15 november 2022
Opinie
door: Peter van Tarel
In de sport wordt bij nieuwe projecten, programma’s en budgetten direct een uitgebreide structuur opgetuigd met diverse betrokken partijen. Voor de uitvoering wordt steevast - helaas tevergeefs - vertrouwd op vrijwilligers bij sportclubs, met verspilling van tijd en geld en een beperkte impact als resultaat. Het is daarom de hoogste tijd voor een oplossing die even simpel als vanzelfsprekend is.
Ik ben betrokken bij verschillende landelijke groepen die zich bezighouden met het aan het sporten krijgen van verschillende doelgroepen. Het is fantastisch om te zien hoeveel aandacht er tegenwoordig is voor sport als doel en als middel. Hoewel de budgetten hiervoor nog relatief klein zijn, zeker in vergelijking tot andere domeinen, groeien we langzaam toe naar een overheidsbesef dat sport misschien toch wel meer is dan competitie.
Maar ik maak me ook grote zorgen. Vooral als het gaat om de besteding van de middelen en het effect ervan. In de sportsector (en daarbuiten) is een reflex ontstaan om bij nieuwe projecten, programma’s en budgetten direct een structuur op te bouwen van coördinatoren, verbinders, adviseurs en toeleiders. Vanuit een theoretische benadering worden overlegstructuren opgezet, systemen ingericht voor monitoring en communicatiemiddelen ontwikkeld. Allemaal erop gericht om anderen te activeren en ‘borging‘ te verzekeren. Maar borging blijkt veelal de bottleneck, omdat er voor de uitvoering continu wordt vertrouwd op de vrijwilligheid bij sportclubs. Met een verspilling van tijd en geld en een beperkte impact als resultaat.
Allemaal goede bedoelingen
Grote aantallen sportprofessionals zijn betrokken in vele werkgroepen, stuurgroepen, kernteams etc. Er staat inmiddels een enorme overlegstructuur waarin bonden, NOC*NSF en andere partijen met elkaar proberen om de sportsector voor te bereiden op en in te richten voor een bestendige toekomst. Begrijp me niet verkeerd; het gegeven dat er zoveel nauwe samenwerking is tussen al deze organisaties is een enorme vooruitgang ten opzichte van een aantal jaren geleden. De kennisuitwisseling, discussies en gezamenlijke ontwikkeltrajecten leveren ook veel op. Maar hoeveel programma’s we ook optuigen met alle goede bedoelingen, het struikelblok is zoals gezegd altijd de lokale uitvoering.
We dichten een groeiende rol toe aan clubs die nauwelijks in staat zijn om hier opvolging aan te geven. Het probleem: een schreeuwend tekort aan beschikbare ‘doeners’. Mensen die voor de groep staan, die tijd hebben om uitvoering te geven aan plannen en die meedenken en -werken aan initiatieven vanuit de praktijk. Daardoor zien we dat verenigingen maar moeilijk in staat zijn om invulling te geven aan hun eigen en maatschappelijke ambities. Ze willen wel, maar kunnen niet. Dat begint al bij iets simpels: de club kan niemand afvaardigen naar een overleg met zorginstellingen of de gemeente, omdat dit overdag plaatsvindt en de clubbestuurder aan het werk is. Maar het is ook terug te zien in het feit dat in veel programma’s de clubs niet in staat zijn om overdag extra aanbod te verzorgen, terwijl we dat wel van ze vragen.
Sport rond school
Ik zal enkele voorbeelden geven van programma’s die enorm veel potentie hebben, maar waarbij de reflex om te structureren mogelijk leidt tot een beperkte impact. In het programma School & Omgeving (voorheen de Rijke Schooldag) proberen we de sport een plek te geven in aanvullende activiteiten rond school. Daarvoor moeten er lokale coördinatoren komen die onder andere sportclubs en scholen aan elkaar verbinden. Oftewel: een betaalde kracht legt de verbinding in de hoop dat de club tegen een kleine vergoeding een vrijwilliger beschikbaar heeft voor de belangrijkste taak: op een veilige, pedagogisch verantwoorde en enthousiaste manier kinderen sportles geven. Toeval bepaalt vervolgens of de club in de buurt dit kan, omdat we (nog) niet echt investeren in mensen die beschikbaar kunnen zijn.
Een ander voorbeeld: het project Sport & Zorg probeert mensen, die door allerlei omstandigheden moeite hebben om te sporten, toch aan het sporten te krijgen. Er lopen nu in verschillende steden pilots. Dit houdt concreet in dat zorgprofessionals mensen identificeren en toeleiden naar sportclubs. De vraag is dan: zijn jullie als club in staat om deze mensen iets te bieden? Het antwoord is niet erg verrassend: de meeste clubs kunnen dat niet vanwege een tekort aan expertise of beschikbaarheid. Het gevolg is dat vooral sportprofessionals van fitnesscentra, fysio’s en buurtsportcoaches het aanbod organiseren op (meestal) tijdelijke basis. Natuurlijk is het fijn dat er dan aanbod is, maar een koppeling met een club is er niet of nauwelijks.
Het is de vraag of we die koppeling met sportclubs wel mógen nastreven als we niet ook inzetten op versterking van die clubs in de uitvoering. We hebben hierdoor namelijk de laatste jaren al aardig wat initiatieven zien sneuvelen. Er wordt een sportgroep opgezet onder leiding van een professional van de gemeente of zorginstelling. Na een bepaalde periode stopt de tijdelijke subsidie en moet er ‘borging’ gevonden worden. Oftewel: de groep moet integreren bij één of meerdere sportclubs. Er ontstaan vervolgens allerlei drempels: fysieke afstand, financiële afstand, sociale afstand.
'Doeners' zijn nodig
Een paar deelnemers lukt het om de weg te vinden en een nieuwe sociale omgeving in de sport op te bouwen. De rest haakt af. Dit gebeurt voornamelijk bij projecten die zich richten op de lage SES-wijken, waarmee geprobeerd wordt om de niet-sporter structureel aan het sporten te krijgen. Wijken waarin sportclubs ondervertegenwoordigd zijn. Wijken waarin mensen wonen die een sterke onderlinge sociale binding ervaren, maar fysiek, financieel of sociaal moeilijk in staat zijn om dit buiten de wijk op te bouwen. Deze mensen moeten niet naar de sportclub toe, de sportclub moet naar hen toe. En daarvoor is capaciteit, kwaliteit en continuïteit nodig. Oftewel: opgeleide en betaalde ‘doeners’ die op professionele basis bij zowel de club als daarbuiten actief zijn.
Uit het nog niet gepubliceerde maar wel al deels via sneak previews verspreide zogeheten '80%-onderzoek' van NOC*NSF blijkt dat de niet-sporter, vaak oververtegenwoordigd in lage SES-wijken, nauwelijks de stap zet naar de club buiten de wijk. Om allerlei redenen, waaronder die punten die ik eerder al noemde. Een voorbeeld is hockeyvereniging Feijenoord in Rotterdam, die het grote aantal leden uit de wijk flink zag slinken toen de club noodgedwongen een nieuwe, overigens prachtige accommodatie moest betrekken buiten de wijk. Veel mensen uit de oorspronkelijke doelgroep haakten af door de fysieke verplaatsing. De club moet dus juist de wijk in. Dat maakt het sportaanbod dichtbij, herkenbaar en bestaande lokale sociale structuren worden behouden of versterkt. Maar dit alles vraagt van de club andere expertise, een ander verdienmodel (in plaats van traditioneel lidmaatschap) en een andere vorm van capaciteit. Het vraagt van partners zoals gemeenten en zorginstellingen een andere manier van denken en investeren: geen sportaccommodaties verplaatsen naar de rand van de stad, maar juist in de wijk. Om nog maar te zwijgen van sportaccommodaties zonder horeca, waardoor de sociale ontmoeting wel heel erg beperkt wordt. Dan kun je van de vereniging niet meer verwachten dan het organiseren van de sportactiviteit zelf.
Geen gewenst effect
Wat het nog ingewikkelder maakt, is het gegeven dat de budgetten al sinds jaar en dag versnipperd zijn en we ook nu nog zien dat het niet lukt om sterke combinaties te maken. Denk aan het Sportakkoord, Preventieakkoord, Beweegalliantie, Gezonde Generatie, School en Omgeving, et cetera. Alle projecten zijn erop gericht om mensen aan het sporten te krijgen. Alle projecten gebruiken hun budgetten om te faciliteren in structuren, tools en communicatie. Het Sportakkoord faciliteert bovendien in services voor onder meer sportaanbieders. Iets meer dan 42% van deze services is tot nu toe ingezet op de doelgroep Trainers (de ‘doeners’). De andere 58% van de ingezette services richtte zich op advies, inspiratie en procesbegeleiding. Ondersteuning die we sinds de jaren negentig al via talloze programma’s hebben geboden en die nog niet tot het gewenste effect hebben geleid. Begeleiding is zeker nodig, maar niet de oplossing.
De tendens voor het vervolg van het Sportakkoord is om minder sportspecifieke services aan te bieden, zoals laagdrempelige trainerscursussen, en meer te focussen op algemene, sportgenerieke begeleiding en advisering. Uiteraard is kennisdeling belangrijk, maar voor echte impact is meer nodig. Ik zou daarom juist ervoor pleiten om méér sportspecifieke services, zoals de niveau 3-opleidingen, toe te voegen aan de services om de sporter meer kwaliteit en continuïteit te bieden. Want iemand zal straks namens de vereniging zelfstandig voor de groep moeten kunnen staan vanuit School & Omgeving, Sport & Zorg en andere programma’s. Daarvoor heb je niet alleen generalisten nodig, maar ook echte trainers. En ja, het opleiden van sporttechnische trainers is een kerntaak van de bonden. Maar als je meer trainers verwacht die ook nog een bijdrage kunnen leveren aan de maatschappelijke programma’s, moet je ook meer doen om ze op te leiden. Dat kunnen bonden niet alleen.
De belangrijkste regeling die structureel kan zorgen voor veel meer en beter aanbod rond scholen en clubs, is de Combinatiefunctionaris-regeling (buurtsportcoaches). Bij de introductie ervan werden veel uitvoerders aangesteld die in twee sectoren, zoals onderwijs en sport, actief waren. Inmiddels zien we een verschuiving van de inzet van Buursportcoaches van uitvoering naar coördinatie. Uit de Websheet ‘Stand van zaken Buurtsportcoaches’ van het Mulier Instituut (2021) blijkt dat 76% van de buurtsportcoaches zichzelf ziet als generalist of gedeeltelijk generalist. Dat zijn functionarissen die zich richten op algemene taken als coördineren en verbinden. Deze focus op algemene taken leidt tot meer coördinatoren en verbinders (en daarmee tot hogere inschaling en kosten), maar de vraag is of het ook tot meer impact leidt: meer mensen structureel aan het sporten krijgen? Cijfers daarover zijn nauwelijks beschikbaar, aangezien nog niet de helft van de gemeenten gegevens bijhoudt over doorstroming naar structureel aanbod. Ureninzet, deelnemers aan losse activiteiten en de hoeveelheid activiteiten zijn leidend als het gaat over resultaatmeting. Maar zijn dat de juiste indicatoren die inzicht geven in het resultaat dat we nastreven?
Natuurlijk, er wordt ontzettend hard gewerkt en veel gedaan. Maar als we blijven focussen op verbinden, coördineren, adviseren en toeleiden en de reflex tot het inrichten van complexe structuren en systemen niet ombuigen naar meer pragmatiek, zullen we over tien jaar geen significante resultaten boeken op het doel dat de meeste programma’s uiteindelijk nastreven: zoveel mogelijk mensen structureel laten sporten als onderdeel van een gezonde leefstijl.
De oplossing
Het is tijd voor een oplossing die even simpel als voordehand liggend is: stel professionele ‘doeners’ aan die tijd, kwaliteit en continuïteit bieden. Zij krijgen bijvoorbeeld de opdracht om het aanbod te organiseren en uit te voeren rond de school. Tegelijkertijd begeleiden ze kader binnen clubs en zetten ze nieuw aanbod in de wijk op. Als professional werken ze vanuit de fundamenten uit de visie op jeugdsport, de pedagogische visie en het veilig sportklimaat. Hiermee creëren ze directe impact voor de doelgroep, versterken ze sportclubs en ontstaat er meer arbeidsperspectief in de sportsector. En minstens zo belangrijk: goede en innovatieve doeners creëren een vraag voor beleidsbepalers op basis van directe behoefte en realiteit, met wederom direct resultaat als gevolg.
Sommigen zijn de roep om professionals inmiddels misschien wel beu. Dat komt volgens mij enerzijds door de terminologie. Het woord professionalisering is in een paar jaar tijd met verschillende betekenissen gebruikt en daarmee in mijn ogen behoorlijk gedevalueerd. Ik ga uit van de definitie van Van Dale: 'Een professional is iemand die een tak van sport als beroep uitoefent'. Oftewel: opgeleide, betaalde mensen met arbeidsperspectief. Alle andere typeringen zijn niet onjuist, maar werken wel verwarrend en leiden af van de werkelijke discussie. Ik praat dus over betaalde krachten die vooral uitvoeren, zowel binnen als buiten de club.
Hybride vorm van professionalisering
Een andere reden waarom niet iedereen enthousiast wordt van professionalisering binnen de sport is het argument dat clubs niet in staat zijn om professionals aan te stellen. Natuurlijk is dat niet makkelijk voor een organisatie die al sinds jaar en dag drijft op vrijwilligers, nauwelijks expertise heeft op het gebied van werkgeverschap en een verdienmodel hanteert dat geen rekening houdt met het betalen van mensen. Met de juiste begeleiding en ondersteuning blijkt dit echter wel haalbaar voor clubs. Een praktijkvoorbeeld is de ruim dertig volleybalclubs die deze stap inmiddels hebben gezet, maar ook tientallen andere sportverenigingen die inmiddels een hybride vorm van professionalisering hebben gevonden.
Ik word ook regelmatig geconfronteerd door collega’s in de sportsector die aangeven dat we vooral trots moeten zijn op onze unieke vrijwilligerscultuur en onze focus juist moeten leggen op het inspireren, informeren en begeleiden van die duizenden mensen die hun vrije tijd aan taken in de sportclub gunnen. Het menselijk kapitaal bestaande uit al die vrijwilligers is onbetaalbaar. Daar ben ik het deels mee eens. Ja, we moeten al die vrijwilligers koesteren, want het is niet alleen een uniek systeem, maar zorgt ook voor onderlinge verbondenheid, persoonlijke ontwikkeling en is bovendien onvervangbaar door professionals. Maar nee, de focus moet wat mij betreft nu niet op het adviseren en inspireren van deze groep komen te liggen. Dat hebben we de afgelopen decennia gedaan en heeft ons gebracht waar we nu staan. Als we een verschil willen maken dan moeten we die vrijwilligers juist ontlasten, begeleiden en ondersteunen vanaf de werkvloer. En dat kunnen goede professionals als geen ander, omdat ze tijd en kennis hebben. In het onderzoeksrapport ‘Professionals bij Sportclubs (deel 2)’ van NOC*NSF is gekeken naar bestaande situaties waarin professionals actief zijn bij sportclubs. Constatering nummer 5 is: 'De professionals zorgen voor meer resultaten en impact'. En dat gaat niet ten koste van vrijwilligers.
De volleybalverenigingen die via de, inmiddels welbekende, regeling van de volleybalbond zijn gestart met professionalisering, hebben eindelijk tijd en capaciteit om hun ambities meer invulling te geven. Bovendien heeft de sportbrede Clubkader Coach-regeling duidelijk aangetoond dat vrijwillige trainers zich beter ondersteund voelen en hun taak leuker vinden als ze begeleiding krijgen. Daardoor blijven ze langer actief en worden ze dus uiteindelijk ook beter. De tijdelijkheid van deze regeling is wellicht de enige drempel naar succes op lange termijn, maar ook daar is een oplossing voor als er combinaties gemaakt worden tussen doeners die structureel zowel rond school als bij de vereniging aan de slag gaan.
Professionalisering kost geld
Dan is er nog het argument dat sport vooral betaalbaar moet zijn voor iedereen. Professionalisering zou dat in de weg staan, omdat de kosten voor lidmaatschappen daarvoor omhoog moeten. Mijn vraag is dan: waarom zouden we wel investeren in professionals ten behoeve van preventie in de zorg, welzijn en onderwijs, maar niet in de sport? Oftewel, waarom zouden we niet vanuit overheidswege investeren in professionals in de sport? Mensen die direct bijdragen aan de maatschappelijke doelstellingen vanuit verschillende domeinen en misschien wel meer (sociale) impact creëren dan diverse programma’s in andere domeinen? Het laag houden van de kosten is niet de oplossing, het creëren van arbeidsperspectief door onder andere mee te investeren vanuit overheidsbudgetten wel.
Is het niet naïef om te stellen dat een focus op doeners gaat leiden tot structureel resultaat? Er is toch altijd een structuur of netwerk nodig om hen te faciliteren, financiering te regelen en borging te bewerkstelligen? Uiteraard stel ik het nogal zwart-wit. Ik stel een benadering voor vanuit de uitvoering, die volgens mij kan leiden tot veel minder complexe structuren en meer efficiëntie. Voor het programma School & Omgeving kan dat bijvoorbeeld op de volgende manier: stel op de 130 startlocaties één professional (Programmeur) aan die de programmering regelt (kosten acht miljoen euro). Deze persoon staat in contact met de sportclubs, welzijnsorganisatie en buurtsportcoaches in de wijk en stemt vraag en aanbod op elkaar af. Hij heeft bovendien contact met de lokale sportraad annex het lokale sportnetwerk waardoor doelstellingen op elkaar aansluiten. Dan blijft er nog 26 miljoen euro over om ‘doeners’ aan te stellen, eventueel gecombineerd met de Buurtsportcoach-regeling. Zo wordt School & Omgeving direct een geïntegreerd onderdeel van (de uitvoering van) het lokale Sport-/Preventieakkoord. Simpel, concreet en efficiënt.
Mijn oproep is eenvoudig: laten we voortaan ieder programma beginnen met drie vragen: welke impact willen we bereiken, hoe ziet dat er in de praktijk uit en wie gaat het uitvoeren? Pas als daar hele concrete antwoorden op zijn, is de volgende vraag: hoe kunnen we die uitvoerder faciliteren? Daarmee zetten we de impact en uitvoering voorop en volgt de invulling van de structuur pas op het eind. Houd het simpel, vertrouw op de kwaliteit en de impact van ‘doeners’ en vraag je af hoe je hen kan helpen. Dit zou zomaar eens het verschil kunnen maken op weg naar een Gezonde Generatie in 2040.
Peter van Tarel is sinds 1999 werkzaam bij de Nederlandse Volleybal Bond, momenteel als Manager Sportontwikkeling. Hij heeft dagelijks te maken met ontwikkelingen binnen de sport en met de diverse sportstimuleringsregelingen. Daarnaast is hij lid van de Empowerment Commission van de wereldvolleybalbond (FIVB) die zich richt op het versterken van volleybalbonden wereldwijd, en vader van drie sportende kinderen. Voor meer informatie: peter.van.tarel@nevobo.nl.
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.