Go with Golazo
Sportknowhowxl
Home
Opinie
Trickle down

<em>Trickle down</em>

15 november 2022

Opinie

door: Feike Tibben

Trickle down. De kranten stonden er de afgelopen maanden vol van. Trickle down economics... Volgens dat plan zou de economie worden gestimuleerd als de bovenlaag meer gaat verdienen. De verdiensten van de top zouden naar beneden doorsijpelen door bestedingen en investeringen en zo iedereen ten goede komen en daarmee de economie een boost geven. Even zo snel als het opkwam verdween de term ook weer, maar het deed me er weer bewust van zijn dat we in de sport ook regelmatig vergelijkbare trickledown-geluiden horen. 

Prestaties aan de top zouden hele volksstammen stimuleren om ook te gaan sporten. Zeker als ‘we’ winnen. Een aantrekkelijke gedachte, waar ik mezelf ook wel op betrap. In de dagen na het zeer succesvolle WK in Račice - 11 (!) medailles denk ik vanuit m’n roeibubbel dat heel Nederland aan de buis gekluisterd heeft gezeten en verwacht ik iedere nog-niet-roeier bij de plaatselijke ‘roei’ naar binnenstapt, of toch minstens heel erg trots is dat we het WK roeien van 2026 naar Nederland hebben gesleept. Het is wel heel verleidelijk. Wat zou de eenvoud van zo’n ‘Quick win’ fijn zijn. 

XL38SportbesturenInDePraktijk-trickle-1Maar helaas, was het maar zo simpel. Want wat in het Verenigd Koninkrijk toch nog eventjes duurde voor de economische theorie werd ontmaskerd, is in de sport al in de jaren negentig ingezien: een één-op-één trickle down-effect bestaat niet. Maarten van Bottenburg heeft dertig jaar geleden deze sportmythe al doorgeprikt. En daarna is het ontbreken ervan nog vaak bevestigd. Dus, helaas: het Dumoulin-effect, het Dafne-effect, het Epke-effect of het Annemiek-effect, de impact van de Oranjeleeuwinnen… het effect is er niet. Soms worden na prestaties kleine effectjes gevonden, maar nooit groot of duurzaam. Misschien zijn Dafne, Sifan, Annemiek, Tom of Epke wel een inspiratie om te gáán sporten, maar onvoldoende om te blíjven sporten.

Succes als keerpunt
Een paar keer maar in de geschiedenis laat succes een keerpunt zien1. De rode draad hierbij lijkt te zijn dat een kleine, tot dan toe weinig zichtbare sport door prestaties bij het grote publiek bekend wordt en de sport vervolgens in staat is in snel tempo een infrastructuur uit de grond te stampen waardoor de sport toegankelijk en bereikbaar wordt voor een grote groep. Bij gevestigde sporten is zo’n ‘ontdekkings-effect’ er vanzelfsprekend niet. Vóór Ard en Keessie kende iedereen het schaatsen, vóór Dafne zagen we al successen in de atletiek, en ook vóór Epke luisterden we al naar Hans -‘hij staat’- van Zetten. Succes maakt dat niet anders. Heeft iemand trouwens al in beeld gebracht of in het huidige Max-tijdperk het aantal karters stijgt? 

Voor de breedtesporter die nu handenwrijvend maar denkt dat we juist moeten investeren in breedtesport om topprestaties te bereiken: helaas, het 'trickle-up effect' is al even beperkt. Een brede basis van sportparticipatie is geen garantie op sportief succes. Breed sporten leidt niet zomaar tot beter sporten. Landen met veel sporters zijn soms net zo verrassend weinig succesvol op toernooien als andersom.

"Een breed en geïntegreerd aanbod zorgt dat ieder wat van z’n gading kan vinden en sportcultuur een geïntegreerd onderdeel is van ons maatschappelijk leven"

Passend aanbod
Hoe kunnen we als sport dan wel steeds succesvol zijn in aantallen én prestaties? Laat ik een poging doen. Allereerst door te zorgen dat sport bereikbaar is. Goede en betaalbare voorzieningen waar je kunt sporten, dicht in de buurt. Behalve veelheid aan accommodaties is een ook een spreiding aan aanbieders en het beschikken over meerdere sportvormen gewenst. Zorgen dat mensen een manier van sporten kunnen vinden die bij hen past. Misschien kan een commerciële sportaanbieder een uitkomst zijn voor wie een vereniging te verplichtend vindt of past bij een ander een beweeg-app en sporten in de directe leefomgeving. Een breed en geïntegreerd aanbod zorgt dat ieder wat van z’n gading kan vinden en sportcultuur een geïntegreerd onderdeel is van ons maatschappelijk leven. 

Die brede beweeg- en sportcultuur en een grote variëteit aan organisatievormen is een prachtige basis. Gaan we dan niet de focus op prestaties verliezen, wordt de soep dan niet te dun met al die nieuwe sportvormen, al die verschillende soorten aanbieders en ook nog eens sporten op te veel locaties? Moeten we niet focussen op een paar sporten? Ik geloof het niet. Kijk bijvoorbeeld eens naar de recente successen van de baanwielrenners: een flink aantal komt uit de ‘bicycle motocross’ (BMX). Wie in de jaren zeventig zou hebben gekeken naar de film On any sunday  kon niet bedenken dat dit gespeel op kinderfietsjes vijftig jaar later aan de basis zou liggen van mondiaal succes op de wielerbaan.

Of zie de resultaten van onze shorttrackers of skeeleraars bij het schaatsen: beide sportvormen werden door onze langebaanschaatsers vooral gezien als middel om aan je bochten te werken of de zomer te overbruggen, maar zorgen inmiddels voor interessante cross-overs en leveren bovenal klinkende resultaten op hun eigen vlak. Of kijk meer recent naar de ontwikkeling van het skaten, free runnen of boulderen: Sporten die ‘op de straat’ zijn begonnen en nu volop in de ontwikkeling zijn naar topsportniveau en in hun aanpak en benadering andere sporten en andere sporters inspireren. 

"Wie verder kijkt ziet een uitdaging die niet minder leuk is en minstens zo verrassende resultaten levert"

De uitdaging is al die nieuwe sporters op te vangen, plezier te bieden, talenten ontdekken en sporters in een veilig klimaat gericht gelegenheid geven tot rijpen en doorontwikkelen. Dat is een stuk weerbarstiger en minder romantisch dan de simpele formule ‘topsport als inspiratie voor allen’ en ook een stuk moeilijker dan het even snel zorgen voor bereikbare en beschikbare sportvoorzieningen of een andere quick fix. Het vraagt naast die investeringen een rijke basis een positieve, structurele en professionele structuur van kundige samenwerkingen op alle niveaus. Saai? Stroperig? Wie verder kijkt ziet een uitdaging die niet minder leuk is en minstens zo verrassende resultaten levert. 

Noot
Met dank aan allesoversport.nl, ‘Doorbraak-overwinningen’ in de Nederlandse sport:

  • Hockey in 1928: De mannen van de Nederlandse hockeyploeg halen de olympische finale. Daarna stijgt het aantal nieuwe verenigingen in Nederland gedurende een aantal jaren met meer dan 13 per jaar.
  • Schaken in 1936: Max Euwe wint de wereldtitel. In de vijf jaar daarna groeit het aantal schaakclubs met meer dan 300.
  • Judo in de jaren zestig: Anton Geesink wint in 1961 de wereldtitel en in 1964 de olympische titel. Het aantal judoverenigingen groeit vervolgens in zeven jaar tijd van 36 naar 110.
  • Darts in 1998 en 1999: Na de successen van Raymond van Barneveld verdubbelt het aantal darters in 10 jaar tijd.

Feike Tibben is lid van het bestuur van de Koninklijke Nederlandse Roeibond. Hij heeft de portefeuille Infrastructuur en Innovatie. Samengevat betekent dat aandacht voor: nieuwe roeiverenigingen, nieuw roeiwater, nieuwe sportvormen, nieuwe doelgroepen en nieuwe samenwerkingen. In het dagelijks leven is Tibben zelfstandig interimmanager.  

Deel dit bericht:

0 reacties

Nog geen reacties. Wees de eerste!

Voeg je reactie toe

Meer over:

Blijf op de hoogte

Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de 
belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.