25 april 2023
Opinie
door: Willem de Boer
Onlangs maakte NOC*NSF bekend dat Guido Davio per 1 juni de nieuwe directeur sportparticipatie van de nationale sportkoepel gaat worden. Davio gaat daarmee invulling geven aan de, vanuit maatschappelijk oogpunt, mogelijk belangrijkste functie bij de NOC*NSF. Zijn aanstelling als directeur (voorganger Richard Kaper droeg nog de titel ‘manager’) past in een tendens bij de sportbond om meer invulling en zichtbaarheid te geven aan de maatschappelijke waarde van breedtesport.
De aanstelling van Guido Davio komt geen moment te vroeg. Met de Sportagenda 2032 heeft NOC*NSF zichzelf een ambitieuze en brede maatschappelijke rol toebedeeld. Doelen zijn onder meer om in 2032 twaalf miljoen Nederlanders drie keer per week aan het sporten of sportief bewegen te krijgen en minimaal 80% van de jeugd een goede beweegvaardigheid te laten hebben. Dat zijn zeer ambitieuze stippen op de horizon. Om de sportdeelname te vergroten en beweegarmoede ook maar enigszins in die richting te krijgen is er heel veel werk aan de winkel.
Wetgeving werkt niet...
Dat werk begint in mijn ogen niet met het pleiten voor wetgeving over streefdoelen ten aanzien van het voldoen aan de beweegrichtlijnen, zoals Maurice Leeser op dit platform betoogde. Vooropgesteld: ik deel zijn uitgangspunt dat er veel meer bewogen moet worden en de frustratie dat daar veel te weinig actie op wordt ondernomen (door overheden, maar ook andere partijen). Wetgeving kan een waardevolle stok achter de deur zijn om partijen tot actie te laten overgaan. Voorwaarde is dan wel dat er een realistisch doel is én een duidelijk pad om daar te komen. Van beide is hier echter geen sprake.
De door Leeser aangehaalde ‘consensus’ dat in 2040 ‘75% van de bevolking voldoet aan de beweegrichtlijnen heeft in mijn ogen een zeer utopisch karakter. Er is bij mijn weten geen land ter wereld die maar in de buurt komt van die 75%. Het is eerder een soort wensdenken waar niemand tegen kan zijn, maar waar ook niemand zijn geld op zou zetten dat het gerealiseerd kan worden. En van een uitgewerkt plan is, ondanks alle goedbedoelde adviezen van de Nederlandse Sportraad en de verschillende Sportakkoorden, nog geen sprake.
Vraagkant lastig om te beïnvloeden
Leeser ziet in de stikstofwetgeving een positief voorbeeld van hoe je met wetgeving veel kunt bereiken. Dat is op zijn minst discutabel. Want alhoewel de wet mogelijk positief uitwerkt voor dat ene doel heeft het ook veel negatieve externe effecten op andere maatschappelijke gebieden, zoals de huidige woningnood. De beweegcrisis is echter in één belangrijk opzicht veel complexer dan een stikstof- of klimaatscrisis. Dat zijn namelijk problemen waar je wat aan kunt doen door aan de ‘aanbod’-knop te sleutelen. Minder koeien/vliegen/industrie betekent minder vervuiling en minder stikstof. Maar meer sportvelden/zwembaden/fitnesscentra betekent niet automatisch dat de beweegdeelname omhoog schiet. De ‘vraag’-kant is bij dit doel veel belangrijker dan de aanbodkant. Die vraagkant is alleen ook veel lastiger om te beïnvloeden. Tenzij wetgeving op gedrag wordt gericht (een beweegplicht), maar ik denk niet dat dat een maatschappelijk wenselijke richting is. Wetgeving is dus nu niet het begin van een oplossing voor de beweegcrisis. Als alle doelen eerst in een wet worden vastgelegd draaien we ons op een gegeven moment vast. Dat is al zichtbaar bij de stikstofwet, met negatieve gevolgen voor de sport omdat het de organisatie van sportevenementen in de weg zit en de aanleg van sportfaciliteiten belemmert. Wetgeving op één specifiek gebied kan de manoeuvreerruimte beperken om als samenleving in de breedte verder komen.
Beginnen met wetgeving gekoppeld aan een onrealistisch doel is dus het paard achter de wagen spannen. Er moet eerst een plan komen met een realistisch doel en een weg over hoe daar te komen. Wellicht is dat iets waar ook Guido Davio zich mee bezig kan houden. Misschien is het beter voor hem om met een thuiswedstrijd te beginnen. In de georganiseerde sport zijn er al verschillende issues waar de nieuwe directeur sportparticipatie mee aan de slag zou kunnen om de sportdeelname te vergroten. Als schot voor de boeg bespreek ik graag enkele hete hangijzers en suggesties voor de richting waarin hij oplossingen zou kunnen zoeken.
Sentiment peilen
Een eerste belangrijk probleem is: hoe ziet de vraag naar sport er uit? Voor een service- en belangenorganisatie als NOC*NSF waarbij ruim vijf miljoen leden zijn aangesloten (weliswaar indirect via de sportbonden) is het opmerkelijk hoe weinig zij weet over de huidige en potentiële klanten. Welke (niet-)sporter heeft welke wensen en behoeften en wie ervaart welke drempels? Om werk te maken van meer sportdeelname zou NOC*NSF, maar ook elke sportbond en idealiter elke sportvereniging, moeten weten wat haar leden willen en hoe het daar op in kan spelen. Vroeger ging dat bij elke club via de ALV, maar tegenwoordig volstaat een ALV niet meer als (enig) instrument om het sentiment van de leden te peilen. Een informatiesysteem waarbij elk lid elk jaar de mogelijkheid krijgt om het aanbod te beoordelen en aan te geven wat er mist of wat beter kan, helpt de sportsector om beter en sneller op de veranderende behoeften van sporters en vrijwilligers in te spelen. Aangevuld met een uitgebreid bevolkingsonderzoek, zodat ook de wensen en behoeften van niet-sporters in beeld komen, kan dit de basis vormen voor een toekomstbestendige sportsector.
Een tweede uitdaging is het vergroten van de instroom van sporters. Omdat juist in de sport geldt ‘jong geleerd is oud gedaan’ vormen kinderen en jongeren hierbij het natuurlijke startpunt. Een goed begin zou zijn om er voor te zorgen dat op de lagere school elk kind minimaal drie uur per week kan sporten onder leiding van een sport- en beweegprofessional. Daar zou elk kind goede motorische vaardigheden moeten leren en er achter moeten komen welke sport(en) het leuk vindt en wat bij hem of haar past. Een programma als Sportief Groot Worden is daarvoor een goed voorbeeld. Daarbij is een sterke verbinding tussen sportaanbieders en school nodig om dat in te bedden, zodat goed gedrag ook een goede gewoonte wordt. Bij het aanbod zouden sportverenigingen en andere sportaanbieders en BSO’s een belangrijke rol kunnen spelen. Gemeenten en met name buursportcoaches/combinatiefunctionarissen zouden een belangrijke verbindingsfunctie kunnen bekleden.
Doorstart
Het beperken van de uitstroom en het vergroten van de doorstroom in de sport is een derde punt waar een directeur sportparticipatie zich mee bezig zou mogen houden. Als een sport niet meer als 'leuk' wordt ervaren (een belangrijke motief om te sporten onder jongeren) moet dat niet eindpunt zijn, maar het begin voor een doorstart van de sportcarrière. Vooral het helpen van een sporter naar een andere sport die beter past bij de veranderde behoeften (door levensfases, tijdgebrek maar ook blessures) kan de uitstroom verkleinen. Zorg voor opvolging als iemand met een sport stopt of dreigt te stoppen.
Wat doorstroming bemoeilijkt is dat er weinig prikkels zijn: waarom zou een vereniging tijd en energie steken in iemand die juist daar niet meer wil sporten? Ook speelt concurrentie tussen verenigingen, sporten en sportbonden mogelijk een rol. NOC*NSF is bij uitstek de organisatie om - sportoverstijgend - werk te maken van het wegnemen van dergelijke obstakels. Het is daarbij ook zaak om als sportsector goed te luisteren naar de stoppers, om zo in de toekomst ook mogelijk uitval voor te kunnen zijn. Daarnaast is het belangrijk om ook nadat iemand gestopt is in contact te blijven, zodat terugkeer naar de sport zo gemakkelijk mogelijk is. Ex-sporters vormen immers het laaghangend fruit.
Met Guido Davio heeft NOC*NSF een ervaren bestuurder binnengehaald, met een mooi trackrecord. Om de doelen van Sportagenda 2032 in het vizier te houden is er een ondernemende geest nodig en iemand die zorgt voor verbinding en actie. Onder zijn leiding was Nevobo een dynamische, ondernemende bond. Zo ontwikkelde de bond het concept ‘superclub’, om zo de krachten tussen volleybalclubs te bundelen. Dat sluit aan bij het punt om op lokaal niveau meer verbinding te krijgen tussen verenigingen van verschillende sporten, bijvoorbeeld om de doorstroom te vergroten. Ook gaf Nevobo ruimte aan een ondernemende partij als Sportworx voor het (door)ontwikkelen van het concept van Queen & King Of The Court. Andere bestuurders hadden dit mogelijk als concurrent of bedreiging kunnen zien, maar Nevobo was juist één van de eerste en belangrijkste partners van het nieuwe concept.
Samenwerken, vernieuwen en ondernemen: met directeur Guido Davio lijkt NOC*NSF een beloftevolle keuze te hebben gemaakt om vol op de breedtesport in te zetten. We mogen niet van Davio verwachten dat hij de torenhoge ambities van NOC*NSF waar kan maken. Maar als hij er voor kan zorgen dat de georganiseerde sport beter een beter begrip heeft van, en meer in contact komt met, de huidige, potentiële en oud-sporters kan krijgen zet hij waarschijnlijk een belangrijke eerste stap naar een nieuwe bloeiperiode voor de Nederlandse sport.
Willem de Boer is als docent en onderzoeker verbonden aan HAN Sport en Bewegen van de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen, op het expertisegebied Sports Economics & Strategic Sports Management. Hij promoveerde in het voorjaar van 2022 op een proefschrift met de titel: ‘Sport as a medicine for health and health inequalities’. Daarin gaat hij dieper in op het verband tussen sportparticipatie en de kosten van de gezondheidszorg, maar ook op sociaal-economische verschillen op dat gebied. Voor meer informatie: Willem.deBoer@han.nl.
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.