsproducten hebben hier onmiskenbaar aan bijgedragen. Kortom: door innovaties kunnen wedstrijden dus wel degelijk spannender en interessanter worden.
Maar levert innovatie een oneerlijke (‘onsportieve’) situatie op in de sport? Dit is een subjectief onderwerp, want: wat is oneerlijk? De vraag is niet eenduidig te beantwoorden. Stokvis wijst hier op het probleem van exclusiviteit voor de innovator. Innovaties hebben vooral zin als de producent ervan een monopolie mag bezitten. Dit is in tegenspraak met de regels van de meeste internationale sportbonden, waarin staat er op een eerlijke manier met elkaar geconcurreerd moet worden, dus juist zonder exclusiviteit. Ik denk dat, met Stokvis, vrijwel iedereen deze regels zal onderschrijven. Maar niet alle innovaties schenden deze regels.
Met Stokvis ben ik het eens als hij zegt dat de klapschaats verboden had moeten worden toen deze niet voor iedereen beschikbaar was. Non-exclusiviteit zou naar mijn mening altijd moeten worden opgenomen in het reglement van een sport. Maar de vraag is ook of de invoering van zo’n innovatie nog steeds verboden moeten worden als deze voor iedereen vrij verkrijgbaar is, zeker als het tot spannender sport leidt. Greg Lemond, die met een triatlonstuur en druppelhelm voor de spannendste tourontknoping ooit zorgde, het zal Stokvis een gruwel zijn geweest. Veel sportliefhebbers denken daar heel anders over en het duel Fignon-Lemond heeft - mede dankzij de innovaties - zeker bijgedragen aan de internationale bekendheid van de wielersport. Zolang de introductie van een innovatie plaatsvindt binnen de regels van de sport is het moeilijk om de daarmee mogelijk gepaard gaande herverdeling van kansen op winst oneerlijk te noemen. De regels vormen de voorwaarden waarbinnen de competitie – in al zijn vormen plaatsvindt. Maar Stokvis lijkt innovatie per definitie oneerlijk te vinden. Hem rest een verbod op innovaties in het reglement van de sporten in te voeren.
Het antwoord op de vraag of een innovatie nu leidt tot ongelijke of oneerlijke sport blijft dus discutabel en het antwoord daarop verschilt misschien van geval tot geval. Maar zelfs als het wel het geval zou zijn, dan nog is het maar de vraag of dit ook ongewenst is. Stokvis gaat voor het beantwoorden van deze vraag - anders dan Heining, De Jong en Van Bladel & Van Hulst - uit van het perspectief van de supporter. Heining en De Jong reageren voornamelijk vanuit het oogpunt van de topsporter, voor wie innovaties inderdaad wel degelijk erg zinvol en wenselijk kunnen zijn. Van Bladel & Van Hulst geven aan dat innovatie ook vanuit allerlei commerciële, wetenschappelijke en maatschappelijke invalshoeken ‘winwinwin’-situaties oplevert. Stokvis ontkent dit niet (integendeel), maar neemt dus heel specifiek de vraagkant van sport (de supporters) als uitgangspunt.
Supporters (‘we’) zouden volgens Stokvis het liefst een zo homogene verdeling van de kansen zien tussen deelnemers aan een sportevenement. Traditionele economische theorieën geven hem hierin gelijk. De theorie van ‘competitive balance’ zegt dat hoe onzeker de uitkomst van een wedstrijd is, des te meer mensen geïnteresseerd zijn. Vaak wordt ook deze onzekerheid zelfs aangeduid als belangrijkste verklarende variabele voor de vraag naar een sport. Als dit klopt dan betekent dit, dat als innovatie leidt tot evenwichtiger verdeling van de succeskansen van topsporters, de belangstelling voor een sport toeneemt. Wat dat betreft is het voorbeeld van de TopBob dat Van Bladel & Van Hulst noemen treffend. Door innovaties werd het niveauverschil in de top kleiner en nam de belangstelling voor het bobsleeën, in ieder geval in Nederland, toe. Kortom, ‘we’ zitten wel te wachten op innovaties als ze de sport spannender maken.
Hier past echter een voorbehoud. Voor het positieve effect van onzekere uitkomsten op de belangstelling van het publiek is namelijk (nog) relatief weinig empirisch bewijs (NOOT 1). De meeste studies laten geen significant verband zien tussen de gelijkheid in kansen van deelnemers en toeschouwersaantallen. Er zijn zelfs onderzoeken die uitwijzen dat er bij sommige sporten behoefte is bij supporters aan enige mate van ongelijkheid in die kansen. Dit zien we terug in bijvoorbeeld de populariteit van voetbal. In veel Europese voetbalcompetities is sprake van zeer ongelijke verdeling van de kansen tussen de deelnemende ploegen op de nationale titel. Toch is voetbal in die landen verreweg de meest populaire sport. Een bepaalde mate van ongelijkheid in een sport kan zelfs een aantrekkende kracht zijn voor supporters. Wel is er een duidelijke ondergrens in deze ongelijkheid, maar een competitie met exact gelijke kansen voor alle deelnemers (een loterij) is ook niet het optimum voor de betrokkenheid van het publiek. Szymanski (NOOT 2) heeft laten zien dat er ook in de sport theoretisch bewijs is voor de zogenaamde ‘paradox of power’, waarbij het voor de populariteit van een sport beter kan zijn dat er het ene team vaker wint dan een ander.
Een verklaring hiervoor zou kunnen zijn dat supporters de behoefte hebben om zich met een deelnemer te identificeren en bij een egalitair deelnemersveld is dat lastiger. Ze zullen het vervolgens toejuichen als ‘hun’ sporter of team zijn kansen op succes vergroot en innovaties kunnen hier bij helpen. Sterker nog, innovaties kunnen, zoals we hiervoor hebben gezien, net zo goed helpen om competitief niveau te hogen dan om onderlinge gelijkheid te verkleinen. Innovaties kunnen dus via verschillende wegen de betrokkenheid van supporters bij een sport vergroten.
Tot slot: Stokvis verwerpt nieuwe sporten die zijn ontstaan rondom commerciële producten. Deze hebben in zijn ogen geen sportieve betekenis. Veel van deze sporten kunnen echter rekenen op grote publieke belangstelling, zowel als participatiesport als kijksport. Zij hebben daarmee wel degelijk een duidelijke maatschappelijke betekenis en kunnen bovendien – in ieder geval voor een deel van de bevolking – als spannender en interessanter worden ervaren dan andere sporten. Andersoortige innovaties als lichtere tennisrackets, goedkopere golfclubs en kunstijsbanen kunnen via grotere participatie leiden tot zowel grotere belangstelling als meer competitie op het topniveau. Ook deze innovaties lijken me bij te dragen aan waarde van sport.
Stokvis kijkt met de blik van Schumpeter naar innovaties in de sport. Dat is een aardige en zinnige exercitie. In plaats van Schumpeter op de letter te volgen en vervolgens het nut van innovaties in de sport te betwijfelen, is het volgens mij interessanter om te onderzoeken wat de waarde van Schumpeter op het sportveld precies is. Innovatie, in al haar vormen, kan wel degelijk bijdragen aan sport die spannender is en op grotere publieke belangstelling mag rekenen. Wat ‘we’ daar van vinden, mag een ieder voor zichzelf uitmaken.
Noten
1. Voor een overzicht, zie Borland en MacDonald (2003): ‘Demand for Sport’, Oxford Review of Economic Policy
2. Szymanski (2006); ‘Competitive balance in sports leagues and the paradox of power’, IASE Working Paper Series, Paper No. 0618
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.