8 oktober 2024
Opinie
door: Feike Tibben
‘Het gaat goed met onze vereniging, we hebben een stabiel ledenaantal en een flinke wachtlijst waar we nieuwe leden uit kunnen putten.’ ‘De instroom is goed dit jaar. De overtekening is niet meer zo hoog als net ná corona, toen hadden we drie keer zo veel aanmeldingen als waar we plek voor hebben, nu zitten we denk ik op zo’n anderhalf keer zo veel, dus vijftig procent meer aanmeldingen dat we plek hebben. Dus we kunnen nog steeds selecteren.'
Dit zijn zo maar wat citaten uit gesprekken met vertegenwoordigers van roeiverenigingen in de afgelopen weken. Het eerste citaat komt van een gewone ‘algemene’ roeivereniging in een middelgrote stad, het tweede van een studentenroeivereniging met net de intro- en kennismakingsperiode voor het nieuwe studiejaar achter de rug. Nu weet ik dat lang niet alle sportverenigingen in zo’n luxe ledenpositie zitten en best wat clubs en clubbestuurders hun stinkende best moeten doen om het hoofd boven water en het ledenaantal op peil te houden. Ik wil ook zeker niet snoeven: als roeisport zitten we in de omstandigheid dat we best veel in de belangstelling staan én nog lang niet een dekkend bereik hebben. Met 125 verenigingen zitten we als roeiers toch in een andere situatie dan bijvoorbeeld voetbal (3.000 verenigingen) of tennis (1.700 (clubs). Grosso modo zou je kunnen stellen dat verenigingen gedijen in - excuus - een schaarse markt.
Toch is hier wat vreemds aan de hand. We delen onder elkaar, in onze sportgemeenschap, onze passie voor de sport, we kunnen over bijna niets anders praten en zijn we er trots op dat onze sport drijft op vrijwillige, onbetaalde inzet. Maar terwijl je zou verwachten dat zulk enthousiasme, geestdrift en daadkracht leiden tot een ongebreidelde zendingsdrang om meer mensen te verleiden het water op te gaan, zie je meer reacties als hierboven: niet alles uit de kast halen om meer leden te trekken maar het ledenpotentieel vooral gebruiken als een kraantje om gedoseerd eventuele ledentekorten aan te vullen voor een ongewijzigd behoud van de vereniging.
Hoe luxe zo’n kwantitatief of kwalitatief deurbeleid voor sporters voor een afzonderlijke vereniging of sportbestuurder misschien ook is, hoe fijn het misschien voelt om als lid van een selecte groep te worden toegelaten, en hoe goed onderbouwd je als afzonderlijke vereniging ook hebt ingevuld dat jouw manier en schaal van sport aanbieden de beste is: ik denk dat we hiermee op verkeerde weg zitten. Door vast te houden aan 'we doen wat we deden' blijven te veel sporters aan de kant en blijft te veel sportpotentieel onbenut.
Sportend Nederland heeft grote uitdagingen: om een beweeginfarct te voorkomen zouden méér mensen moeten gaan sporten. De Sportagenda 2032 heeft het over twaalf miljoen mensen die minimaal drie keer per week sporten en sportief bewegen, zo'n vijftig procent meer dan nu. Dat bereiken we niet door de club, de clubleden, de cluborganisatie en clubbelangen centraal of zelfs maar door de sport as such centraal te stellen. De kracht van verenigingen om mensen te binden kán in de beweegambitie een sterke rol vervullen, maar hierbij past wel een aanbod dat de sporter meer centraal stelt. Commerciële sportaanbieders hebben dit beter begrepen. Bij hen zie je een grotere dynamiek in sportprogramma's en een groter spectrum aan soorten lidmaatschap. En het werkt. Hun aanwas is sterker dan die van verenigingen.
Wie nu denkt dat ik van m'n geloof ben afgevallen en dit een pleidooi is tegen verenigingen: geenszins. Wel vraag ik me af of het huidige construct uiteindelijk voldoende toekomstvast is. Zowel het vaste construct 'vereniging' als het stringente model 'sport', zijn wel heel star: zouden we niet veel meer toe moeten naar een fluïde organisatie waar de grenzen tussen 'binnen' en 'buiten' minder hard zijn, meer maatschappelijk geïntegreerd dan zoals nu georganiseerd in afgeschermde domeinen en zou deze niet meer gericht moeten zijn op sporters dan op de sport? Kortom: van sportvereniging naar beweging van sporters? Natuurlijk is zo'n model een uitdaging, bijvoorbeeld in relatie tot professionalisering, deskundigheidsbevordering en arbeidsmarktperspectief. Maar zou dit ook niet mooi toekomstperspectief zijn als we die vermaatschappelijking van beweging wel voor elkaar zouden krijgen? De ambitie van twaalf miljoen sporters vraagt om nieuwe wegen.
Feike Tibben is lid van het bestuur van de Koninklijke Nederlandse Roeibond. Hij heeft de portefeuille Roei-organisaties. In deze portefeuille ligt de focus op opleidingen, vrijwilligersmanagement en samenwerkingen. In het dagelijks leven is Tibben zelfstandig interimmanager.
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.