23 september 2008
Opinie
We zagen dat reuzenscherm inderdaad bij de opening van de Olympische Spelen van Beijing.
Maar wie schreef dit? Dat was Abram de Swaan in 1985 in het boekje De Olympische hoogte.
Het citaat is terug te vinden op pagina 83. De meerderheid van de wereldbevolking vond de openingsceremonie prachtig. Maar volgens de Swaan was het dat niet. Hij zag niet dat zijn futuristische beeld 25 jaar later werkelijkheid was geworden. In plaats daarvan zag hij alleen maar duizend trommelaars die allemaal hetzelfde deden. Hij verveelde zich. En dat zullen we weten ook.
‘Leuk hoor die Spelen, maar niet hier’, schrijft de Swaan in Het Betoog van de Volkskrant van zaterdag 6 september 2008. In 1985 was hij vóór, nu is hij tegen.
Ik vind het niet zo’n sterk stuk en ronduit flauw is het dat hij in dit verband Leni en Joris Ivenstahl te tonele voert.
De Swaan ziet een goede reden om de Spelen juist niet in Nederland te wensen: het is een tijdperk van politieke malaise en de écht grote projecten worden niet uitgevoerd. Maar dat is nog geen reden om er nu tegen te zijn, want in 1985 was dat ook al zo. Het kabinet Lubbers had de broekriem aangetrokken en staatssecretaris van der Reijden kreeg het kabinet maar ternauwernood mee. Zie daarvoor ook zijn boek ‘Van Leids laken tot Gooise matras’.
De Swaan noemt drie afgeleide argumenten die ten grondslag zouden liggen aan een besluit de Spelen in ons land te willen: de mensen in de wereld zouden meer respect voor ons krijgen; het is een stimulans om meer aan sport te gaan doen en er gaat een belangrijke economische impuls van uit. Vervolgens ontkracht hij deze argumenten; in mijn ogen volstrekt terecht. Want inderdaad zijn we niet met meer respect gaan kijken naar Griekenland en China en inderdaad wordt sportdeelname ook gestimuleerd wanneer de Spelen in een ander land worden georganiseerd en gaan er ook belangrijke economische impulsen uit van ándere investeringen dan die in sportaccommodaties. En dan worden we ook nog eens een eeuw lang opgescheept met die accommodaties die eigenlijk meteen al niet meer gebruikt konden worden.
Maar die argumenten zijn nu niet aan de orde als het gaat om de organisatie van de Spelen van 2028 in ons land!! Op de eerste plaats gaat het om het belangrijkste impliciete argument: als je naar een feestje gaat spreek je de bereidheid uit ook zélf een feestje te geven. Als je niet in principe bereid bent om zélf ook de Spelen te organiseren, bijvoorbeeld omdat het te duur is en het je even niet uitkomt, dan mag je daar de ander niet voor laten opdraaien. Dus van tweeën één, of je bent bereid je te kandideren voor de organisatie, of je doet niet meer mee.
En hoe doe je dat dan?
Ik geef onmiddellijk toe dat de kandidatuur voor 1992 een sprong in het duister was en het gebeurde allemaal op het nippertje. In de ministerraad was Van der Reijden de eerste om dat toe te geven. Want er ontbrak van alles: geen topsportbeleid, geen topsportaccommodatiebeleid, geen topsportevenementenbeleid, geen talentontwikkeling, geen gemeentelijk topsportbeleid. De uitvoering van de ‘Nota Topsport en Rijksoverheid’ van 1979 kwam nog maar nauwelijks van de grond. Toen was het eigenlijk geen kunst om tégen te zijn, zelfs Saar Boerlage kon het.
Dat alles is nu anders.
Er is een gezamenlijk topsportbeleid van de grond gekomen, de financiering staat als een huis.
We blijven op deze ingeslagen weg doorgaan; we zorgen ervoor dat er geen talent verloren gaat; dat we voldoende veilige en goede sportaccommodaties hebben; dat we de komende jaren voldoende grote topsportevenementen organiseren en dat onze coaches de beste opleiding krijgen en de beste begeleiding kunnen geven; dat ook de mentale begeleiding deugt en dat topsporters aan het eind van hun carrière voldoende competenties hebben opgebouwd om zich ook in het ‘normale’ leven te kunnen redden.
Als we dat traject blijven bewandelen is de organisatie van de Olympische Spelen 2028 geen doel op zich maar de logische consequentie. En het is goed dat de rijksoverheid in haar Structuurvisie 2040 daar nu al aandacht aan besteedt.
Loek Jorritsma was in 1984 secretaris (samen met Gijs van Bussel) van de Interdepartementale werkgroep ‘Olympische Spelen 1992’ en later nog (1989) hoofd van de Taakgroep Topsport van het ministerie van VWS.
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.