Go with Golazo
Sportknowhowxl
Home
Opinie
Sportiviteit en respect jong geleerd is oud gedaan

Sportiviteit en respect; jong geleerd is oud gedaan

18 juni 2013

Opinie

door: Monique Kwakman

Gisteren is uitspraak gedaan in de zaak van de grensrechter Richard Nieuwenhuizen. Agressie op en rondom het voetbalveld is helaas een zeer actueel probleem binnen de voetbalsport, op alle niveaus. De KNVB zet vooral in op handhavingsmaatregelen, maar ik denk dat er meer moet gebeuren dan het dragen van 'respect'-polsbandjes en het strenger handhaven van de regels om waarden als respect, sportiviteit en omgangsvormen een diepere betekenis te geven en deze laten beklijven. Ik pleit voor een integrale aanpak en ik wil een suggestie doen voor de rol die jeugdopleidingen kunnen spelen binnen talentontwikkeling om een (gedrags)verandering op het gebied van sportiviteit te stimuleren.
 
Profvoetballers (en trainers) hebben een belangrijke voorbeeldrol en beïnvloeden het gedrag van jonge voetballers. Allereerst een stukje theoretische context over hoe voorbeeldgedrag werkt. Er is veel onderzoek gedaan naar voorbeeldgedrag (‘modelling’ en ‘social learning theory’) vooral door psycholoog Albert Bandura. Een bekend experiment dat Bandura heeft uitgevoerd in 1961 is het zogeheten bobo-doll-experiment. Hierbij kregen kinderen een gewelddadig filmpje te zien. De reactie van de kinderen na afloop van het filmpje hing sterk samen met hoe er vanuit de omgeving (volwassenen) op het filmpje werd gereageerd. Kinderen namen de reactie van de volwassenen vaak één op één over, zowel bij positieve als bij negatieve reacties1.

Tussen 1961 en nu is er vanzelfsprekend veel meer onderzoek uitgevoerd naar voorbeeldgedrag, maar de ‘social learning theory’ van Bandura ligt aan veel van dit onderzoek ten grondslag. Samengevat kan worden geconcludeerd dat aanleren en ontwikkelen van gedrag plaatsvindt in een sociale context en met name jongeren zijn hierbij erg beïnvloedbaar door het gedrag wat hun idolen als voorbeeldgedrag laten zien.

Deze informatie is op zichzelf natuurlijk niet echt schokkend of nieuw, dat maakt het juist zo verontrustend. De pogingen van de KNVB en (internationale) profclubs om sportiviteit uit te dragen, schieten ernstig tekort en worden in ieder geval niet breed uitgedragen. Een goed voorbeeld hiervan vind ik Mark van Bommel, die in zijn laatste officiële wedstrijd het veld voortijdig moest verlaten na een werkelijk schandalige overtreding. Of Luis Suarez die in twee verschillende wedstrijden een tegenstander heeft gebeten. Hij werd daarvoor behoorlijk geschorst, zeventien wedstrijden in totaal. Maar er zijn genoeg voorbeelden van voetballers die na een zware overtreding slechts een geldboete krijgen opgelegd en na afloop met een gekunsteld ‘sorry’ voor de camera verschijnen. Er wordt een beeld gecreëerd dat het verliezen van zelfbeheersing getolereerd wordt, wanneer je maar goed genoeg kunt voetballen.

Daarbij vind ik de rol van de KNVB met name reactief. Er moeten eerst ernstige incidenten optreden, voordat er wordt opgetreden. Na een incident worden de regels aangepast, handhaving wordt strenger toegepast, maar dat is onvoldoende. Jonge voetballertjes zien op tv tenslotte nog steeds hun voorbeelden overal mee wegkomen en daarmee komt de boodschap ‘sportiviteit’ nauwelijks congruent over. Straffen opleggen leidt niet tot een intrinsieke gedragsverandering. Maar wat dan wel? Dit is zeker geen eenvoudig vraagstuk en er is geen eenduidig antwoord op te geven. Wel wil ik een suggestie doen richting een integrale aanpak, die gericht is op de jeugd, en uitgaat van het belonen van positief gedrag in het plaats van het bestraffen van negatief gedrag.

Een idee: in de verschillende jeugdcompetities worden het aantal ernstige overtredingen bijgehouden, aan de hand van het aantal gele en rode kaarten, maar er is geen benoeming voor de sportiefste speler/elftal. Ik kan me voorstellen dat er in de toekomst tijdens wedstrijden wordt bijgehouden welk elftal het meest sportief speelt - op basis van een aantal, nog op te stellen, meetbare criteria - en dat er aan het eind van de competitie een winnend team uitrolt dat als prijs een training mag bezoeken van hun favoriete eredivisieclub, of iets dergelijks. Zo wordt positief gedrag beloond en is de rol van profvoetbal hierin ondersteunend. Dit is slechts een simpel voorbeeld dat uiteraard niet alle agressieproblemen zal uitbannen, het gaat mij om de gedachtegang over een stimulerende en positieve aanpak. 

Integrale aanpak
De vraag ‘hoe willen we met elkaar omgaan?’ is een breder maatschappelijk vraagstuk; niet alleen relevant op de voetbalvelden. Daarom denk ik dat dit vraagstuk breed aangevlogen moet worden en er kansen liggen voor een integrale aanpak. (Meer) samenwerking tussen onderwijs, KNVB, jeugdopleidingen en ouders is wenselijk. Jeugdopleidingen zouden wat mij betreft hierin de aftrap mogen nemen, want daar vindt een groot gedeelte van de talentontwikkeling plaats van jonge voetballers.

Trainers vervullen vaak een voorbeeldrol voor deze jonge talenten en hebben zodoende veel invloed op de technische, tactische, maar bovenal de sociaal-emotionele en mentale ontwikkeling. Dit betekent dat een trainer ook vaak automatisch een soort opvoedkundige rol krijgt toebedeeld; jongeren luisteren soms beter naar hun trainer dan naar hun ouders. Dit is iets waarvan sommige trainers zich niet altijd bewust zijn.

Vaak worden trainers aangenomen omdat ze op het gebied van techniek en tactiek veel kennis in huis hebben en hierin worden ze ook geschoold tijdens hun trainersopleiding. De invloed die trainers hebben op het gedrag van jonge voetballers (of jonge sporters in het algemeen) is echter ook groot. Een trainer die consequent aandacht besteedt aan positief coachen, zorg draagt voor positieve omgangsvormen (binnen het team en richting de tegenstander) en frustratie van spelers bespreekbaar maakt, kan op die manier jeugdige spelers beïnvloeden en overtuigingen mede-vormen.

Om het belang van deze mentale vorming te onderstrepen zou de KNVB binnen het curriculum van een trainersopleiding een (verplichte) module kunnen opnemen waarin deze onderwerpen structureel aan bod komen, in plaats van onderwerpen over gedrag facultatief aan te bieden als bijscholing.

In hoeverre wordt binnen talentontwikkeling de begeleiding gericht op ‘wie wil je zijn als sporter’? Door deze vraag actief onderdeel te laten zijn van de talentontwikkeling wordt gestuurd op zelfregulatie, zelfbeheersing en bewustwording bij jonge sporters. Het gaat er hierbij om jongeren te laten nadenken over wat het inhoud om een topsporter te zijn. Profvoetballer ben je zowel binnen als buiten de lijnen en welk gedrag hoort hierbij?

Door jongeren hier bewust mee aan de slag te laten gang en zelfregie te stimuleren, vergroot je de kans op zelfbewuste profvoetballers. Dit wordt door sommige voetbalopleidingen al gedaan door het bij laten houden van een persoonlijk ontwikkelplan door jeugdspelers, al staan hier vaak wel met name voetbalgerelateerde doelen in beschreven. Mogelijk kan bij het ontwikkelen en bijhouden van een POP (Persoonlijk Ontwikkelings Plan) samenwerking worden gezocht met het onderwijs (mentoruren), zodat een jongere zowel binnen als buiten de sport wordt gestimuleerd tot persoonlijke ontwikkeling en bewustwording.

Door persoonlijke leer- en ontwikkeldoelen belangrijk te maken en in te bedden in een jeugdopleiding wordt een signaal afgegeven dat een jeugdopleiding meer is dan alleen een voetbalopleiding. Dit zal niet alleen effect hebben op toekomstige profvoetballers, want het merendeel aan talenten binnen jeugdopleidingen zal nooit de absolute top halen, maar wel doorstromen naar het amateurvoetbal, of buiten de voetbal hun sporen verdienen. Echter heeft een jeugdopleiding hen vaak wel ‘gevormd’ en op die manier kan een jeugdopleiding een preventieve rol vervullen in het ontwikkelen van - en uiting geven aan - waarden als sportiviteit en respect.

Ik geloof erin dat op deze manier een bottom up tegenbeweging kan ontstaan richting de negatieve gedragingen in en rondom het voetbalveld. Een beweging die start bij de jeugd en ondersteund wordt door aansprekende trainers en (ex-)profvoetballers die actief zijn binnen jeugdopleidingen. Met name in samenwerking met het onderwijs kunnen op zo laagdrempelig momenten van leren en bewustzijn worden gecreëerd, die bijdragen aan talentontwikkeling in brede zin.

Concrete voorbeelden
Tot slot wil ik graag twee voorbeelden geven van relevante onderzoeken naar zelfbeheersing. Ten eerste het ‘marshmallow-experiment’ van psycholoog Walter Mischel. Dit onderzoek werd eind jaren zestig en halverwege de jaren zeventig uitgevoerd. Kinderen kregen een schaal met marshmallows voorgehouden, ze kregen te horen dat ze er één mochten nemen, of een kwartier mochten wachten en er dan twee zouden krijgen. Ongeveer een derde van de kinderen lukte het om een kwartier te wachten.

Twintig jaar later toonde Mischel aan dat er een verband bestond tussen hoe lang kinderen de marshmallows hadden weerstaan en hoe succesvol ze waren in hun latere leven. Hoe langer deze kinderen hun beloning konden uitstellen, hoe minder gedragsproblemen ze hadden op school en ze presteerden ook vaak beter op de universiteit. Ook meer recente onderzoeken tonen aan dat zelfbeheersing een belangrijke voorspeller is voor succes op verschillende vlakken2.

Of zoals Roy F. Baumeister (deskundige op het gebied van zelfbeheersing) de vergelijking legt tussen het ontwikkelen van zelfbeheersing en het trainen van een spier; beide mechanismen ontwikkelen zich door oefening en herhaling. Hij heeft ontdekt dat met iets relatiefs simpels als het weken lang vaker gebruiken van je linker- dan je rechterhand (bij rechtshandigen) je zelfbeheersing kan bevorderen. Het gaat er bij deze oefening om dat je je bewuste wil inzet tegen je automatische gewoonten. Het mooie van dit experiment is dat de zelfbeheersing die de proefpersonen hadden ontwikkeld overdraagbaar waren naar andere gebieden van hun leven; over het algemeen werden deze mensen gedisciplineerder3.

Fascinerend toch? Ik denk dat (jeugd)trainers voortaan altijd een grote zak marshmallows bij zich moeten hebben…

Noten:
1. BANDURA, A.; ROSS, D.; ROSS, S. A. (1961). 'Transmission of aggression through the imitation of aggressive models'. Journal of Abnormal and Social Psychology 63 (3): 575–582.

2. Voor de correlatie tussen zelfbeheersing en succes, zie Moffit et al., 'A gradient of childhood self-control predicts health, wealth and public safety', PNAS 24 januari 2011; en ook Vohs, Finkernauer en Baumeister, “'The Sum of Friends' and Lovers 'Self-Control Scores Predicts Relationship Quality', Social Psychological and Personality Science, 24 september 2010.

3. Roy F. Baumeister, Dianne M. Tice en Mark Muraven, 'Longitudinal Improvement of Self-Regulation Through Practise: Building Self-Control Strength Trough Repeated Exercise', Journal of Social Psychology, Vol 139, 1999

Monique Kwakman is werkzaam als (sport)psycholoog en adviseur binnen top- en breedtesport. Ze werkt onder meer als gastdocent ‘sportpsychologie en talentontwikkeling’ op het Sint Nicolaaslyceum in Amsterdam. Voor meer informatie: m.kwakmanbusiness@gmail.com of 06-5060 3299.

Deel dit bericht:

0 reacties

Nog geen reacties. Wees de eerste!

Voeg je reactie toe

Meer over:

Blijf op de hoogte

Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de 
belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.