16 oktober 2012
Opinie
Met veel interesse nam ik kennis van het essay van Bart Brandsma. Zonder moeite zullen veel lezers een deel van de werking van het verenigingsgevoel herkennen. Hoe sterker de verenigingscultuur hoe moeilijker het is verschillen, vooral als die van buiten komen, een plek te geven. De voorbeelden van botsingen en onwennigheden door ‘anders zijn’ komen bekend voor en de voorstellen om een open identiteit te bevorderen lijken mij relevant. Toch heb ik ook fundamentele bezwaren tegen het essay.
Een deel van die bezwaren zijn empirisch van aard. Het is mogelijk waar dat een open identiteit niet aansluit op de wensen van sportbestuurders. Maar: wens of niet, de werkelijkheid is op clubniveau dat die gesloten entiteiten allang zijn open gebroken. Ja, we willen sporten met vrienden en vaak gelijkgestemden. Dat betekent echter niet dat een vereniging een gesloten entiteit is. In de tijd van de verzuiling was nog sprake van gesloten entiteiten. Maar die tijd ligt lang achter ons. Dat ligt niet aan het wel of niet hebben van een visie of ontkenning van bestaande verschillen, maar aan de realiteit dat bijvoorbeeld het eerste elftal van bijna alle verenigingen de laatste twintig jaar jaarlijks tien spelers ziet vertrekken en tien nieuwe ziet komen (cijfers jaarlijks in alle kranten te vinden).
Toen ik in 1974 van HVO (Havenbedrijf Vlaardingen Oost) naar DESTO (Door Edel Spel tot Ontwikkeling) ging, was ik de enige nieuwkomer in de eerst drie elftallen. Bij DESTO ging je ook alleen weg als je elders ging studeren of werken. Maar het eens zo gesloten gereformeerde DESTO kent in de hoofdmacht nu ook elk jaar vele nieuwe spelers, heeft meer atheïsten dan gereformeerde leden en in alle teams kinderen met een immigrantenachtergrond.
En DESTO is niet de enige club. Ja, clubs hebben identiteiten en willen clubgevoel (arbeidersclub, herenclub, dorpsclub, Marokkanenclub), maar de menging van leden is vele malen groter dan Brandsma ons in het essay wil doen geloven. Ook goed te weten dat meer dan negentig procent van Turken, Marokkanen, Surinamers, etc. niet in eigen maar in gemengde clubs sporten. Door ontzuiling, individualisering, betalingen aan spelers, herstructurering van clubs door verhuizingen, trek naar platteland van stedelingen en fusies zijn clubculturen als vanzelf van gesloten naar open clubs gegroeid. Dat verschilt van club tot club maar de dagelijkse werkelijkheid is heel wat meer divers dan blijkt in het essay.
Zeker, nostalgie naar de clubcultuur bestaat. Zo was ik laatst bij de prachtige Amsterdamse vereniging DEVO. De zes 65+ Amsterdamse mannen die ik trof en vroeg naar plannen voor fusie met hun buren, wisten mij direct te vertellen dat ze dat nooit zouden doen. Ze wilden hun clubcultuur behouden. Aan de muur zag ik dat het trotse mannenbolwerk voor de helft bestond uit vrouwenteams en het eerst elftal bleek geheel uit Turkse spelers te bestaan. Een prachtig voorbeeld hoe de gekoesterde gepercipieerde clubcultuur nogal wat diversiteit herbergt zonder dat men die nostalgie overboord zet en dus verschillen ongemerkt een plek heeft gegeven dan wel heeft moeten geven. Tegelijk zoeken in grote steden hele studenten elftallen onderdak bij Marokkaanse en Turkse clubs vanwege de gezelligheid. ‘Wij houden van Ardahan’ getuigen Utrechtse studenten in het AD. En het zelfde overkomt Faja Lobi en ook de arbeidersclub RUC.
Het bestaan van deze diversiteit is ook het bezwaar tegen het nogal statistische wij-zij beeld dat het fundament van het essay is. Ook de oude verenigingen kenden nogal wat diversiteit naar niveau, leeftijden en achtergronden (veel stands/klassen verschil in een christelijke club) maar zeker in deze tijd heeft die diversiteit zich uitgebreid. Binnen teams was en is de diversiteit groot. Het creëren van het teamgevoel is al een heel werk. En teams - is juist een klacht van bestuurders - staan zeer los van het clubbelang sinds we het verschijnsel van vriendenteams kennen en teams die jaarlijks van verenigingen wisselen. Ja, we zijn van VV of Kampong of AFC maar we zijn eerder van F5, de jeugd of het eerste elftal. ‘Wij’ is een meervoudig begrip en de meeste trainers van een eerste elftal hebben veel werk om een wij-gevoel te organiseren. Dat geldt ook voor besturen met hun vaak obligate en tegelijk wanhopige oproepen dat ‘wij’ het samen moeten doen in het belang van de club.
Nog fundamenteler vind ik de opvatting in het essay dat ‘in de politiek ‘wij-zij’-denken negatief en polariserend werkt’. Dat past natuurlijk bij een bepaalde opvatting over polarisatie door een bepaalde politieke partij als het om Moslims gaat. Maar over het algemeen is juist het ‘wij-zij’-denken een uiting van de diversiteit die Nederland kenmerkt. ‘Wij Nederlanders’ bestaan alleen als we daaronder erkennen dat ‘wij’ ons kenmerken door ragfijne religieuze, culturele en sociaal economische verschillen. Laten we blij zijn dat zich dat weerspiegelt in onze organisaties en ook in de politiek. Dat betekent dat die verschillen zich bijvoorbeeld in de sport organiseren op een wijze dat iedereen mee kan doen en dat die verschillen stem hebben. Dat je niet ontkend kan worden door de wet van de grote getallen of macht van leidinggevenden. En juist ook in de sport en vooral bij teamsport gaat het om het op elkaar afstemmen van die verschillen. Die verschillen mogen botsen. Want ook in de botsing zit de waarde waarbij tegelijk bonding en bridging ontstaat omdat we ook geleerd hebben dat we samen verder moeten. Polderen blijkt dat tegenwoordig te heten.
Vanuit voorgaande opmerkingen kom ik ook tot een totaal andere conclusie over de werking van verenigingen. Volgens Brandsma produceren ze alleen bonding (identificatie met eigen clubgevoel) en geen bridging (vormgeven aan de relatie met de ander). Gegeven de diversiteit in etniciteit, gender en sociaal economische verschillen vinden naast bonding (eens met Brandsma) ook voortdurend processen van bridging vanwege het bestaan van interne verschillen plaats. Daarnaast is het charmante van sport dat we anderen ontmoeten om ons spel te spelen. Of dat nu vriendschappelijk verloopt of met incidenten, we leren erdoor van de ander en niet alleen als een ontmoeting waarbij identiteiten gesloten tegen elkaar staan. We leren ook juist de verschillen tussen anderen kennen. Uit mijn onderzoek met Jan Janssens bleek dat bovendien veel meer begrip dan polarisatie op te leveren (26 procent versus 4 procent).
Bovendien zijn veel sporters georganiseerd in een bond met liefhebbers van hetzelfde spel waardoor mensen elkaar als korfballers of biljarter leren zien over hun clubverschillen heen. Zelfs voetballers (all over the world) herkennen elkaar. Of de sport leidt ertoe zoals je bij Olympische Spelen ziet dat je de ander leert kennen als sporter (desnoods als passief kijker).Toegegeven, dat zijn wellicht lichtere gemeenschappen dan de gemeenschap van een vereniging maar dat geldt eerder voor het aantal ontmoetingen dan voor de kracht van de gemeenschappelijke ideologie. Niet alleen bij mijn club is de steeds terugkerende dagelijkse vraag: ‘Ben je van Barça of Real?’ Binnen en tussen clubs herkennen de Barça (Messi) liefhebbers en/zelfs fanaten en de Real (Ronaldo) aanhangers elkaar.
Ook dat is ‘wij-zij’-denken maar op een wijze die verbindingen en scheidslijnen aanbrengt door families, teams, verenigingen, landen en dat daardoor op het zelfde moment leidt tot zowel bridging als tot bonding.
Ten slotte, maatschappelijke polarisatie of niet: veel van oudsher Nederlandse jongens zijn zo blij met hun zwembroekdragende Islamitische teamgenoten dat ze ook niet meer met hun blote billen onder de douche gezet hoeven worden door volwassenen. Sterker: veel voetballende kinderen zijn blij met hun hockeyende leeftijdgenoten. Het schijnt heel sjiek te zijn helemaal niet te douchen na de wedstrijd. En zo leren we ondanks onze verschillen en eigen identiteiten weer belangrijke dingen van elkaar waarbij bonding en bridging elkaar oproepen.
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.