2 december 2008
Opinie
Nederland wil een Sportland zijn. Wat is dat, wanneer zijn we dat en hoe kan het Nederlands bedrijfsleven daar een bijdrage aan leveren?
Een Sportland, wat is dat eigenlijk? Kunnen we dan allemaal de marathon lopen? Organiseren we de mooiste en grootste sportevenementen? Gaat iedereen sportief met elkaar om? Halen we de meeste medailles op de Olympische Spelen? Zit het hele land op zondag om 19.00 uur met het bord op schoot voor de buis?
Vaak halen we Australië aan als voorbeeld van een Sportland. Waarom? Omdat Australië slechts een paar miljoen inwoners meer heeft dan Nederland, maar structureel veel beter presteert op de Olympische Spelen. Verder weten we dat het land enorme bedragen investeert in accommodaties en faciliteiten en hebben we het beeld dat elke ‘Ozzie’ een grote, vriendelijke, sportieve krachtpatser is die tot z’n 75ste sport of op krokodillen jaagt. Talloze Nederlandse delegaties zijn de afgelopen jaren down under gegaan om te bekijken wat wij van de Australiërs kunnen leren, maar dat heeft ons niet veel verder gebracht dan de constatering dat ze meer ruimte hebben, meer geld investeren en ‘sportiviteit’ daar een soort volksaard is.
In de definitie van NOC*NSF is een Sportland een land dat:
• Veel
topsporters voortbrengt die topprestaties leveren.
• Een hoge
sportparticipatie heeft onder alle bevolkingsgroepen.
• Veel en
kwalitatief goede sportevenementen en sportaccommodaties
neerzet.
• Beschikt over media die uiterst betrokken zijn bij de
sport.
• Sportwaarden (o.a. sportiviteit) hoog in het vaandel heeft
staan.
• Sport betrekt bij het oplossen van maatschappelijke
vraagstukken (bv. obesitasbestrijding of integratie).
Niet geheel toevallig vormen deze zes aspecten ook de bouwstenen voor het door NOC*NSF geïnitieerde Olympisch Plan 2028, het ultieme droomdoel dat we ons hebben gesteld om de Spelen honderd jaar naar dato weer naar Nederland te halen. Deze Olympische droom spreekt onmiskenbaar tot de verbeelding. Ministeries buitelen over elkaar heen om een bijdrage aan het debat te leveren en ook de georganiseerde sport (toch niet altijd even eensgezind…) draagt deze ambitie een warm hart toe. Beiden doen regelmatig een oproep aan het Nederlands bedrijfsleven om te participeren, maar aan dat front is het nog relatief stil. Dat kan te maken hebben met het feit dat er nog geen concrete vraag ligt. Geld is natuurlijk altijd welkom, maar dat ligt zeker in deze tijden gevoelig. Wat kan het bedrijfsleven nog meer doen en hoe draagt dat bij aan hun eigen doelstellingen?
Topprestaties
Bedrijven kunnen talenten, topsporters en
oud-topsporters in dienst nemen. Uiteraard niet fulltime, maar met flexibele
contracten voor tien tot twintig uur in de week. Sporters kunnen dan maximaal
trainen, maar tegelijkertijd in hun levensonderhoud voorzien en belangrijker
nog, zich voorbereiden op het maatschappelijke leven na hun actieve
sportcarrière. Voor veel topsporters is het wrang om vijftien tot twintig jaar
alles voor hun sport opzij te zetten om daarna te moeten constateren dat ze
lastig een ‘normale’ baan kunnen vinden wegens een gebrek aan werkervaring. Via
deze constructie hoeven topsporters zich daar minder zorgen om te maken en
kunnen bedrijven werknemers binnenhalen op wie het bedrijf trots kan zijn en met
wie ze kunnen meeleven. Ook hebben topsporters vaak op jonge leeftijd al veel
levenservaring en beschikken ze over belangrijke competenties zoals wilskracht,
resultaatgerichtheid en teamplay.
Sportparticipatie
De sportparticipatie (= het percentage
mensen dat aan actieve sportbeoefening doet) is in de leeftijdscategorie ‘tot
twaalf jaar’ extreem hoog in Nederland. Kijken we echter naar de
leeftijdscategorie ‘25–65 jaar’, dan scoort Nederland ten opzichte van de ons
omringende landen vrij matig. Bedrijven kunnen een bijdrage leveren door hun
medewerkers te stimuleren meer te gaan sporten en bewegen. Los van het feit dat
samen sporten goed is voor het saamhorigheidsgevoel en, als je ’t aansluitend op
werktijden doet, een mogelijkheid biedt om de file te ontwijken, draagt sporten
ook bij aan de gezondheid van werknemers. Sportieve en fitte mensen zijn immers
minder vaak ziek en vooral minder lang ziek. Vooral door het in beweging krijgen
van de grote groep ‘inactieven’ (werknemers die niet of nauwelijks bewegen, laat
staan sporten) valt een enorme gezondsheidswinst te behalen.
Evenementen en accommodaties
De betrokkenheid van
bedrijven bij de bouw van nieuwe sportaccommodaties is evident, maar bij het
binnenhalen en organiseren van evenementen is nog veel winst te behalen. Vaak
leunt de bid-fase in hoge mate op de inzet van de betrokken sportbond en lang
niet alle sportbonden beschikken over voldoende bestuurlijke lobbykracht. Veel
bedrijven hebben ruime ervaring met dit soort trajecten. Daarnaast zijn er in
public affairs en lobby gespecialiseerde adviesbureaus in Nederland die zeker
geïnteresseerd zijn om een bijdrage te leveren. Ook kan het voor bedrijven
interessant zijn om een bestuurder of directeur, eventueel op tijdelijke basis,
als bestuurder actief te laten zijn bij een sportbond. Steeds meer sportbonden
staan open voor bestuurders ‘van buitenaf’ omdat zij een frisse blik en nieuwe
netwerken kunnen meebrengen. Voor bestuurders uit het bedrijfsleven is het een
mooie manier om je blikveld te verruimen en een bijdrage te leveren aan de
versterking van de sport.
Maatschappelijke vraagstukken
In 2005 verscheen de nota
Tijd voor Sport van het Ministerie van VWS. In deze nota breekt de overheid een
lans voor het betrekken van de sport bij het oplossen van maatschappelijke
vraagstukken. Om dit kracht bij te zetten, verschuift VWS een groot deel van
haar financiële bijdrage aan de georganiseerde sport van instellingssubsidies
(sportorganisaties krijgen geld omdat ze bestaan) naar projectsubsidies
(sportorganisaties krijgen geld omdat ze een, voor de overheid, relevant project
willen oppakken). Ook bedrijven hechten de laatste jaren steeds meer belang aan
het leveren van een bijdrage aan de maatschappij en zien sport als een
belangrijk onderdeel daarvan. Bedrijven en sportorganisaties kunnen hier dus
samen in optrekken. Bedrijven kunnen innovatieve concepten bedenken voor
sportbonden om hun sport voor specifieke maatschappelijke vraagstukken in te
zetten. Ook kunnen bedrijven hun kennis en expertise aanwenden om
sportorganisaties te helpen om (een deel van) hun organisatie in te richten als
projectorganisatie. Tenslotte zouden bedrijven ook uitstekend kunnen helpen bij
het smeden van samenwerkingsverbanden tussen sportorganisaties, dit om hun
slagkracht richting het maatschappelijk veld nog verder te vergroten.
De weg naar 2028 lijkt lang, maar feitelijk moet over acht jaar Nederland al een Sportland zijn. Want dan wordt beslist of we als land klaar zijn om een bid uit te brengen om het grootste sportspektakel ter wereld naar Nederland te halen. Tot die tijd is er dus voldoende werk aan de winkel voor zowel de georganiseerde sport, de overheid als het bedrijfsleven.
Jochum van Krimpen is manager van Sport & Zaken, een stichting die zich bezighoudt met het betrekken van het bedrijfsleven bij uitdagende vraagstukken in de sport. Voor meer informatie: www.sportenzaken.nl of jochum@sportenzaken.nl
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.