Go with Golazo
Sportknowhowxl
Home
Opinie
Sportverenigingen tussen tradities en ambities

Sportverenigingen: tussen tradities en ambities

11 oktober 2011

Opinie

door: Maikel Waardenburg en Jan Boessenkool

Steeds meer sportverenigingen bevinden zich op een kruispunt. Enerzijds bieden ambitieuze doelstellingen kansen tot verdere ontplooiing van de organisatie. Maar die kansen kennen anderzijds ook een keerzijde: ze ondermijnen de traditionele eigenschappen die zo kenmerkend zijn voor sportverenigingen. De vraag voor deze sportverenigingen is dan ook hoe op deze ontwikkelingen in te spelen.

Kenmerkend voor sportverenigingen is dat zij een formeel en democratisch interactiekader vormen met tamelijk informele en overwegend primaire relaties; het organisatieprincipe is gebaseerd op vrijwillige ontmoetingen. De vereniging is daarbij een middel om een door de leden gekozen doel te verwezenlijken (mutual support).

Dit verschilt met de kenmerken van de beleidsoriëntatie en de marktoriëntatie (zie figuur) waar andersoortige organisaties mee te maken hebben. Deze twee oriëntaties komen namelijk voort uit formele interactiekaders die ontstaan rond onpersoonlijke doelstellingen. Met dat laatste bedoelen we dat zij starten vanuit de logica van de organisatie, niet vanuit de wens van mensen zelf. Omdat zij gericht zijn op doeltreffendheid dragen de markt- en beleidsoriëntaties een dwingende tendens tot professionalisering met zich mee. Wanneer deze oriëntaties elkaar ontmoeten leidt dat tot enkele spanningsvelden.

Figuur 1 Oriëntatierichtingen binnen sportverenigingen

Passie versus doelrationeel denken
Een van de belangrijkste centrale waarden van een vrijwillige organisatie is de intrinsieke motivatie die hoort bij de uitvoering van taken door vrijwilligers. We duiden dit in de figuur aan met de term ‘passie’. Het gaat er dan in de eerste plaats om wat de sportvereniging haar vrijwilligers en leden te bieden heeft. Dat vrijwilligers door het volgen van hun passie tevens bijdragen aan de doelstelling van de vereniging of zelfs aan het realiseren van beleidsprojecten is voor hen van ondergeschikt belang. Sterker nog, zij denken daar vaak niet eens aan. Toch zien wij vrijwilligers(inzet) als middel steeds vaker terug in sportbeleidsplannen van gemeenten, sportbonden en ook sportverenigingen zelf. We noemen dit doelrationeel denken. Deze doelrationele benadering staat op gespannen voet met de passie waaromheen verenigingen zijn georganiseerd, omdat zij start vanuit de logica van organisaties, in plaats vanuit de passie van organisatieleden.

Vrijwilligheid versus professionaliteit
Dat de sportsector de laatste twee decennia een enorme moderniseringsslag heeft gemaakt is evident. Dat is het gevolg van onder meer de wijdverspreide opkomst van meerjarenbeleidsplannen in de sport, een toegenomen maatschappelijke waardering van de sport door nationale en lokale overheden, een gerichte politieke lobby van de georganiseerde sport, de toename van alumni van sportgerelateerde studies en de introductie van steeds meer betaalde professionals in vrijwillige sportorganisaties. Mogen we daaruit concluderen dat de sportsector professionaliseert?

Als we de sportvereniging als de historisch gegroeide kern van de georganiseerde sport beschouwen, dan valt op dat die professionalisering zich vooral heeft voorgedaan in de periferie van de sportvereniging. De laatste jaren schieten de sportserviceorganisaties, sportbedrijven en sportadviesbureaus als paddenstoelen uit de grond. Het lijkt een bewijs te zijn voor een stelling die in het licht van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) breder opgang doet: ‘vrijwilligersorganisaties en verenigingen staan grotendeels aan de zijlijn, het professionele circuit profiteert’ (NOOT 1).

Autonomie versus sturing
De wens dat sportverenigingen een bredere maatschappelijke inzet tonen komt vooral van overheden en landelijke sportorganisaties. Er zijn maar weinig verenigingen die een dergelijke ambitie spontaan hebben ontwikkeld. Ook bij recent opgerichte verenigingen lijken maatschappelijke argumenten maar zijdelings mee te spelen. Anders gezegd: er is niet meteen een ontwikkeling ‘van onderop’ zichtbaar in de richting van meer publieke dienstverlening door sportclubs. Dat betekent dat er een zekere mate van sturing plaatsvindt. Deze spanning wordt ook wel eens aangeduid met de term ‘instrumentalisering’.

Profijt versus publiek belang
Verschillende partijen (met ieder hun eigen belangen) oefenen vanuit meerdere kanten invloed uit op sportverenigingen. Het marktperspectief en het beleidsperspectief leven deels op gespannen voet met elkaar. Hoewel beide perspectieven professionalisering bevorderen, doen zij dit vanuit verschillende, soms zelfs tegenstrijdige belangen. Binnen het marktperspectief is bijvoorbeeld amper plaats voor collectieve belangen zoals integratie van gedepriveerde bevolkingsgroepen, tegengaan van obesitas of het opwaarderen van achterstandwijken. Terwijl dit juist onderwerpen zijn waar de overheid een belangrijke rol voor de sport ziet weggelegd.

Verenigingsbestuurders, ambtenaren, bondsmedewerkers en andere betrokkenen geven binnen deze vier spanningsvelden vorm aan (de organisatie van) sport. Op basis van ons onderzoek (NOOT 2) kunnen we stellen dat de verenigingsoriëntatie daarbij onder druk staat. De vraag is hoe we dat beoordelen en of we er iets aan willen veranderen. En zo ja, hoe? Wij stellen dat het wel degelijk zinvol is de verenigingsoriëntatie meer gewicht te geven in het sportbeleid. We formuleren daarvoor hier drie uitgangspunten, die nadrukkelijk een uitnodiging tot discussie vormen:

1.  Sportverenigingen zijn naar hun aard maatschappelijke organisaties met een grote waarde voor de samenleving. In het spel van machtsverhoudingen en belangentegenstellingen zijn passie, emotie, participatie, solidariteit en democratische besluitvorming cruciale krachten voor het opbouwen van sociaal en cultureel kapitaal. Hierin zit een grote meerwaarde van verenigingslidmaatschap, los van tak van sport en of het grote of kleine verenigingen betreft.

2.  De wijze waarop mensen willen sporten vertoont grote diversiteit die gerespecteerd dient te worden en geldt ook voor de bestuurlijke en organisatorische basis daarvoor. De kracht van de civil society ligt besloten in het van onderaf op vrijwillige basis sportactiviteiten op eigen wijze te willen en kunnen invullen. Daarmee is duurzaamheid en continuïteit het meest gebaat en gegarandeerd.

3.  Allianties met overheid en markt zijn welkom, mits de verenigingsideologie als basis erkend wordt. Zonder die basis zullen beleidsdoelen van buitenaf nooit een structurele plek in de verenigingsorganisatie verwerven. Een sportvereniging is in de basis een mutual support organisatie, geen service delivery organisatie.

Noot 1
Lub, V. e.a., 2010, p. 39. In :I. Verhoeven & M. Ham (red.) Brave burgers gezocht. Amsterdam: Van Gennep

Noot 2
Lees meer in: Boessenkool, J., Lucassen, J., Waardenburg, M. & Kemper, F. (red.) (2011). Sportverenigingen: tussen tradities en ambities. Nieuwegein: Arko Sports Media

Maikel Waardenburg is werkzaam als docent/onderzoeker aan de Utrechtse School voor Bestuurs- en Organisatiewetenschap (USBO) van de Universiteit Utrecht. Voor meer informatie: M.Waardenburg@uu.nl
Jan Boessenkool is werkzaam als hoofddocent/onderzoeker aan de Utrechtse School voor Bestuurs- en Organisatiewetenschap (USBO) van de Universiteit Utrecht. Voor meer informatie:  J.H.Boessenkool@uu.nl

Deel dit bericht:

0 reacties

Nog geen reacties. Wees de eerste!

Voeg je reactie toe

Meer over:

Blijf op de hoogte

Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de 
belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.