20 juni 2008
Opinie
1. Waarom heb je gekozen voor een sportgerelateerde
managementopleiding?
“Al van jongs af aan ben ik sportief ingesteld
geweest. Ik heb diverse sporten beoefend en volgde veel sportgerelateerd nieuws.
Voor mij was het duidelijk dat ik later iets in de sport wilde gaan doen. Wat?
Dat wist ik nog niet. De grote diversiteit in het werkveld sport maakte dat ook
niet eenvoudiger. Na enig speurwerk naar mogelijke opleidingen op het gebied van
sport kwam ik uit bij Sportmanagement. Dat er aan de Haagse Hogeschool naast
theorie ook praktijkles in de sport gegeven wordt, gaf voor mij de doorslag. Ik
vind namelijk dat je moet ervaren wat bepaalde sporten inhouden om op een goede
manier een managementfunctie binnen de sport te kunnen ambiëren.”
2. Waarom zou je deze opleiding/studie aanraden bij aankomende
studenten? Welke toegevoegde waarde heeft deze
opleiding/studie?
“Voor mij is er een aantal zaken die gedurende
deze opleiding erg van waarde zijn geweest. Ten eerste dat je er veel
praktijkkennis opdoet, doordat je al vanaf het eerste jaar stage loopt en er
veel leermomenten liggen in werkveldgerichte opdrachten. De theorie uit colleges
wordt daarmee direct gekoppeld aan de realiteit.
Ten tweede wordt er tijdens de studie veel gewerkt in groepen. Je leert hierdoor samen te werken en de juiste kwaliteiten van ieder groepslid zoveel mogelijk te benutten. Bovendien leer je omgaan met het geven en ontvangen van kritiek.
Ten derde werk je gedurende de studie veel aan je presentatievaardigheden. Je leert daarbij verschillende vormen van presenteren. Gevolg daarvan is dat je jezelf of je plan op diverse manieren leert verkopen aan de buitenwereld.”
3. Welk onderdeel mis je ofwel: wat zou volgens jou aan je opleiding
toegevoegd mogen worden?
“Ik mis het leren gedegen onderzoek doen,
zowel kwalitatief als kwantitatief. Daarbij is het kunnen trekken van de juiste
conclusies uit de onderzoeksresultaten en daar bepaalde aanbevelingen aan kunnen
koppelen essentieel. Ik denk dat onderzoek doen in bepaalde facetten van het
werkveld erg belangrijk is en daarom zou daar meer aandacht aan gegeven moeten
worden. Daarnaast zou de opleiding wat mij betreft een meer internationale visie
mogen hebben. Er wordt vrij weinig aandacht gegeven aan buitenlandse talen. Ik
denk dat vooral Engels een vak is dat sterk verbeterd zou kunnen worden. Ook het
stimuleren van buitenlandse stages wordt naar mijn mening erg weinig gedaan. In
de huidige en toekomstige trend van internationalisering is een internationale
visie echter erg belangrijk.”
4. Waar hoop je later na je
studie te kunnen gaan werken, welk soort baan ambieer je?
“Ik ga na
deze studie de master ‘Organisatie, beleid en communicatie’ volgen aan de Vrije
Universiteit van Amsterdam. Daarin staan mensen, organisaties en hun
vraagstukken centraal. Hoewel deze master niet direct sportgerelateerd is, denk
ik dat het een goede verdieping is van wat ik de afgelopen jaren heb geleerd. Na
deze master (hopelijk) succesvol te hebben afgerond wil ik sport graag op een
maatschappelijk verantwoorde manier gaan inzetten. Dit omdat ik van mening ben
dat sport bij kan dragen aan de verbetering van een aantal maatschappelijke
problemen. Een baan als sportbeleidsmedewerker bij een grote stad spreekt mij
dan ook erg aan. Daarnaast zie ik mij bij tal van andere organisaties werken
waarbinnen sport op een verantwoorde manier wordt ingezet om bepaalde doelen na
te streven.”
5. Wat zou er volgens jou in de Nederlandse top- of breedtesport
geheel anders geregeld of georganiseerd moeten worden en waarom? Hoe zou je het
aanpakken?
“Ik vind dat het breedtesportaanbod in grote steden
anders georganiseerd zou moeten worden. Eén van de trends van de afgelopen
decennia is dat verenigingen in centra van grote steden verplaatst worden naar
de rand van de stad. Gevolg hiervan is dat het sportaanbod in de centra van
grote steden steeds beperkter wordt. Kinderen (met name jonge kinderen) uit het
centrum zijn daardoor niet in staat om zich aan te sluiten bij een vereniging
aan de rand van de stad en missen daardoor een deel sportieve opvoeding wat de
basis is voor een sportieve levensstijl op oudere leeftijd.
Er zijn al verschillende organisaties (zoals de Richard Krajicek Foundation) die sport- en spelmogelijkheden terug willen brengen in wijken waar de sportmogelijkheden beperkt zijn. Deze voorzieningen zorgen ervoor dat kinderen wel in aanraking kunnen komen met diverse sporten, maar bieden niet de mogelijkheid om deze sport in wedstrijdverband te beoefenen. Ik denk dat juist het in wedstrijdverband beoefenen van een sport een aantal positieve waarden kent zoals discipline en respect voor de tegenstander. Daarom vind ik het belangrijk dat wedstrijdsport terugkomt in centra van grote steden.
Dit kan volgens mij bereikt worden via de BOS-driehoek (Buurt, Onderwijs en Sport). De sportfaciliteiten die in het kader van de BOS-driehoek bij scholen gerealiseerd worden zouden door buurtsportverenigingen gebruikt kunnen worden. Door diverse buurtsportverenigingen te realiseren zou een onderlinge competitie gevormd kunnen worden.
Bij de realisatie daarvan zou veel geleerd kunnen worden van Amerikaanse scholen waarbij sportfaciliteiten min of meer vanzelfsprekend zijn.”
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.