17 maart 2009
Opinie
“Enorme toename van het aantal ongelukken in sportlessen.” Da’s een pittige kop en trekt aandacht. Iedereen heeft er vervolgens een mening over. Ik ook. Het eerste wat me te binnen schoot bij het lezen van de cijfers: ‘ja, en …?’ Gaat leren bewegen niet gepaard met vallen en opstaan? Maar dat is natuurlijk wat makkelijk. Alhoewel, een hele grove rekensom leert dat we praten over 0,08% van het aantal leerlingen dat op jaarbasis kans maakt op een bezoek aan de spoedeisende hulp als gevolg van een ongeluk in de sportles. Dat is één kind per jaar op een gemiddelde VO-school. Waar hebben we het dan nog over…
Interessanter is wellicht te kijken naar wat oorzaken zijn. Hebben we hier misschien te maken met een eerste uitvloeisel van het armoedig bewegen van kids? Of worden er (eindelijk) meer uren bewegingsonderwijs gegeven? En is dit dus eigenlijk een positief bericht? Of is de toename van ongevallen het een gevolg van het pamperen? Kinderen worden toch niet meer bevraagd om te reageren op onverwachte omstandigheden; valdempende ondergronden bij speeltoestellen, op de achterbank naar de sportclub, nauwelijks klimbomen in de buurt en zo zijn er vast nog meer omstandigheden te noemen.
Veilig leren bewegen vraagt om rekening houden met elkaar, risico’s inschatten en adequaat handelen in onverwachte situaties. De suggestie om groepen kleiner te maken is - los van de praktische onmogelijkheid - geen oplossing van het probleem. Je maakt rijstroken ook niet breder om het aantal ongevallen te verminderen. Je bedenkt maatregelen die, uitgaand van een toenemend verkeersaanbod, de veiligheid vergroten.
Je kunt getrokken conclusies ook van een andere kant bekijken: zijn de groepen te groot of is de accommodatie te klein? Ligt het aan het gedrag van kinderen of is het lesaanbod oninteressant? De kwaliteit van lesgevers lijkt dan geen probleem maar stelt de aanwezige sportinventaris de lesgever in staat eigentijds bewegingsonderwijs te geven?
De sportvloer wordt overigens niet genoemd als mogelijke oorzaak van letsel. Het is wel het meest gebruikte toestel in de zaal en in combinatie met de laatste sportschoenmode een bron van struikelpartijen.
Aanvullend kwalitatief onderzoek geeft wellicht inzicht hebben in de factoren die écht leiden tot de ongevallen. Wat is bij sportongevallen de relatie tussen groepsgrootte en bekwaamheid van de lesgever? Vinden ongelukken plaats in nieuwe of oude accommodaties? Vinden er op het VMBO meer ongevallen plaats dan binnen het VWO?
En als we bewegen dan met z’n allen zo belangrijk vinden, laten we hier dan ook naar handelen en het op een eigentijdse wijze faciliteren. Dat daarbij geïnvesteerd moet worden in kwaliteit en inventaris staat voor mij vast. Er zijn nog teveel sportaccommodaties in Nederland die deze naam eigenlijk niet mogen dragen. En in die accommodatie wordt dagelijks lesgegeven met alle risico’s van dien. In dat perspectief is het wellicht niet zo opvallend dat het aantal ongelukken in de sportles groter is geworden.
En tot die tijd? Stoppen met bewegen? Nee, zeker niet! Het percentage kinderen en jongeren met een motorische achterstand zal dan stijgen, waardoor het aantal sport- en bedrijfsongevallen alleen maar verder groeit. Gewoon doorgaan dus, want motorische ontwikkeling gaat over ontdekken en grenzen verleggen. Als we aansluiten bij ontwikkelingen in de bewegingscultuur en die op een aantrekkelijke wijze weten in te bouwen in de lessen, dan maken we al een stap vooruit. Want zeg nou zelf, free running klinkt toch heel wat aantrekkelijk dan ‘kastspringen’. En slacklinen is echt wel stoerder dan ‘balanceren op een balk’. Met een beetje creativiteit …
Het aantal ongelukken zal niet direct afnemen, maar de vaardigheid en betrokkenheid van deelnemers zal wel toenemen. En volgens mij heelt een gekneusde arm snel en is de toename van ‘diabetis mellitis type 2’ als gevolg van te weinig bewegen een veel groter maatschappelijk probleem.
Erik Spiegelenberg volgde de CALO in Arnhem. Na zijn afstuderen was hij een aantal jaren werkzaam als gymleraar (invalkracht) binnen het Primair Onderwijs en het Voortgezet Onderwijs. Vanaf 1986 werkt hij bij Nijha, inrichter van beweegaccommodatie en speelplekken. Hij begon als rayonmanager en hij is sinds 1995 marketeer. Hij voltooide een marketingopleiding (NIMA-C). Vanuit de combinatie bewegen en marketing verzorgt hij gastcolleges op opleidingsinstituten en schrijft hij artikelen in vakbladen.
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.