24 juli 2012
Opinie
door: Paul Ruijsenaars
De Olympische Spelen vormen het ultieme platform voor sporters om zich met elkaar te meten, een vierjaarlijks feest voor sporters wereldwijd. Tot dat feest behoort ook het ethische ritueel dat het IOC daar tijdens de openingsceremonie aan geeft: de Spelen als toonbeeld van eerlijkheid, sport als gezonde activiteit, sporters als rolmodellen. Hoe gezond en eerlijk gaat het toe in de topsport?
Dinsdag 24 juli ga ik naar de Olympische Spelen. Op de fiets naar Londen, als deelnemer in de Oranjetoertocht. Want de kans om vanuit mijn woonplaats Utrecht naar de Olympische Spelen te fietsen, die is uniek. Die krijg ik nooit meer. In 2004 was ik ook een week bij de Olympische Spelen in Athene, toen als ambassadeur van Right to Play, waarbij ik in de gelegenheid was een dag in het Olympisch Dorp de sporters te zien en te spreken.
Vooral de grote tent waarin diverse buffetten waren opgesteld heeft toen indruk op me gemaakt: de honderden atleten die daar bij elkaar waren en met elkaar aten, allerlei nationaliteiten door elkaar: dat deed me sterk terug denken aan mijn eigen deelname aan de Universiade in Moskou (1973, basketbal): de bijzondere sensatie om samen te zijn, te praten, te dollen en te eten met honderden sporters uit andere landen, andere disciplines. Het verschil tussen de ontspannen lachende koppies van degenen die klaar waren, de focus bij degenen die nog ‘in de race’ waren. Precies datzelfde ervoer ik in Athene die dag.
Olympische Spelen: een sportfestijn dat vermarkt is
Wat de Spelen voor de sporters zijn contrasteert met wat de marketeers van het IOC ervan hebben gemaakt. De aanwezigheid van tv’s in alle huishoudens betekende in de zeventiger jaren de opkomst van de sportsponsoring. Sinds die tijd worden de Spelen – maar ook de Tour de France en belangrijke Europese en wereldkampioenschappen - gedomineerd door de grote tv-zenders. Topsportcontests worden contractueel zodanig dichtgetimmerd dat optimaal tegemoet wordt gekomen aan de belangen van die zenders en van de grote sponsoren.
Het oorspronkelijke internationale sportpodium van atleten die dankzij hun eigen trainingsarbeid op topniveau zijn gekomen is voor hun pas toegankelijk na de ondertekening van contracten waarmee zoveel mogelijk wordt afgedekt dat het HD-media-event vlekkeloos verloopt. Ze moeten zich conform hun contracten gedragen als rolmodellen voor de eigen vlag en natie, ze moeten contractueel op afroep beschikbaar zijn voor de eigen nationale tv-zenders. De sportieve agenda is ondergeschikt gemaakt aan de wensen van wereldwijde tv-belangen en commercie.
Toen ik deelnam aan de Universiade werd die ondergeschiktheid van sporters en sporten aan nationale doelstellingen als verwerpelijk beschouwd: dat zag je toen namelijk vooral in de Oostbloklanden. Toen was het ondenkbaar dat de ‘medaillespiegel’ bepaalde of een sporter uit een westers land zou kunnen deelnemen of niet. Dezer dagen worden sporters streng geselecteerd en moeten ze allerlei contractuele verplichtingen aangaan, zodat ze zich als marionetten onderwerpen aan de vereisten van een vlekkeloze world wide tv-show. De atleten bevinden zich nadat ze zich hebben weten te plaatsen ineens in een context waarbinnen ze vermarkt gaan worden: hun sport wordt vermarkt en daarbinnen de sporters zelf. Ze worden dus eigenlijk gebruikt als mediagenieke objecten, die er liefst ook nog sexy bij moeten lopen. Onder de retoriek van heldendom gaat vulgarisatie schuil, want die helden mogen genadeloos te kijk worden gezet en afgeschreven. Zie de bejegening van de voetballers en de Nederlandse wielrenners afgelopen weken.
Topsport: niet eerlijk
Als topsporter weet je dat sport niet eerlijk is. In Athene waren in de gym en op de buitenvelden sporters uit alle hoeken van de wereld met elkaar bezig met laatste voorbereidingen. Ik sprak atleten uit Kameroen die zeiden dat de accommodaties in het westen en helemaal in het Olympisch Dorp voor hun ongekend waren. Ik zag laatst op het journaal atleten uit Ethiopië tussen de geiten op de atletiekbaan hun trainingsrondjes lopen. Erbarmelijke faciliteiten worden tegelijk bijna weer gecompenseerd door jaloersmakend DNA-materiaal van de atleten uit de Afrikaanse landen. Kamiel Maase wist maar al te goed dat hij op de marathon nooit tot de wereldtop zou kunnen behoren. Henk Kraaijenhof zou zeggen: ‘Hij had de verkeerde ouders.’
Daarom is topsport nooit eerlijk. Sporters weten dat en maken daar ook geen punt van. De dagelijkse beelden uit de Tour de France bevestigen dit eveneens: renners die tot tien kilometer voor de streep elkaars steun zijn, worden elkaars concurrenten: wie het leepste is en zich het minst laat weerhouden door eerlijkheidsethiek die rijdt precies alleen de beslissende paar meter op kop: de meters over de finishlijn.
Topsport en gezondheid: dubbele moraal
Diezelfde Tour heeft ook de schaamlap weggetrokken die de grote sportorganisaties zichzelf voor houden, als zouden zij de gezondheid en andere belangen van sporters zo belangrijk vinden. Johnny Hoogerland lag op 10 juli 2011 tien minuten in zijn bloedende blote kont, maar de ASO als organisator/hoofdaannemer van de Tour staat al een jaar lang in al haar onbeschaamde naaktheid omdat de ASO verklaart zichzelf niet aansprakelijk te achten voor de schade die deze renner is aangedaan. Stel je voor dat de hoofdaannemer van het stadion van FC Twente de aansprakelijkheid voor het instorten van het dak van de in aanbouw zijnde nieuwe tribune net als Prudhomme zou afschuiven op de onderaannemer die daar ook bezig was. Ondenkbaar.
Toch kan in de sportwereld de organisator zich deze opstelling permitteren, terwijl hij zijn wettelijke verplichtingen drommels goed kent. In de sport kunnen de Prudhomme’s misbruik maken van de vergaande afhankelijkheid van de sporters: ze zijn voor hun broodwinning overgeleverd aan de machtige organisatoren, die alleen gevoelig zijn voor commerciële en mediabelangen. Het Bosman-arrest liet in 1995 al zien hoe een sporter wordt gedwarsboomd en beschimpt door de eigen sportbond als hij zijn gelijk haalt door naar de rechter te stappen. Als Hoogerland naar de rechter stapt beperkt het risico zich niet tot zijn persoon: hij riskeert de uitsluiting van zijn hele ploeg van deelname aan de Tour: ultiem toonbeeld van de wurggreep en van de rechteloosheid waarin de sporter zich bevindt bij de uitoefening van zijn beroep anno 2012. En tegelijk een voorbeeld van hoe treurigmakend onachtzaam, arrogant en oneerlijk er wordt omgesprongen met de gezondheid en de rechtspositie van topsporters.
Verantwoordelijkheid organisatoren schiet tekort
Medisch specialist Alexander van Straten reageerde op 11 juli jl. in de Volkskrant op wat hij in de Tour zag gebeuren: een week lang elke dag valpartijen, niet alleen allerlei schaafwonden en pleisters, maar renners die met een gebroken heup of zelfs met ernstige schade aan nieren, milt en longen weer op de fiets klimmen. Hij plaatst de volstrekt tekort schietende medische verantwoordelijkheid van de organisatoren tegenover de ogenschijnlijke zorg van de sportwereld voor de gezondheid van topsporters die in de dopingbestrijding tot uiting wordt gebracht. De valpartijen lijken voor het event, voor de televisiekijker en dus ook voor commentatoren/praatprogramma’s de spectaculaire momenten te zijn ‘die bij de eerste week horen’.
Zo hoor je ook de renners zelf. Je zou het een paar duizend jaar geleden ook gladiatoren voor de camera kunnen horen zeggen: ‘Opgevreten worden door de leeuwen, of tot bloedens toe gestoken, gesneden, geslagen worden, het hoort bij mijn beroep.’ De ASO wijst de eigen verantwoordelijkheid af, zich verschuilend achter de renners die door willen fietsen. Prudhomme vertelt dat hij Hoogerland zo’n geweldige sporter vond omdat hij toch weer op zijn fiets was geklommen, en dat zijn evenement dankzij die val - die zo spectaculair door zijn mediapartner in beeld was gebracht - zo’n enorme aandacht in de wereldpers en op Youtube had gekregen. En hij laat hem verder barsten.
Ik heb eerder op deze site gewezen op het risico van dat grensoverschrijdende gedrag van topsporters, als gevolg van de stresshormonen die juist ook na een valpartij door hun lichaam jagen. Triest dat ik mijn gelijk afgelopen weken weer zo in beeld zag komen. De kern van de zaak is dat professionele sporters en topsport producten zijn die vermarkt worden door sportbonden, ze moeten het leuk doen voor de camera’s, moeten er lekker uitzien, liefst ook nog goed presteren, maar dat laatste is niet perse nodig. Ellende die in beeld wordt gebracht, die verhoogt immers ook de kijkcijfers. De praatprogramma’s op tv varen er wel bij.
DNA van de topsport: een vitale en een fatale spiraal
Het DNA van de moderne topsport bestaat uit twee spiralen die als een echt DNA in elkaar zijn gedraaid: enerzijds de vitale spiraal van de sporters zelf en anderzijds de fatale spiraal van de grote sportbonden en het IOC. Die van de sporters is vitaal omdat altijd jonge mensen zich zullen laten inspireren door hun idolen in hun sport. Voorheen waren organisatoren zich nog wel bewust van de primaire rol van de sporters in de sport en van de eigen dienende en faciliterende rol, behulpzaam om buiten de lijnen de sport te ontwikkelen.
Ze vormden in die rol een onderdeel van de vitale spiraal. Maar ze hebben zich laten verleiden door het grote geld van hun mediapartners en hun sponsoren. Ze acteren alsof zij zelf de primaire rol hebben in de sport, en ze hebben de sporters in de positie gebracht waarin ze vermarkt worden: gebruikt worden in marketingstrategieën van de marketeers in de sportburelen. De voormalige dienende facilitators hebben een fundamentele draai gemaakt en waardoor ze een fatale spiraal zijn geworden in het DNA van de sport. Fataal omdat gezondheid en rechtspositie van sporters van ondergeschikt belang zijn gemaakt. Een fataal omdat de marketeers de topsport als zodanig verzieken met het primaat van zakelijke belangen en commercie.
‘Paul, hoe kun toch tegelijk zo optimistisch blijven, en van topsport blijven houden?’, wordt me menigmaal gevraagd, wanneer ik anderen spreek over actuele kwesties in de sport. Want sommige sportvrienden hebben zich verbitterd afgewend van de topsport. Mijn optimisme is gebaseerd op mijn verbondenheid met de vitale spiraal, met het vertrouwen in de veerkracht en vitaliteit van de sporters; mijn vertrouwen is ook gebaseerd op het toenemende besef van de eigen kracht en de groeiende macht bij de sporters, die bijvoorbeeld ook tot uitdrukking komt in de groei en de acties van de vakbond EU Athletes. En mijn vertrouwen is tot slot ook gebaseerd op het feit dat de fatale spiraal zich alsmaar onbeschaamder als verziekende potentaat manifesteert en daarmee zichzelf tegelijk alsmaar herkenbaarder en dus ook kwetsbaarder maakt.
De toekomst is aan de sporters. Daarom ga ik genieten van topsport, daarom ga ik fietsen naar Londen!
Paul Ruijsenaars is sinds 1995 zelfstandig ondernemer met een advies- en coachingsbureau voor de sportwereld en het bedrijfsleven. Hij geeft advies over aanvaardbaar veilige sport- en werkomstandigheden, en over performance en stressmanagement in intensieve samenwerkingsvraagstukken. Hij is managing partner van Prisma, Praktijk voor Therapie en Coaching, met vestigingen in Utrecht en Amsterdam. Bestuurlijk is hij sinds de natuurijswinter van 2011-2012 actief als voorzitter van de Vereniging van Marathonsponsoren in de Schaatssport. Hij is als basketballer oud-international (25 interlands) en is afgestudeerd als sociaal-psycholoog.
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.