Go with Golazo
Sportknowhowxl
Home
Opinie
Vws frustreert kennisopbouw over sport en economie

VWS frustreert kennisopbouw over sport en economie

30 augustus 2011

Opinie

door: Egbert Oldenboom

Sport en economie is een thema dat zich heeft ontwikkeld van een marginaal, weinig sexy onderwerp tot een hot spot waar zelfs Kamervragen over gesteld worden, zoals bijvoorbeeld over de Kosten Baten Analyse van het bid voor het WK Voetbal 2018. Ook in de jongste sportnota wordt meer aandacht aangekondigd voor ‘de economische betekenis van sport’ en ‘de economische en maatschappelijke effecten van sportevenementen’.

In de ruim vijftien jaar dat ik nu actief ben als sport(economisch) onderzoeker heb ik die ontwikkeling van dichtbij meegemaakt. Hoewel de vraag naar kennis sterk is toegenomen, heeft dit niet geleid tot een verdieping en verbreding van de inzichten op dit terrein. Nederland loopt hierin sterk achter bij andere landen, en dit is voor een belangrijk deel te wijten aan het funeste en kortzichtige beleid van het ministerie van VWS. Om dit te illustreren duik ik even in de geschiedenis van het sporteconomisch onderzoek in Nederland.

In 1988 en 1996 heeft het onderzoeksbureau SEO Economisch Onderzoek een onderzoek uitgevoerd naar de macro-economische bestedingen aan sport. Dat hetzelfde instituut het onderzoek twee keer heeft uitgevoerd volgens dezelfde methodologie, was erg handig: hierdoor werden trends zichtbaar en resultaten vergelijkbaar. Ik was één van de auteurs van het tweede onderzoek (dit onderzoek vormde ook de basis voor het hoofdstuk ‘Economie’ in de SCP-rapportages sport, die sinds 2003 zijn verschenen).

Rond 1999 besloot ik mij te specialiseren op het gebied van de economische impact van sportevenementen. In 2000 heb ik in opdracht van een consortium - waaronder VWS - een onderzoek verricht naar de kosten en baten van Euro 2000. Op aanraden van het ministerie van EZ werd in de eindrapportage de aanbeveling opgenomen om de gebruikte methode voortaan als standaard te gebruiken bij de evaluatie van sportevenementen.

Ik verwachtte destijds dat het bepalen van kosten en baten van sportevenementen een belangrijk thema in het sportbeleid zou worden. Daarom heb ik tussen 2002 en 2006 - op eigen risico - tijd en geld gestoken in mijn proefschrift over kosten en baten van sportevenementen (overigens wel geholpen door mijn Engelse promotor). In die tijd kon ik weinig opdrachten uitvoeren en moest ik een beroep doen op familie en vrouw. Dit is niet uitzonderlijk: veel onderzoekers investeren hun avonduren in proefschriften. Dit geeft aan dat een belangrijk aspect van kennisopbouw de persoonlijke betrokkenheid van onderzoekers bij een thema is; persoonlijke investeringen in ‘human capital’. Uiteindelijk is kennisopbouw niet afhankelijk van instituten, maar van onderzoekers met een inhoudelijke drive. Kennis zit in mensen, niet in organisaties of stenen.

Ondersteund door vragen vanuit verschillende (markt)partijen, heb ik sinds 2002 (samen met Sport2B, Pieter Verhoogt) ongeveer 5 jaar gelobbyd voor een herhaling van SEO-onderzoek. In 2004 en in 2007 zijn er ronde tafelconferenties geweest om te inventariseren ‘welke beleidsvragen er leven ten aanzien van sport en economie’ en ‘hoe onderzoek daarnaar het meest efficiënt kan worden vormgegeven’. Aanbevelingen uit 2007 luidden:
- maak een update van het SEO-onderzoek naar de economische betekenis van sport;
- voer een inhoudelijke verkenning van het terrein sport en economie (literatuurstudie) uit;
- stel een onderzoeksprogramma op;
- stel een platform in gericht op programmering en uitwisseling;
- plan een vervolgbijeenkomst.

Alleen de eerste aanbeveling is overgenomen. In 2008 kwam er een update van het SEO onderzoek, maar de opdracht ging niet naar de SEO, noch naar ons (Pieter en mij), maar naar de – nieuwkomer - Policy Research Corporation (PRC). Hoewel voor ons teleurstellend, is dit op zich begrijpelijk. Een onderzoeksgebied heeft soms belang bij een frisse kijk van nieuwe onderzoekers. Het resultaat was een weliswaar fraai vormgegeven powerpoint presentatie, maar zonder afdoende methodologische verantwoording of referentie. Vanuit het oogpunt van kennisopbouw was dit teleurstellend. De resultaten waren noch in de tijd, noch in geografische zin (met andere landen) te vergelijken. Teleurstellend ook omdat op dat moment in Europees verband afspraken gemaakt werden om dit soort onderzoeken gestandaardiseerd uit te voeren, een initiatief waarvan VWS op de hoogte was. Een gemiste kans en een duidelijk voorbeeld van ‘hit & run’ onderzoek, helaas.

Toen ik mijn twijfels begon te krijgen over de visie op sporteconomische kennis bij het ministerie - of beter gezegd het ontbreken van die visie - heb ik me bezonnen op een constructie die ‘VWS-proof’ was. Dat wil zeggen, hoe ontwerpen we een aanpak die ook zonder steun van VWS tot kennisopbouw op landelijk niveau leidt? In 2008 hebben hogescholen en andere kennisinstellingen daartoe de Werkgroep Evaluatie Sportevenementen (WESP) in het leven geroepen. Bewust hebben we daarbij geen beroep gedaan op subsidies van VWS, hoewel de doelstellingen in principe naadloos aansluiten op het VWS beleid, namelijk het creëren van vrij toegankelijke kennis over de maatschappelijke effecten van sportevenementen NOOT 1). Bij directe bemoeienis van VWS zou men dit onmiddellijk hebben uitbesteed aan een onervaren onderzoeksbureau, waarna alle kennis weer zou verdampen.

Ondanks deze constructie wist VWS zich weer in de kijker te spelen door onhandig optreden. Wat gebeurde er? In 2009 slaagde de provincie Drenthe erin om start van de Vuelta naar Nederland te halen. De provincie Drenthe had besloten om de WESP te betrekken bij de evaluatie van het eerste deel, het gedeelte waarvan het parcours door Drenthe liep. De evaluatie van de Vuelta in Drenthe was daarmee één van de eerste projecten van de WESP. Deze zou - zoals gebruikelijk in WESP-verband - uitgevoerd worden door een combinatie van hogescholen en onderzoeksbureaus. Enthousiast meldde een ambtenaar van VWS dat men graag aanhaakte; dat kwam mooi uit, want behalve door Drenthe, kwam de Vuelta ook door Gelderland en Limburg.

Als VWS tegen relatief geringe meerkosten bijgedragen had aan deze evaluatie, hadden we kunnen beschikken over een evaluatie van de betekenis van de Vuelta voor heel Nederland. Maar helaas, na deze aanvankelijk enthousiaste reactie hebben we niets meer vernomen, ondanks vele telefoontjes en mailtjes. Deze landelijke evaluatie is dus niet uitgevoerd. Wel bereikte ons kort daarna het verzoek vanuit VWS om met onderzoeksgegevens over sportevenementen te komen voor het kabinetsstandpunt rondom het Olympisch Plan. Ironisch genoeg pronkt VWS ook in haar laatste beleidsbrief met de cijfers uit de evaluatie van de Vuelta, waar men part noch deel aan heeft gehad (in tegendeel kun je zeggen). Dit patroon, waarbij men wel naarstig op zoek is naar onderzoeksresultaten, maar blijkbaar zich niet realiseert dat daarvoor onderzoek en onderzoekers nodig zijn, is kenmerkend.

Om het nog bonter te maken kwam VWS in 2010 wel met de zogenaamde evenementen pilots. Hiermee zouden de maatschappelijke effecten van evenementen in kaart moeten worden gebracht. Dit tonnen verslindende project zit methodologisch zo rommelig in elkaar, dat enige kennisopbouw eerder ondanks, dan dankzij dit project tot stand zal komen. Maar erger nog: dit initiatief zorgt weer voor allerlei wielen die uitgevonden worden en vormt daarmee in principe een rem op de kennisopbouw. Het zorgt immers voor een parallel traject en extra ruis en rijdt een maatschappelijk initiatief (de WESP) in de wielen. Het is alsof VWS gekozen heeft om eigen fitnessclubs op te gaan zetten in gemeenten waar een actieve vereniging aanwezig is.

Dit inzicht lijkt voorbij te gaan aan VWS. Toen bijvoorbeeld in 2010 in opdracht van o.a. VWS een kostenbatenanalyse van het WK Voetbal 2018 moest worden uitgevoerd, werd de SEO (zonder openbare aanbesteding) gevraagd om deze te verrichten. Op dat moment waren er geen sportonderzoekers meer binnen de SEO en men moest dus weer het wiel uitvinden. Ook de eerdere aanbeveling uit het Euro 2000-rapport over de methode was allang weer vergeten en evenmin werd enige afstemming gezocht met de WESP. Het resultaat was overigens zeker niet slecht; maar inmiddels is de auteur, Michiel de Nooij, alweer vertrokken bij de SEO en richt zich op een ander onderwerp (hij heeft een sabbatical genomen om zijn proefschrift te schrijven over energiebeleid). Zoals ik hierboven al schreef: kennis zit in de hoofden van onderzoekers, niet in organisaties: de kennis over kosten en baten van sportevenementen is daarmee deels alweer verdwenen bij de SEO.

Het volgende grote onderzoeksproject van VWS betrof de kosten en baten van de Olympische Spelen. Alle relevante partijen hadden nu ingeschreven: de SEO, de PRC, Sport2B (Pieter Verhoogt) en ik zat ook in een consortium. Inmiddels had ik wel een voorgevoel: sporteconomen zoals Sport2B en ikzelf waren kansloos, evenals andere partijen met ervaring en kennis zoals (nu) de SEO en de PRC. En inderdaad: opnieuw kwam er een onderzoeksbureau uit de bus zonder relevante ervaring op het gebied van kosten-baten analyses van evenementen, namelijk de Rebel groep uit Rotterdam. Opvallend in de motivatie van de toewijzing aan de Rebelgroep was dat hun expertise - een organisatie zonder ervaring op het gebied van kosten baten analyses van sportevenementen - even hoog werd ingeschat als die van ons. Blijkbaar draagt volgens VWS een promotie-onderzoek weinig bij aan je expertise.

Bij de Rebelgroep is men nu weer het wiel aan het uitvinden en ik voorspel dat over hooguit vijf jaar de eventueel opgebouwde kennis weer verdampt zal zijn.

Wat de motieven van VWS zijn? Uit de wandelgangen is bekend dat in het geval van het laatste project, de kosten en baten van de Olympische Spelen de SEO ‘te kritisch’ werd geacht. Men was niet tevreden over de uitkomsten van het onderzoek naar de kosten en baten van het WK 2018, die waren te ‘negatief’ (met name het saldo van kosten en baten). Daarnaast is er een angst bij de Directie Sport voor ‘identificatie met het veld (lees: de sportsector)’: met name de ambtelijke top stimuleert het om afstand te houden tot belangen en partijen. ‘Verdeel en heers’ is natuurlijk een beproefde methode om die contacten ‘zakelijk’ te houden. Natuurlijk is er vanuit het algemeen belang veel voor te zeggen om niet te intieme contacten te hebben met allerlei belangengroepen, maar de geëtaleerde desinteresse in en minachting voor expertise is nergens voor nodig en schadelijk.

Het gevolg is namelijk dat kennis die binnen een onderzoeksinstelling wordt opgedaan met dit soort ‘hit & run’ onderzoek snel verdampt omdat onderzoekers verkassen, zich specialiseren op andere onderwerpen etc. Door een ‘verdeel en heers tactiek’ vindt er dus geen kennis opbouw over sporteconomische onderwerpen plaats.

Ik begrijp de scepsis van de kritische lezer: natuurlijk heb ik directe belangen en natuurlijk kun je niet verwachten dat VWS zich uitsluitend verbindt aan één onderzoeker of organisatie. Toegegeven, een deel van mijn energie om dit aan de orde te stellen komt voort uit persoonlijke frustratie. Maar waar ik toch wat krediet hoop te krijgen is voor mijn intentie om op te komen voor de kennisopbouw in Nederland.

Mijn conclusie is dat VWS bewust of onbewust kennisopbouw blokkeert en zelfs initiatieven in de wielen rijdt. Strategische onderzoeksagenda’s en dergelijke brengen hier geen verandering in want wat de rechterhand bouwt, breekt de linkerhand af, zo leert de ervaring. De reactie vanuit VWS is wellicht dat de verantwoordelijkheid voor kennisopbouw bij universiteiten en hogescholen ligt en niet bij het ministerie. Dat is deels waar; ook vanuit die hoek is meer aandacht en financiën hiervoor gewenst. Maar het ministerie kan zich niet verschuilen achter anderen, als zijn eigen initiatieven kennisopbouw ondermijnen. Je mag van een ministerie verwachten dat het ook de bredere effecten van zijn acties op het publiek belang in ogenschouw neemt en zich niet gedraagt als de eerste de beste calculerende burger.

NOOT 1)
Voor de volledigheid: één specifiek WESP project is indirect (via de alliantie Olympisch Vuur) gesteund door VWS.

Egbert Oldenboom is directeur van MeerWaarde Sport en Economie. In 2006 promoveerde hij aan de Sheffield Hallam University op het onderzoek ‘Costs and Benefits of major sports events’. Naast sporteconomisch onderzoek gaat zijn aandacht en energie uit naar community building: het bijeenbrengen en inspireren van mensen.

Deel dit bericht:

0 reacties

Nog geen reacties. Wees de eerste!

Voeg je reactie toe

Meer over:

Blijf op de hoogte

Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de 
belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.