5 juni 2012
Opinie
Nog altijd denken velen uit de sportwereld dat de sterkste argumenten voor een eventuele olympisch kandidatuur vanuit de sport zelf moeten komen. Dit wordt versterkt doordat er inhoudelijk weinig op deze argumenten valt aan te merken. Niemand vindt dat we ongezonder moeten gaan leven, niemand vindt dat de buurten en wijken onleefbaarder moeten worden en niemand ontkent dat de sport daar een hele goede sociale rol in vervult. Wat dat betreft staat de sport er meestal wel positief op. Ook met het ‘Oranjegevoel’ – EK voetbal, London 2012, Elfstedentocht – zelfs als die niet doorgaat – is helemaal niks mis. Als het kan dan juicht, zingt en host de meerderheid van Nederland graag mee met elke gewonnen medaille. Maar als het gaat om de ‘harde’ argumenten van het geld en de economie, dan wordt het moeilijker om overeind te blijven.
Dan gaan we de discussie over hoe we de rest van de maatschappij meekrijgen maar liever uit de weg. Dat vermaledijde begrip ‘draagkracht’ (stop, ander woord), blijft ons als een spook achtervolgen. Liever niet meer over hebben, dat komt later wel, waarmee een geweldige kans op een grote sprong voorwaarts voorlopig even in de ijskast, of op de plank wordt gelegd. Daarmee verdwijnt de urgentie en de noodzaak om er nu echt ‘vol voor te gaan’. Zo voelde Joop Alberda de drive wegvloeien en bedankte hij onlangs voor de ‘Club van 2028’.
Laten we kijken welke andere (niet sportieve) voordelen er aan een olympische kandidatuur kunnen zitten en de visie eens van de andere kant beginnen. Wij zitten op dit moment met z’n allen economisch in een behoorlijk diep dal. Waar liggen nu onze kansen om daar snel en goed uit te komen? Waar ligt onze kracht, waar zijn we sterk in? Tijd voor een korte analyse.
Minder sterk
Op diverse gebieden heeft Nederland al jaren geleden moeten afhaken, met name in de zware industrie. Onze scheepsbouw is geslonken tot het maken van kleinere binnenvaartschepen en mooie luxe jachten met gouden kranen voor oliesjeiks. We maken ook geen vliegtuigen meer, maar leveren nog slechts onderdelen (Stork) en het is nog maar de vraag, of we dat ook nog voor auto’s mogen blijven doen (Nedcar). De Hoogovens zijn inmiddels in Indiase handen en wat resteert is de (petro)chemische industrie (Shell, AKZO en DSM) en de hoogwaardige technologie van bedrijven zoals ASML, Philips en de tijdig naar kunststof ‘omgeschoolde’ textielgigant Ten Cate. Aan grondstoffen bezitten we alleen veel gas, waarvan het probleem is, dat dit uitputtelijk is, hetgeen ook niet zo’n gunstig toekomstbeeld oplevert.
Lange tijd is gedacht dat Nederland zijn sterkte moest zoeken in de (zakelijke) dienstverlening. We zijn namelijk sterk in communicatie, spreken meerdere talen en behoren tot de financieel sterkste landen (top 20), ondanks de crisis. Maar zijn we hier ook onderscheidend in? Niet echt. En is hier ook een hoofdrol voor ons weggelegd? Ook niet zozeer. We kunnen hooguit ‘mee blijven doen’, maar moeten daarbij wel bedenken dat een deel van deze sector (banken, verzekeraars, adviesbureaus) nog jarenlang kwetsbaar blijft.
Waar we al eeuwen wél een sterke positie in hebben - naast de landbouw - dat is de ‘doorvoer’-functie en de daarbij horende handel, koopmanschap en transportsector. De haven van Rotterdam, Schiphol en toch ook ons zeer dichte netwerk van spoor & wegen (ondanks de daarmee gepaard gaande problemen) zijn belangrijke kurken waarop we drijven. Een en ander danken we aan onze strategische ligging aan zee en aan de belangrijkste rivierdelta van Europa. Dit is een belangrijk voordeel, zeker ook omdat het blijvend is.
Echt onderscheidend
Hier zijn we beland bij onze werkelijke en onderscheidende kracht voor de toekomst: Het Water!
Prins Claus was een wijs en visionair man, toen hij zijn zoon adviseerde met welk vitaal onderwerp deze zich bezig zou moeten gaan houden. Claus voorzag de ultieme combinatie van een onderwerp waar voor de rest van de wereld de zorgen steeds groter worden, terwijl Nederland bij uitstek het land is dat bij het aanpakken van die zorgen niet alleen een grote, maar ook een onderscheidende rol kan spelen. Onze ervaring, kennis en kunde, evenals onze reputatie, is vrijwel ongeëvenaard en zet onze potentie ogenblikkelijk in de spotlights. Wanneer New Orleans door een orkaan onder water gezet wordt, wanneer er in Hong Kong, of Singapore een vliegveld in zee gebouwd moet worden, of een paar palmboom-eilanden in Dubai (even los van het nut daarvan), dan gaat in Nederland de telefoon en is het kassa voor onze baggeraars, bouwers, architecten en ingenieursbureaus. De gezamenlijke opbrengst van dit soort miljardenorders gaat de kosten van Olympische Spelen vele malen te boven.
Met het stijgen van de zeespiegel door de huidige opwarming van de Aarde, gaat dit de komende decennia nog veel meer gebeuren. In 2050 woont bijna tachtig procent van de wereldbevolking in deltagebieden, vanwege de (vlakke) ruimte, de vruchtbare grond en – net als bij ons – de handel- en doorvoeractiviteiten. Deze delta’s lopen echter stuk voor stuk gevaar en hier komen we op nog een zeer belangrijke factor: Nederland heeft op dit gebied de hele wereld ook echt iets te bieden, namelijk een oplossing. Ziedaar onze grootste ‘verdien’factor voor de toekomst: de watertechnologie (!).
Voor wie denkt dat we nu toch een beetje te ver zijn ‘afgedreven’ gaan we maar snel terug naar het Olympisch Plan 2028 en zien we dat er ook al diverse zeer interessante ideeën zijn ontwikkeld voor een eventuele Nederlandse kandidatuur, die allen gebaseerd zijn op het bouwen op en aan het water. De ‘Floating Games’, de ‘Dutch Delta Games’, of hoe ze ook mogen heten, hebben hier en daar al aardig wat aandacht getrokken. Of je nu denkt aan bouwen op zee, op het Markermeer, of aan het IJ, de Nieuwe Maas, of elders, het principe blijft hetzelfde. Nederland heeft hiermee echt goud in handen. En ook als onze kroonprins straks geen IOC-lid meer is, blijft hij in zijn Koninklijke rol de ideale ambassadeur voor nog vele jaren.
Het uitgaan van eigen (water)kracht is een principe dat ook zeer goed te combineren is met nog een ander vraagstuk voor de nabije toekomst, namelijk duurzaamheid. Dit levert weer allerlei kansen voor het ontwikkelen van bijvoorbeeld mobiele ‘vervaarbare’ accommodaties, zodat we niet met te grote onexploitabele accommodaties ‘opgescheept’ hoeven te blijven. Deze zijn gewoon weer door te sluizen naar andere steden en landen, waarmee we ook weer direct in onze andere sterkte zitten: Handel & Transport (werk voor andere ‘Hollands Glorie’, zoals Smit en Mammoet).
Weinig Sport
Misschien is het opgevallen, dat er in dit stuk nog amper over sport is gesproken en ook niet over Amsterdam, of Rotterdam. Bijkomend voordeel van deze ‘Dutch Water Approach’, is dat het goed is voor zowel Amsterdam als Rotterdam, plus alle bedrijvigheid in hun directe omgeving. De alliantie ‘Olympisch Vuur’ worstelt momenteel enorm met het wel of niet maken van een vroegtijdige keuze tussen deze twee steden en de moeilijk te voorspellen gevolgen daarvan. Misschien vindt men voor dit dilemma een aardige uitweg, door zich samen met Amsterdam en Rotterdam te focussen op deze unieke kans op een win-win-win-win-situatie voor heel veel partijen tegelijk.
De ultieme uitdaging is echter om al deze partijen nu ook tegelijk met elkaar aan tafel te krijgen.
Joop Alberda vond de huidige Club van 2028 veel te veel een luister- en praatclub. En dat is het eigenlijk ook, met vooral veel experts uit de sport. Hoogste tijd voor een Businessclub 2028, waar de echte grote zaken met elkaar worden gedaan. Daarbij kan de sport zich dan vooral concentreren op haar eigen krachten, zoals enthousiasme, motivatie, verbinding en beleving. Want dat is nou juist weer hun specifieke kracht.
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.