1 oktober 2013
Opinie
door: Thecla van Dijk en Rens van Kleij
Sport mag dan al lang niet meer op het sportpark alleen plaatsvinden, het sportpark blijft wel een sleutelrol vervullen in de lokale sportinfrastructuur. Maar hoe kan deze rol een glansrol worden? Welk antwoord heeft het sportpark op de veranderende vraag naar sport? Valt er synergie te behalen tussen sportparken, openbare ruimte en de directe leefomgeving? Hoe kan een accommodatiebeleid met perspectief het winnen van de soms politiek conservatieve druk tot behoud? Uitdagingen voor sportparken met toekomst als onderdeel van een geïntegreerde sportinfrastructuur.
De vraag naar sportvoorzieningen verandert als gevolg van verschillende maatschappelijke invloeden waaronder – zeker niet in de laatste plaats – demografische invloeden. Zo ook de vraag naar de meer traditionele sportvoorzieningen van de georganiseerde (buiten)sport op het sportpark. Het is met name de leeftijdsgroep van 6 tot 12 jaar die lid is van een sportvereniging en gebruik maakt van officiële sportvoorzieningen op het sportpark1. Vervolgens geldt: ‘des te ouder, des te minder’.
Alhoewel dit ook geldt voor de sportparticipatie in zijn algemeenheid, is onmiskenbaar duidelijk dat het sportpark zijn grip op de sporter verliest bij het vorderen van de leeftijd2. In de minder verstedelijkte – plattelands – gebieden blijkt dit nog enigszins mee te vallen. In deze gebieden is echter vaker en in ernstigere mate sprake van ontgroening, vergrijzing en bevolkingskrimp. Dit leidt weer tot een andere politieke dynamiek. Want hoe combineer je een rationeel accommodatiebeleid met een kernenbeleid dat gebaseerd is op ‘alle dorpskernen, gelijke (sport)voorzieningen’?
In de meer verstedelijkte gebieden ervaart de sportvereniging de concurrentie van een veelzijdig aanbod. De sportdeelname in verenigingsverband is in de steden minder hard gestegen dan de algehele sportdeelname. De lijn ‘sport, géén lid vereniging’ wint het in de steden van de lijn ‘sport én lid vereniging’3.
Flexibiliteit en functiemenging als overtreffende trap van multifunctionaliteit
De winst voor de sport blijkt hem met name te zitten in de leeftijdscategorie van 24 tot 44 jaar4: een relatief grote groep potentiele sporters van carrierstarters en –makers en stellen met jonge opgroeiende kinderen bij wie sport het sluitstuk vormt op een toch al ‘killing’ agenda. Eenvoudige sportalternatieven die flexibel zijn in te passen kunnen hen verleiden om (meer) te gaan sporten. Het moet ze makkelijk gemaakt worden. Qua sportaanbod kan bijvoorbeeld gedacht worden aan flexibele en gecombineerde lidmaatschapsvormen. Qua fysiek accommodatieaanbod zal het vervolg op de multifunctionele accommodatie ingezet dienen te worden.
In toenemende mate verkrijgen traditionele sportparken een multifunctioneel karakter. Sportparken worden omgevormd tot een ‘sport- en jeugdcluster’ of een ‘sport- en recreatiepark’. Verschillende voorzieningen die in het verlengde van elkaar liggen worden thematisch aan elkaar gekoppeld, vaak geholpen door de ruimtewinst als gevolg van de inzet van kunstgras. Dit multifunctioneel gebruik van fysieke accommodaties sluit aan bij de vraag naar flexibiliteit en gemak. Immers, hoe prettig is het om je kinderen op te halen bij de opvang in de wetenschap dat ze hun zwemles al gehad hebben?
Functiemenging vormt het logische vervolg op het multifunctionele sportpark. Door functies te koppelen die op het eerste gezicht weinig met elkaar te maken hebben (bijvoorbeeld werk, dienstverlening en sport) vervagen scheidslijnen, worden sportparken werkelijk ‘opengebroken’ en komt er een einde aan de ‘specifieke tijdruimtelijke setting’ van sportparken die uitsluitend in avonden en het weekend gebruikt worden.
Functionele verdichting naar analogie van de compacte stad toegepast op het sportpark. Het resultaat: een sportpark als kloppend hart van de wijk. De vervlechting van wonen, werken, onderwijs, zorg, sport en dienstverlening kan velerlei verschijningsvormen krijgen. Een bedrijfsverzamelgebouw voor kleine zelfstandigen op het sportpark? Wonen (dicht) op het sportpark? Een combinatie van eerstelijns zorginstellingen, huisartsen onder één dak op het sportpark? De tijd van functionele scheiding (werken op het kantoorpark, wonen in de woonwijk) ligt achter ons. Die van functiemenging en stedelijke verdichting vóór ons. Ook voor het sportpark.
Sportpark als bronpunt in een netwerk van sport
Naarmate men ouder wordt, maakt men minder gebruik van de formele (buiten)sportaccommodaties. Op individuele basis of ongeorganiseerd – gewoon lekker sporten met je vrienden – neemt men zijn toevlucht tot de openbare ruimte. Maar waarom lopen de mooiste hardlooproutes dan niet langs de atletiekvereniging? En de mooiste (snel)fietsroutes langs de wielerbaan, of op zijn minst langs het sportpark? Dat geldt natuurlijk ook voor skeelerbanen, ATB-routes, fitnessparcoursen et cetera.
Door het maken van sportieve verbindingen tussen de openbare ruimte en het sportpark, kunnen deze elkaar versterken. De openbare ruimte krijgt als het ware ‘sportlinten’ die de sport van het sportpark – de ‘bron’ – de wijk in brengen.
Omgekeerd wordt de individuele en ongeorganiseerde sporter uitgenodigd om de voorzieningen in het sportpark een rol te laten spelen in zijn sportgedrag. Je kunt nog steeds lekker gaan hardlopen op eigen gelegenheid, maar de buitenruimte nodigt tevens uit om de route langs het sportpark te nemen. Daar kun je – middels een flexibel aanbod van de atletiekvereniging – ook trainen op het echte tartan en is er een trainer die je techniek kan bijschaven.
Bovendien vind je daar gelijkgestemden die graag verder met je hardlopen. Kleine accenten in kleur, afstandsaanduiding, bewegwijzering, voorrang op andere verkeersstromen, stretch- en waterpunten en/of een mooi landschappelijke inpassing geven de ‘sportlinten’ extra elan en versterken de impuls. De ‘sportlinten’ zullen tevens de keuze voor een actief transport – lees de fiets of benenwagen – bevorderen om naar het sportpark te gaan.
Sportpark in een politiek krachtenspel
Het sportaccommodatiebeleid is niet alleen gebaseerd op ratio. Verschillende belangen en emoties spelen hierbij zeer nadrukkelijk een rol. Dit maakt het een echt maatschappelijk vraagstuk. Dat is het sterkst merkbaar wanneer – als gevolg van krimp en/of vergrijzing – het sportpark een ‘maatje te groot’ wordt voor de dorpskern waarin of waaraan het is gelegen. Verschillende generaties uit het dorp hebben hier gevoetbald. Het sportpark is van het dorp. Het maakt onderdeel uit van de identiteit van het dorp, zeker bij regionale derby’s.
Maar wanneer er sprake is van structurele overcapaciteit en er in toenemende mate ‘geld bij moet’, komt het moment van sportparkclustering dichterbij. Deze rationele logica is alleen uitvoerbaar wanneer rekening wordt gehouden met het politieke krachtenspel en de emotie van sport. Zo zal er de noodzaak tot clustering ervaren moeten worden bij de (autonome) sportvereniging – we redden het niet alleen - of de harde kern van vrijwilligers waar de club op draait wordt te klein of te oud.
Bovendien kan de dorpskern niet sportief berooid achterblijven na sluiting van het sportpark. Een multifunctionele sportcourt op een strategische locatie in het dorp, zodat er de mogelijkheid blijft om (op een andere manier en schaalgrootte) te blijven sporten in het dorp, kan een goed alternatief vormen.
Tot slot zal de sportparkclustering stapsgewijs dienen te worden aangepakt. Wanneer het bespreekbaar wordt bij de (autonome) sportvereniging en grootschalige renovaties aanstaande zijn, is het moment aangebroken om over te gaan tot clustering. Het sportpark van de toekomst dient hiertoe over voldoende capaciteit te beschikken om voorzieningen van naburige sportparken te huisvesten. Het vormt een sportieve groeilocatie.
Een goed sportaccommodatiebeleid vergt een rationele grondslag, goede randvoorwaarden, een lange termijn visie en bovenal een goed gevoel voor timing. Nu maar hopen dat niet te veel lokale bestuurders ‘behoud van een sportpark in elk dorp’ als speerpunt kiezen bij de aanstaande verkiezingen.
Bronnen
1. ‘Sportdeelname in Nederland: 2006 – 2011’ - Dorine Collard en Remco Hoekman (2012).
2. ‘Ruimte en accommodaties voor sport’ - Remco Hoekman, Frans Knol en Hugo van der Poel (2010).
3. ‘Sporten in de stad; ontwikkelingen in de stedelijke sportdeelname’ - Remco Hoekman & Annet Tiessen-Raaphorst (2012).
4. ‘Wie is de sporter?’ - NOC*NSF, GfK, Mulier Instituut (2012).
Thecla van Dijk en Rens van Kleij zijn de initiatiefnemers van Sport & Ruimte dat zich richt op een optimale inrichting van sportparken, wijken met de openbare ruimte als verbindende schakel om te komen tot een geïntegreerde sportinfrastructuur. Sport & Ruimte brengt wetenschap, ruimtelijke vormgeving en kennis van sport samen voor creatieve en realistische oplossingen voor sportief ruimtelijke opgaven. Sport & Ruimte werkt samen met het Mulier Instituut en het Erasmus MC. Voor meer informatie: www.sportenruimte.nl
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.