Go with Golazo
Sportknowhowxl
Home
Opinie
Waar is broeke naar op zoek over de waarde van onderzoek voor de sport en vice versa

Waar is Broeke naar op zoek? Over de waarde van onderzoek voor de sport en vice versa

2 november 2010

Opinie

door: Koen Breedveld

Op 19 oktober uitte Broeke op deze plaats zijn twijfels over de kans dat het sportonderzoek en de sportpraktijk ooit nader tot elkaar zullen komen. Om die stellingname te onderstrepen verwijst hij naar een gesprek waarin een vader van een voetbaltalent zich erover beklaagt dat er in de voetballerij geen steek verandert, alle studiebollen die er thans rondlopen ten spijt. De teneur van Broekes stuk lijkt te zijn dat het sportonderzoek te verwijten valt dat onderzoek en praktijk op (te) grote afstand staan.

Broeke uit daarbij zijn twijfels over de kans dat het sportonderzoek ooit met voor de praktijk relevante kennis op de proppen zal komen. Als voorbeeld haalt hij drie citaten aan uit een niet nader genoemde publicatie. Verder citeert hij een stuk uit de publicatie ‘Sport en haar professoren’. In dat citaat wordt een positief beeld geschetst van de stand van zaken binnen het sportonderzoek. Broeke maakt niet expliciet wat hij met het betreffende citaat wil, maar gezien de context van zijn stuk mag veilig worden aangenomen dat de auteur zijn twijfels heeft over het ‘track record’ van het sportonderzoek.

Teruglezend begrijp ik niet helemaal wat de portee van Broekes boodschap is. De constatering dat er in de voetballerij geen grote neiging bestaat tot verandering zal door weinigen worden ontkend. Het zegt bovendien evenveel over de naar de binnen gerichtheid en het conservatisme van de voetbalpraktijk, als over onderzoekers die deze praktijk tot studieobject nemen.

De drie citaten die Broeke aanhaalt, uit een niet nader geduide publicatie, spreken naakt als ze er staan inderdaad niet direct tot de verbeelding. Om de waarde van de drie onderzoeken beter te kunnen beoordelen is meer kennis nodig over de genoemde projecten. Ik ken die projecten niet. Ik stel me zo voor dat het projecten betreft over de relatie tussen lichamelijke en cognitieve prestaties, over in- en uitsluitingsmechanismes in de schoolsport, en over de betekenis van perceptie in de verbetering van sportprestaties. Alle drie lijken het me maatschappelijk relevante projecten, zeker de eerste twee (over de derde kan ik niet goed genoeg oordelen).

Te lang heeft het onderwijs de lichamelijke opvoeding stiefmoederlijk behandeld, en de kansen en de mogelijkheden ervan onvoldoende willen inzien; teveel kinderen keren zich gedurende hun schoolperiode af van de sport, onder andere omdat ze zich buitengesloten voelen. Het is teveel gevaagd om van het onderzoek te verlangen om panklare oplossingen aan te dragen voor een aantal van de genoemde kwesties. Maar het onderzoek kan wel helpen om een beter begrip te ontwikkelen van de problematiek, achtergronden te duiden, mythes te ontmaskeren, onbedoelde gevolgen te schetsen en wellicht, ooit, soms, te schetsen onder welke condities een interventie succesvol kan zijn. Stuk voor stuk lijken me dat zaken waar de praktijk zijn voordeel mee kan doen.

Ik ben de laatste om te ontkennen dat sportonderzoek en praktijk soms een moeizame relatie onderhouden. Meer wellicht dan andere praktijken is de sport een wereld van doeners en niet van denkers. Nog maar net ontsproten aan een welgemeend amateurisme ontbeert de sport een traditie van strategische beleidsvorming, zoals sectoren als de gezondheidszorg, het onderwijs en de ruimtelijke ordening die al lang geleden hebben opgebouwd. De wereld van de sport is er niet een die nadrukkelijk uitnodigt om te investeren in duurzame kennisopbouw. Topsporters die succes boeken, danken dat succes in niet onbelangrijke mate aan een onwrikbaar geloof in eigen kunnen – niet in het luisteren naar anderen. De jacht naar goud schrijft voor dat ze geen geduld kunnen opbrengen om te wachten op (onzekere) onderzoeksuitkomsten, en maakt ze wantrouwig ten opzichte van het delen van kennis waar de concurrentie beter van kan worden. Nauwelijks een voedingsbodem waarin onderzoek kan floreren.

Dat onderzoek en sportpraktijk elkaars taal niet altijd spreken, geldt niet als een groot geheim. Spannender dan te constateren dat die kloof bestaat, is om te zien waar ze op is gebaseerd. Het gros van de sportprofessoren in het door Broeke aangehaalde boek ‘Sport en haar professoren’ was of is zelf werkzaam in de sport: als medicus, bestuurder, trainer, gymleraar, oud-speler of gewoon als liefhebber. Als het sportonderzoek van één punt soms wel eens hinder ondervindt, dan is het niet een tekort aan contact met het veld maar eerder een teveel daaraan. Toponderzoekers delen veel van de eigenschappen die topsporters kenmerken: voor beide geldt dat ze van hun interesse hun werk hebben gemaakt, dat het keihard werken is om een ongewisse top te halen, dat de kans dat je er rijk van wordt verwaarloosbaar klein is en dat je er, op zijn zachtst gezegd, een tikkeltje eigenwijs voor moet zijn.

Onderzoek en sportpraktijk hebben dus meer met elkaar gemeen dat op het eerste oog lijkt. Als onderzoek en praktijk zich soms moeizaam tot elkaar verhouden, dan moet de oorzaak worden gezocht in de dynamiek van beide velden. Wie de top van de onderzoekspiramide wil bestijgen, ontkomt er niet aan - zoals ook Broeke stelt - om zijn onderzoek te situeren in een theoretisch kader en te publiceren in tijdschriften, en in een taal, die weinig toegankelijk zijn voor de praktijk. De praktijk daarentegen verwacht snelle direct toepasbare antwoorden, en negeert dat de werkelijkheid daar soms te weerbarstig voor is. Die tegenstrijdigheid maakt het debat lastig en vergt veel van het geduld van de betrokkenen, zelfs voor het grote aantal betrokkenen dat dagelijks heen en weer pendelt tussen beide realiteiten.

Ik ben ervan overtuigd dat het sportonderzoek de praktijk veel te bieden heeft – andersom trouwens ook. De sport heeft zichzelf uitdagende ambities gesteld. Om die ambities te realiseren zal een uitgekiende strategie dienen te worden uitgezet. Onderzoek kan helpen om die strategie verder vorm te geven, om mee te bepalen wat bereikbaar is en wat niet, welke processen er spelen op weg naar het geformuleerde doel, welke factoren daarin beïnvloed kunnen en moeten worden, wat daarvoor nodig is, en welke bedoelde en onbedoelde gevolgen dat met zich mee kan brengen. Het is een illusie om te veronderstellen dat onderzoek een garantie of zelfs maar een voorwaarde vormt voor het realiseren van doelstellingen. Maar het is net zo zeer een illusie om te hopen dat je er in de wereld van vandaag met alleen twee voeten in de praktijk ook wel komt.

Er is de afgelopen jaren veel gedaan om de kennisketen van de sport te versterken. Middels het aanstellen van lectoren en ‘embedded scientists’, het instellen van kenniskringen en kenniscentra en het opstarten van platforms en nieuwsbrieven als deze (en andere) wordt er hard gewerkt om onderzoek en praktijk beter van elkaar te laten profiteren. Zeker is dat er nog slagen te maken zijn. Wat daarin vooral nodig is, is onderling begrip en een welwillend-positieve grondhouding. Cynisme en scepticisme zijn nog nooit een vruchtbare voedingsbodem voor vernieuwing gebleken, ook niet in het sportmanagement.

Koen Breedveld is een van de opstellers van de Kennisagenda Sport 2011-2016 (zie hier) en een van de redacteuren van de publicatie Sport en haar professoren (zie hier). Breedveld is sinds zijn 6de in de sport actief, als beoefenaar, gepassioneerd kijker, vrijwilliger in diverse functies en beroepsmatig als directeur van het WJH Mulier Instituut – centrum voor sociaal-wetenschappelijk sportonderzoek.

Deel dit bericht:

0 reacties

Nog geen reacties. Wees de eerste!

Voeg je reactie toe

Meer over:

Blijf op de hoogte

Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de 
belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.