11 december 2012
Opinie
In reactie op het overlijden van de grensrechter van Buitenboys B3 na excessief geweld door jeugdspelers van tegenstander Nieuw Sloten besloot de KNVB vorige week dinsdag om voor afgelopen weekend alle wedstrijden in het amateurvoetbal af te gelasten. Tijd voor bezinning, zo vond de voetbalbond die iedereen opriep om de gelegenheid te benutten om met elkaar te praten over het geweld op en rond de velden. Op het eerste gezicht is het een sympathiek en krachtig gebaar, want de maatregel treft in één klap niet minder dan 800.000 voetballers. Maar bij nader inzien is het toch veeleer een demonstratie van onmacht.
Tijdens de persconferentie in Zeist en in de verschillende praatprogramma’s op televisie bleek dat de KNVB ‘het niet meer wist’. Anton Binnenmars, directeur amateurvoetbal, erkende het ronduit. Hij stelde vast ‘dat iedereen zijn verantwoordelijkheid moet nemen’ en hoopte dat de gesprekken die overal in voetbalkantines gevoerd zouden gaan worden iets zouden opleveren. ‘Help ons’, zei Bernard Fransen, de voorzitter van de amateurtak van de bond. Iedereen die een goede suggestie had voor de aanpak van deze problematiek, moest zich vooral melden. De KNVB gaf aan niets na te laten om herhaling te voorkomen. Die intentie zou vast gedeeld worden door de clubs.
Ik hoop van harte dat het waar is. Dan heeft het overlijden van voetbalvader Richard Nieuwenhuizen toch nog enige zin. Maar ik ben er niet zo zeker van. De kans dat we na het voetballoze weekend weer tot de orde van de dag zijn gegaan is groot. Want ‘the game must go on’, de competitie gaat verder en in de hitte van de strijd wordt al gauw weer van alles getolereerd dat we liefst niet zouden zien gebeuren. We schudden het hoofd, kijken weg of bedekken het met de mantel der liefde want voetbal is emotie en strijd hoort erbij. Het is alles behalve denkbeeldig dat het noodlottige voorval wordt bijgezet in de reeks van incidenten die steevast enorm worden betreurd, maar niet leiden tot echt structurele maatregelen. Zo is het in de afgelopen jaren immers steeds gegaan. Of was het - zoals Het Parool in januari 2006 kopte - naar aanleiding van de zoveelste molestatie van een scheidsrechter, werkelijk ‘wachten op de eerste dode’?
De discussie over het geweld op en rond het voetbalveld wordt al vele jaren gevoerd. Ik heb er zelf ook een jaar of vijf (!) aan meegedaan in KNVB-verband. Van 2001 tot 2006 maakte ik deel uit van een adviescommissie van het bestuur Amateurvoetbal die zich over deze problematiek boog. Een paar archiefdozen met stukken herinneren daaraan. Als ik er doorheen blader word ik er bijna moedeloos van. Wat een verzameling goede bedoelingen en ideeën! Maar vooral: waarom is er in de praktijk eigenlijk zo weinig mee gebeurd?
En waarom weten we er eigenlijk nog steeds zo weinig van? Hoe vaak gaat het mis op het voetbalveld, en in welke mate dan? En wat is de trend? Wordt het erger, of lijkt dat alleen maar zo? Spelen de problemen meer in de voetballerij dan in andere sporten, of lijkt dat alleen maar zo omdat voetbal nu eenmaal op veel grotere schaal wordt beoefend? In hoeverre is het - zoals Wilders zo fijn suggereert - een Marokkanenprobleem?
Het SCP en het Mulier Instituut hebben de laatste jaren wel onderzoek gedaan naar onwenselijk gedrag in de sport maar hebben zich hoofdzakelijk beperkt tot het meten van percepties. Drie kwart van de Nederlanders signaleert een toename van onwenselijk gedrag in de sport, twee derde meent dat het er de laatste jaren grover en harder aan toe gaat (Van der Werf en van Kalmthout, 2011). En afgelopen weekend kwam EenVandaag op basis van een peiling onder vierhonderd jeugdvoetballers tot de conclusie dat 65 procent zelf wel eens agressie tegen de wedstrijdleiding heeft meegemaakt (jongerenpanel EenVandaag, 2012). Het zijn cijfers die de problemen onderstrepen maar geen bevredigende antwoorden geven op bovengenoemde vragen.
De KNVB heeft wel cijfers van tuchtzaken en die wijzen op een lichte verbetering van het klimaat op de velden. Maar helaas zijn die cijfers weer niet zo betrouwbaar omdat lang niet alle problemen geregistreerd worden. Officiële scheidsrechters rapporteren veel consciëntieuzer onrechtmatigheden dan clubscheidsrechters (vanwege sociale druk en administratieve rompslomp), maar die laatste categorie fluit het merendeel van de wedstrijden en het aantal wedstrijden met een officiële leidsman is in de loop der jaren steeds kleiner geworden.
Het voetbal is afgelopen week vaak vergeleken met rugby. Daar zou het er veel sportiever aan toe gaan. Ik geloof wel dat het zo is, maar laten we wel wezen, puur getalsmatig kan in het voetbal (met ruim 1,2 miljoen beoefenaars) ook veel meer mis gaan dan in het rugby (met minder dan tienduizend beoefenaars). Meer onderzoek zou ook hier eigenlijk wel gewenst zijn. Als het aan mij ligt zou een grootschalig empirisch onderzoek worden gestart naar het gedrag op en rond de velden. Waarom gaan we niet (bijvoorbeeld met inzet van heel veel studenten) bij honderden clubs in het weekend observeren en registreren wat er zoal gebeurt. Dat zou een objectief beeld geven en een dieper inzicht opleveren van wat er gaande is.
Dan dat etnische aspect. Eind jaren negentig is in het kader van een breder onderzoek naar oorzaken en gevolgen van etnische concentratie in de sport hier al eens wat onderzoek naar gedaan (Janssens, 1999). Toen kwam op basis van een kwantitatieve analyse van tuchtstraffen in het voetbal naar voren dat allochtone teams zich vaker schuldig maakten aan agressie in het veld, maar ook dat er een zekere vertekening in de beeldvorming was rond confrontaties van allochtonen en autochtonen omdat die agressie nog wel eens een reactie was op discriminatie die niet bestraft werd. Belangrijker nog, er werd voorzichtig geconcludeerd dat individuele allochtone voetballers niet vaker geschorst of beboet werden dan autochtone spelers. Het zijn oude onderzoeksgegevens. Kunnen we daar nu nog inzichten aan ontlenen? Het zou de moeite waard zijn om e.e.a. eens te herhalen.
Minstens even interessant zou het zijn om de relatie tussen clubbeleid en strafzaken te analyseren. Op basis van tuchtzaken kunnen clubs worden opgespoord die heel veel of juist heel weinig met strafzaken te maken hebben. Vervolgens kan dan worden gezocht naar verklaringen in het beleid van de clubs.
Maar na het drama in Almere zal de neiging om eerst nog eens rustig onderzoek te laten doen niet groot zijn. Want er moeten nu natuurlijk daden worden gesteld. Maar wat te doen?
Laat ik voorop stellen dat de KNVB zeker niet stil heeft gezeten in de afgelopen jaren. Er zijn wel degelijk initiatieven genomen. Er zijn strengere straffen ingevoerd, de identiteitskaart voor spelers is terug van weggeweest en er is een arsenaal voorlichtings- en bewustwordingsactiviteiten opgezet in het kader van de programma’s Sportiviteit & Respect en Veilig Sportklimaat die samen met NOC*NSF en een aantal andere bonden met veel subsidie van VWS zijn opgezet (zie Lucassen e.a. 2012). Exact tien dagen voor het noodlottige treffen van Buitenboys en Nieuw Sloten lanceerde de bond maar weer eens nieuwe campagne tegen verbaal geweld. Al met al is er eigenlijk best veel gedaan en het zal beslist ook enig effect hebben gehad. Maar de praktijk wijst uit dat het allemaal niet genoeg is. Het is te vrijblijvend. Het bereik van de maatregelen is te beperkt.
Er klonk in de afgelopen dagen weer een luide roep om harder straffen en lik-op-stuk, maar van strenger straffen gaat weinig preventie uit, dat wijst een internationale vergelijking van strafmaat en criminaliteitscijfers uit. Het houdt voetballers die zich misdragen hebben hooguit wat langer van het veld. Dat is natuurlijk prettig, maar het is goed dat de KNVB-voormannen (tot nog toe) de verleiding hebben weerstaan om meer repressie aan te kondigen. Preventie is belangrijker. Maar helaas maken lang niet alle verenigingen gebruik van het voorlichtings- en bewustwordingsaanbod van de bond en laat slechts een fractie van de vrijwilligers zich scholen (Lucassen e.a. 2012). Dat sommige voetbalclubs de bond nu nalatigheid verwijten is vanuit dat perspectief bezien nogal hypocriet en gemakzuchtig.
Juist de clubs vormen de zwakke schakel, want hoeveel van de 3.275 voetbalclubs in Nederland hebben nu echt werk gemaakt van sportiviteit en respect in de club? Hoeveel bestuurders zullen zich een beetje in deze thematiek hebben verdiept en daar een beleid op hebben ontwikkeld? Hoeveel procent van de trainers, coaches, scheidsrechters en grensrechters actief in het veld en langs de lijn, heeft voor de uitoefening van die taak enige opleiding genoten en heeft enige pedagogische of agogische bagage? Bijna al het werk in verenigingen, of het nu in de bestuurskamer gebeurt of op het veld, wordt gedaan door vrijwilligers die niet worden geselecteerd op basis van ervaring of deskundigheid. Erbij horen en bereid zijn om een taak te vervullen, is voldoende. Maar in de huidige omstandigheden waarin de druk op de sportvereniging intern (door het kader en de leden) en extern (door de bond, de concurrentie en de overheden) steeds groter is geworden, is dat niet (meer) toereikend.
Door het stelselmatig opschroeven van eisen en verwachtingen is er sprake van een toenemende werkdruk en complexiteit in het functioneren van verenigingen (Janssens, 2011). Dit gekoppeld aan een afnemende beschikbaarheid en inzetbaarheid van vrijwilligers, is het grote structurele probleem van de clubs. Ze zijn niet of nauwelijks opgewassen voor alle taken die ze hebben. Op het organisatorische en sporttechnische vlak zijn kwaliteit en continuïteit niet vanzelfsprekend en het vrijwilligerskarakter is een belangrijk en ook geldig excuus voor het ontbreken daarvan. Elke goedbedoelde poging om iets te doen aan de kwaliteit van het sportaanbod loopt daarop stuk. Een voorzichtige vorm van professionalisering ligt zo voor de hand. Dat kost geld en dus moet de contributie omhoog. Maar dat kan best. Het gemiddelde lid van een voetbalvereniging betaalt in Nederland niet meer dan € 100 per jaar aan contributie. Dat is een paar euro per week. Als er een betere begeleiding en organisatie tegenover staat, zijn sporters (en hun ouders) zelfs in deze moeilijke tijden vast bereid om meer te betalen.
De KNVB en de clubs moeten voor de aanpak van het geweld op en rond de velden niet naar elkaar wijzen, naar de samenleving of de ouders. Ze moeten samen optrekken. Hun inspanningen zouden in eerste instantie gericht moeten zijn op versterking van de verenigingsorganisatie. Dat soort inspanningen vragen een lange adem en zullen pas op termijn effectief zijn.
In de tussentijd kunnen er natuurlijk ook wel meer specifieke maatregelen worden getroffen of experimenten worden gedaan, want laat het nu niet blijven bij een bezinningsweekend en een stille tocht. Laat ik een greep doen uit de suggesties die afgelopen week in voetbalkantines, in praatprogramma’s en krantenkolommen, op Twitter en Facebook resoneerden. De meeste hiervan werden tien jaar geleden ook al geopperd, maar misschien is de tijd er nu wel rijp voor. Ze haken in op het voetbalgeweld in het algemeen en niet alleen op het specifieke voorval in Almere en hebben een structureel karakter.
• Zou het bijvoorbeeld niet goed zijn om in het voetbal een verplichte scheidsrechtercursus voor junioren in te voeren. In sommige takken van sport is dat heel gewoon. Het zou bij de voetbaljeugd het respect voor het gezag van de scheidsrechter bevorderen en de spelregelkennis opkrikken. En het zou heel veel extra goed opgeleide scheidsrechters opleveren.
• Verder zou erop kunnen worden ingezet dat boetes niet langer automatisch op de clubs worden verhaald maar rechtstreeks op de boosdoeners? Die kunnen nu vaak hun verantwoordelijkheid ontlopen en boetes afwentelen.
• Er zou een begin kunnen worden gemaakt met roulatie van clubscheidsrechters, zodat er niet overal thuisfluiters zijn. Die zijn niet altijd partijdig, maar hebben bijna per definitie de schijn tegen, waardoor beslissingen eerder worden aangevochten.
• Er zou kunnen worden geëxperimenteerd met wedstrijden zonder grensrechters, of met grensrechters die alleen maar mogen vlaggen als de bal over de zijlijn gaat. Want ook die grensrechters hebben altijd de schijn tegen, zijn nog wel eens partijdig en hebben hinder van het publiek langs de lijn.
• Waarom het spel niet eens proberen zonder buitenspel of voordeelregel? Het is de toepassing van die onduidelijke regels die steeds terugkerende problemen geeft (Zie ook Steenbergen c.s. 2010).
• Waarom geen zero-tolerance bij commentaar op de wedstrijdleiding? Het zou acceptatie van beslissingen vanzelfsprekender maken en onrust in de kiem kunnen smoren. Het zou ook duidelijkheid brengen waar deze nu ontbreekt, want waar de ene scheidsrechter veel tolereert, laat de ander weinig toe.
• Er zou geëxperimenteerd kunnen worden met verplichte deling van kleedkamers door teams die elkaar in het veld ontmoeten. In hockey gewoon – daar trakteert de thuisploeg de bezoekers zelfs nog op een hapje of drankje - in voetbal ondenkbaar. Het zou zomaar tot meer verbroedering kunnen leiden.
• Waarom geen proef met een verplichte spelregelcursus als alternatief voor een schorsing of geldboete? Is niet alleen repressief maar ook preventief.
• Waarom wordt er alleen bij de jeugd en in seniorenwedstrijden van de B-categorie met tijdstraffen gewerkt? Het werkt de-escalerend.
• Waarom worden scheidsrechters en clubs niet systematisch voorbereid op en begeleid bij risicowedstrijden? Excessen zijn geen natuurverschijnselen waartegen je jezelf als bond, club, coach en scheidsrechter niet zou kunnen wapenen.
• Waarom geen duidelijk duale opzet van de seniorencompetities (prestatief-recreatief)? Het voorkomt onbegrip en botsingen tussen teams die in de eerste plaats spelen voor punten dan wel plezier.
• Er zou geëxperimenteerd kunnen worden met een andere wedstrijdplanning. Zondagochtend vroeg op het veld zijn de gevolgen van de zaterdagse stapavond soms merkbaar. Het alcoholpercentage in het bloed is bij sommige spelers dan nog onacceptabel hoog.
• Waarom geen inzet van scheidsrechterscoaches in plaats van rapporteurs? Scheidsrechters staan er nu eigenlijk altijd alleen voor en kunnen morele steun en een klankbord goed gebruiken.
Het zijn stuk voor stuk vast geen afdoende initiatieven, maar sommige experimenten en maatregelen zijn de moeite waard en alle beetjes helpen. Ook zal voor elke oplossing wel een probleem te bedenken zijn. De druk op vrijwilligers wordt opgevoerd en leden krijgen meer verplichtingen. Dat kan zijn, maar als dergelijke maatregelen effectief zijn, bevorderen zij de veiligheid en de sfeer en worden vrijwilligers en leden ook niet langer weggejaagd.
Als het nu echt menens is voor de bond en voor de clubs, dan zou een pleidooi voor structurele maatregelen die de verenigingen versterken en een sportief verloop van wedstrijden en competities bevorderen toch eigenlijk gehoor moeten vinden.
Bronnen
• Janssens, J. (1999), Etnische tweedeling in de sport. Arnhem: NOC*NSF
• Janssens, J. (2011), De prijs van vrijwilligerswerk. Professionalisering, innovatie en veranderingsresistentie in de sport. Lectorale rede, Hogeschool van Amsterdam. Amsterdam: AUP
• Kalmthout, J. van & Werff, H. van der (2011), Minder klappen, meer applaus? Samenvatting: beeldvorming Nederlands publiek voorkomen onwenselijke gedrag in de sport. ’s-Hertogenbosch, W.J.H. Mulier Instituut
• Lucassen, J., Kalmthout, J. van, Steenbergen, J., Werff, H. van der, Smits, F. & Jong, M. de (2012), Je gaat het pas zien als je het door hebt... : conclusies en slotbeschouwing van de monitor samen voor sportiviteit en respect 2009-2012. Nieuwegein: Arko Sports Media
• Steenbergen, J., Hilhorst, J., Sluis, A. van de & Gijsbers, M. (2010), Samen voor Sportiviteit en Respect: analyse spel- en gedragsregels. Een rapportage in het kader van het programma ‘Samen voor sportiviteit en respect’. Nijmegen: Kennispraktijk
• Tiessen-Raaphorst, A., Lucassen, J. Dool, R. van den & Kalmthout, J. van (2008). Weinig over de schreef : een onderzoek naar onwenselijk gedrag in de breedtesport. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau
• Tiessen-Raaphorst, A & Breedveld, K. (2007). Een gele kaart voor de sport : een quick scan naar wenselijke en onwenselijke praktijken in en rondom de breedtesport. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau
Jan Janssens is lector Sport, Management en Ondernemen aan de Hogeschool van Amsterdam en vrijwilliger in de sport. Tot voor kort o.a. actief als trainer, coach, scheidsrechter en grensrechter in het jeugdvoetbal.Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.