door: Sjak Rutten
Het was tien jaar lang eenvoudig om de winnaar te voorspellen wanneer Esther Vergeer de baan opreed. Zij won vanaf 2003 tot haar afscheid 564 partijen rolstoelstennis op rij. Het is veel moeilijker te voorspellen wie op 29 september in Florence wereldkampioen wielrennen op de weg wordt. Vraag aan wielerdeskundigen om dertig kanshebbers op een rij te zetten, dan zit de winnaar er hoogstwaarschijnlijk wel bij. Maar wie uiteindelijk de regenboogtrui om de schouders krijgt wordt bepaald door de grilligheid van het koersverloop. Voor de winnaar zal die dag alles mee moeten zitten.
De uitkomst van een sportwedstrijd wordt net als de meeste andere menselijke activiteiten bepaald door een combinatie van vaardigheid en geluk. Het starten van een onderneming, het doen van investeringen, het schrijven van een beststeller, het winnen van een oorlog, het uitvoeren van een operatie, het afleggen van een examen, er is altijd sprake van een combinatie van ‘skill en ‘luck’. De Amerikaanse econoom Michael J. Mauboussin heeft onlangs een standaardwerk geschreven over de verhouding tussen kunde en geluk in vele maatschappelijke sectoren, waaronder de sport1. Zijn inzichten zouden niet zonder gevolgen moeten blijven voor het selectiebeleid voor kampioenschappen en het hanteren van limieten.
'Skill' staat bij Mauboussin voor de bekwaamheid van een individu om zijn vermogens effectief en op het juiste moment in te zetten voor het leveren van een prestatie. 'Luck' heeft te maken met externe omstandigheden die mee of tegen kunnen zitten. Je kan meer of minder geluk hebben of zelfs ronduit pech.
Mauboussin hanteert een eenvoudige basisformule. De uitslag van een sportwedstrijd is de optelsom van a*skill + (1-a)*luck. Dus als een uitkomst voor negentig procent is bepaald door iemands vaardigheid en voor tien procent door geluk schrijf je dat als volgt: uitkomst = 0,9*skill + (1–0,9)*luck. Hoe groter de a, hoe groter de rol van de vaardigheid van de sporter of het team en hoe kleiner de a, hoe groter de rol van de geluksfactor is. Bij alle menselijke activiteiten ligt de a tussen de 0 en de 1. Bij enkele activiteiten is a gelijk aan nul en de geluksfactor dus 100%.
Denk aan een loterij. Mauboussin´s vuistregel: het kenmerk van een activiteit met een geluksfactor van 100% is dat je niet opzettelijk kunt verliezen.
Mauboussin haalt zijn voorbeelden uit de Amerikaanse sport. Zo komt hij door een vergelijking van databestanden uit de vier grote spectator sports tot de conclusie dat uitslagen het minst door geluk worden bepaald in het basketbal. Daarna komen op afstand ijshockey en baseball en de minst voorspelbare uitslagen vind je in het American football. De oriëntatie op de Amerikaanse sporten - die in Europa slechts door een handvol insiders worden gevolgd - maakt het boek minder aantrekkelijk voor de Nederlandse lezer. Omdat zijn visie van belang is voor het voorspellen van sportresultaten licht ik de belangrijkste inzichten toe aan de hand van voorbeelden uit de Nederlandse en Europese sport.
Geluk speelt een grotere rol in teamsporten
Sportprestaties kun je in een continuüm zetten tussen 0 en 1. Hoe dichter bij de 1, hoe kleiner de rol van het geluk. Bij schaken speelt de geluksfactor een geringe rol. Ook de uitslagen van hardlopen en tennis zijn in hoge mate voorspelbaar omdat de skill-factor groot is. Esther Vergeer is een extreem voorbeeld, maar er zijn lange reeksen overwinningen bekend van anderen. Navratilova won 74 partijen achter elkaar en bij de mannen heeft Djokovic het record met 43 partijen op rij. Edwin Moses bleef tien jaar en 122 wedstrijden achter elkaar ongeslagen op de 400 meter horden, de langste serie ooit in de atletiek. Zo’n lange reeksen kom je in teamsporten niet tegen. De langste reeks gewonnen wedstrijden in de eredivisie staat op naam van PSV met 22 overwinningen en Spanje heeft de langste reeks voor landenteams met 15 overwinningen op rij. Lange reeksen wijzen op een kleine rol van de geluksfactor.
Knockoutsystemen leveren meer verrassingen op
Ook de wedstrijdvorm speelt een belangrijke rol bij de kans dat niet de beste maar de gelukkigste wint. In een volledige competitie wint bijna altijd de sterkste en vaak kan die zich een slechte start veroorloven. In een knock-outsysteem is iedere nederlaag fataal omdat die niet meer goed gemaakt kan worden. Daarom zijn poulewedstrijden in de Champions League verschrikkelijk saai en voorspelbaar. Het begint het pas leuk te worden vanaf de laatste zestien.
Tussenvormen tussen competities en knockoutsystemen zijn playoffs. In een playoff van zeven wedstrijden heeft de sterkste ploeg aanzienlijk meer kans om te winnen dan in een playoff van drie. Dat komt omdat een ploeg tijdelijk kan uitstijgen boven zijn gemiddelde niveau, maar op den duur altijd weer op dat gemiddelde niveau gaan presteren. Dat is de statistische wet van regressie naar het gemiddelde. Weinig mensen geloven dat PEC Zwolle landskampioen kan worden ondanks winst in de eerste vier competitiewedstrijden.
Hoe meer tegenstanders hoe onvoorspelbaarder
Om een wedstrijd te winnen heb je meer geluk nodig naarmate je te maken hebt met meer tegenstanders en deze tegenstanders bovendien de mogelijkheid hebben om samen te spannen. In een sprintersetappe strijden normaal gesproken Cavendish, Greipel en Kittel voor de overwinning. Maar dan moet het wel tot een sprint komen. Andere ploegen zullen proberen een massasprint te ontlopen en de sprintersploegen zullen proberen zullen elkaars treintjes te ontregelen. Bovendien liggen valpartijen altijd op de loer.
Riskante sporten leveren meer onverwachte winnaars op.
Op topniveau kan je niet winnen als je niet alle mogelijke risico’s neemt. Er zijn sporten waarin fouten of een minder sterke fase in de wedstrijd nog weggepoetst kunnen worden maar bij andere sporten is de kleinste hapering fataal. Denk aan de 4 x 100 meter estafette, waar steevast ploegen verkeerd wisselen. Of de slalom bij het alpineskiën waarbij zo scherp wordt geraced dat in iedere wedstrijd wel een aantal favorieten een poortje mist. De rekfinale in Londen staat nog op ieders netvlies. Omdat de top zo dicht bij elkaar zat moest Epke Zonderland een zodanig risicovolle oefening turnen dat er maar twee mogelijkheden waren: winnen of vallen, de dood of de gladiolen. In technische sporten waarin de kleinste verkeerde beweging fataal is, wint de favoriet relatief minder vaak.
De paradox of skill
De meest geciteerde stelling van Mauboussin is de paradox of skill. Die paradox luidt dat een goede atleet altijd wint van een zwakke atleet, maar dat geluk een grotere rol gaat spelen naarmate atleten meer gelijkwaardig zijn. Aan de top liggen de prestatieniveaus zo dicht bij elkaar dat geluk weer een grotere rol gaat spelen. Bij een roeifinale kan schuine tegenwind leiden tot baanvoordelen. Die wind hoeft niet sterk te zijn om de uitslag te beïnvloeden omdat de ploegen aan de top zo aan elkaar gewaagd zijn. Op de 50 meter vrije slag bij het zwemmen liggen de toppers zo dicht bij elkaar dat het halen van de finale wordt bepaald door kunde. Maar in de finale zelf speelt geluk bij het aantikken vaak een beslissende rol in de medailleverdeling.
Volgens Mauboussin is een grondige kennis van de wetten van vaardigheid en geluk van groot belang voor het objectief waarderen van prestaties, voor selectiebeleid, coaching en het geven van feedback. Als econoom beperkt hij zich juist op dit punt tot het bedrijfsleven en waagt zich niet aan voorbeelden uit de sport. Toch zijn die niet moeilijk te bedenken. Wie een atleet selecteert op basis van het eenmalig halen van een limiet in een sport waarin de externe omstandigheden (wind, hoogte, temperatuur) een grote rol spelen bouwt een mislukking op het toernooi waar de prestatie geleverd moet worden, bijna op voorhand in.
Literatuur:
• Michael J. Mauboussin, The Success Equation: Untangling Skill and Luck in Business, Sports, and Investing. Harvard Business Review Press, 2012
Sjak Rutten werkte voorheen als senior adviseur en onderzoeker bij Sardes, een adviesbureau dat vooral actief is op de terreinen onderwijs, welzijn en jeugdbeleid. Momenteel is hij zelfstandig adviseur jeugdbeleid.