Go with Golazo
Sportknowhowxl
Home
Opinie
Top 10 positie moet niet alleen gaan over het aantal olympische medailles

Top-10 positie moet niet alleen gaan over het aantal Olympische medailles

28 september 2010

Opinie

door: Sjak Rutten

De Nederlandse sportbonden en NOC*NSF hebben plannen opgesteld om Nederland een structurele plaats in de top-10 van sportlanden te bezorgen. De opstelsom van die plannen betekent dat zij inzetten op 82 olympische medailles in 2020 - waarvoor een topsportbudget van 195 miljoen nodig is - een verdrievoudiging ten opzichte van het huidige bedrag. Het meest omstreden element is de verdeling, waarbij de acht sportbonden die in het verleden de meeste medailles hebben binnengebracht, een voorkeursbehandeling lijken te krijgen.

Het plan bevat een heleboel goede dingen. Te prijzen valt de poging om te proberen om het begrip structurele positie in de top-10 handen en voeten te geven. Wat is er nodig en wat kost dat? Daardoor wordt de Nederlandse sportwereld gedwongen om helder te maken wat een top-10 positie is. Waar het in het plan Nederland in de top-10 om gaat is een topsportklimaat en een topsportcultuur tot stand te brengen. Dat wordt vertaald in de kwantitatieve doelstelling om structureel in de top-10 van de medailleklassementen van de Olympische zomer- en winterspelen en de paralympische zomerspelen te staan. Over die operationalisering kan volgens NOC*NSF geen discussie bestaan: ‘De olympische medailleverdeling is de enige medaillespiegel waar de Nederlandse sport één keer per twee jaar na de Olympische zomer – en winterspelen op haar top 10-ambities wordt afgerekend’.

Mijn bezwaar is dat op de vertaling van een topsportklimaat en topsportcultuur in eerst een top-10 ambitie en vervolgens deze top-10 ambitie weer in het aantal gewonnen olympische medailles, wel degelijk het een en ander valt af te dingen. Natuurlijk is het aantal behaalde olympische medailles belangrijk. Dat draagt bij aan de nationale trots van ons land. Als sportliefhebber schaamde ik me dood over de Nederlandse sportprestaties eind jaren zeventig. Op de Olympische zomerspelen van 1976 en 1980 haalde Nederland geen enkele gouden medaille en bleef de totale medailleoogst beperkt tot acht schamele plakken. Dan smaakt Sydney met 25 medailles, waarvan twaalf gouden, in 2000 inderdaad beter. Maar kwantiteit is niet zaligmakend. De DDR stond diverse malen bovenaan in het medailleklassement van de Olympische spelen, maar het lijkt me duidelijk dat de DDR-sportcultuur niet is wat het Nederlandse volk en NOC*NSF voor ogen staat. Het gaat dus om iets anders dan alleen aantallen.

Het aantal medailles is niet alleen afhankelijk van talentvolle sporters, maar ook of deze sporters actief zijn in sporten waar ze meerdere medailles kunnen verdienen. Het succes in Sydney komt voor het overgrote deel op het conto van drie sporters: Inge de Bruin, Leontien van Moorsel en Pieter van den Hoogenband, die sporten beoefenen waarin ze meerdere nummers konden winnen. Michael Phelps won in Peking acht gouden medailles, eentje meer dan de hele Nederlandse ploeg bij elkaar. Focussen op sporten waarin je veel medailles kunt winnen lijkt vanuit de top -10 doelstelling gewenst, maar we zullen het er toch over eens zijn dat de kwaliteit van een medaille ook moet tellen. De gouden volleybalmedaille uit Atlanta werd niet voor niets gekozen tot het sportmoment van de twintigste eeuw. De gemiddelde Nederlandse sportliefhebber moet zijn geheugen pijnigen om drie van de zeven Olympische winnaars uit Peking te kunnen noemen, maar de volleyballers uit 1996 staan nog collectief op ons netvlies. 

Een ander bezwaar tegen het vertalen van topsportklimaat en topsportcultuur in medailleaantallen op de Olympische Spelen heeft te maken met het feit dat veel van de grootse Nederlandse sportmomenten los staan van de Olympische Spelen. Natuurlijk: een groot deel van de hoogtepunten uit de Nederlandse sportgeschiedenis is op de Olympische Spelen gerealiseerd. Pieter van den Hoogenband, Inge de Bruin, Leontien van Moorsel, Fanny Blankers Koen, Ard Schenk, Yvonne van Gennip en Anky van Grunsven maakten daarbij vooral indruk door het grote aantal medailles.

Maar ook Olympische prestaties zoals die van Anton Geesink die de Japanners in eigen huis versloeg, Sjoukje Dijkstra die Nederland de eerste gouden medaille op de winterspelen bezorgde, het succesvolle gouden project van de Holland acht in Atlanta en de fenomenale eindsprint van Ellen van Langen in Barcelona staan in het collectieve Nederlandse sportgeheugen gegrift.

Maar minstens evenveel historische prestaties uit de nationale sportcanon hebben niets met de Olympische Spelen te maken. De tweede plaatsen van het Nederland voetbalelftal in 1974, 1978 en 2010, het winnen van het EK voetbal in 1988, de Europacup I- en Championsleague overwinningen van Feyenoord, Ajax en PSV, de touroverwinningen van Jan Janssen en Joop Zoetemelk en de Wimbledon overwinning van Richard Krajicek spreken meer aan en zijn ook belangrijker voor de Nederlandse sport dan de meeste Olympische titels.

Kortom, topsportklimaat en topsportcultuur valt niet alleen af te meten aan het aantal Olympische medailles. Waaraan wel, dat vereist nog de nodige discussie. Er moet een uitwerking worden gevonden die beter past bij de Nederlandse sportcultuur. Dat zal nog niet meevallen, maar het moet mijns inziens gaan om veelzijdigheid op een hoog niveau. Een ambitie om op driekwart van de Olympische sporten mee te doen, met handhaving van de eis dat ‘we’ alleen meedoen bij een reële kans op een finaleplaats (geen uitzondering voor tennissers) draagt veel meer bij aan het stimuleren van de Nederlandse sportcultuur dan het verhogen van het aantal medailles, ook al worden die op onbeduidende nummers behaald.
 
‘Teaching to the test’ is een bekend verschijnsel in het onderwijs. De cito-toets is ooit ingevoerd om te kijken welke vorm van voortgezet onderwijs voor een kind het meest geschikt is. Sinds de Onderwijsinspectie de gemiddelde citoscore ook gebruikt als maat voor de kwaliteit van een school, gaan scholen zich hiernaar gedragen. Er wordt meer getraind voor de cito-toets en de zwakste leerlingen mogen niet meer meedoen. Wat bedoeld was om een impuls te geven aan de onderwijskwaliteit gaat een eigen leven leiden en zorgt binnen een aantal jaren tot verschraling van het onderwijsprogramma. ‘Teaching to the test’ is een reëel gevaar voor de top-10 ambitie.

Want wat gaan we doen als Nederland in Londen 2012 niet in de top -10 staat? Gaan we dan investeren in handboogschieten, worstelen en gewichtheffen? Investeren we dan minder in de teamsporten omdat daar toch maar maximaal twee medailles te halen zijn? Dat zou volkomen haaks staan op de Nederlandse sportcultuur. Dragen teamsporten niet veel meer dan handboogschieten of gewichtheffen bij tot belangrijke maatschappelijke doelstellingen als het tegengaan van overgewicht, het stimuleren van sociale cohesie via het verenigingsleven en het bevorderen van vaardigheden als samenwerken en leren incasseren bij de jeugd?

Kortom, als een plaats in de medaille top – 10 van de Olympische spelen een doel op zichzelf wordt, dreigen we het bevorderen van een meer ambitieuze sportcultuur met het badwater weg te gooien. Trouwens, waar komt het steeds terugkerende verhaal vandaan dat een plaats in de medaille top -10 een absolute voorwaarde is om kans te maken op het organiseren van de Olympische spelen in 2028? In 2016 organiseert Rio de Janeiro de Olympische Spelen. Brazilië heeft nog nooit in een top–10 van de olympische medailleverdeling gestaan. Brazilië heeft wel een aansprekende sportcultuur. Een reden te meer om nog eens goed na te denken over de invulling van die top -10 ambitie.

Sjak Rutten werkt als adviseur/projectleider bij Sardes, een adviesbureau dat vooral actief is op de terreinen onderwijs, welzijn en jeugdbeleid.

Deel dit bericht:

0 reacties

Nog geen reacties. Wees de eerste!

Voeg je reactie toe

Meer over:

Blijf op de hoogte

Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de 
belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.