Go with Golazo
Sportknowhowxl
Home
Opinie
Sportdata kansen genoeg wie kopt m er in

Sportdata: kansen genoeg, wie kopt ‘m er in?

4 september 2012

Opinie

door: Egbert Oldenboom en Willem de Boer

Tamelijk geruisloos publiceerde het Sociaal Cultureel Planbureau onlangs een boekje met de wat saaie titel ‘Versterking data-infrastructuur sport’ (NOOT 1). Het onderwerp is spannender dan de titel doet vermoeden. Het doel van het boekje is aan te geven welke kerncijfers in de komende jaren voor sport en sportbeleid verzameld zouden moeten worden. Dit is een belangrijk onderwerp, want de kwaliteit van het onderzoek, de kwaliteit van het sportbeleid, en dus de kracht van sport staat of valt met de kwaliteit van de informatie waarvan gebruik gemaakt kan worden. Goede cijferreeksen over het volgen van en deelnemen aan sport, over ruimtegebruik door sport, over evenementen, betaald voetbal etc. zijn heel belangrijk voor het voeren van een geïnformeerd maatschappelijk debat.

Sterker, goede indicatoren zijn meer dan alleen handig voor een politiek debat, ze sturen het debat. Denk maar eens aan hoe cijfers over het begrotingstekort en de (verwachte) economische groei de verkiezingsdebatten bepalen. Het zou goed zijn als enkele kerncijfers ook de keuzen in de sport zouden verhelderen. Dit geldt nog sterker nu door de economische crises de financiële middelen voor sportbeleid onder druk komen te staan. Bovendien lijkt de maatschappelijke druk om schaarse middelen efficiënt in te zetten groter dan ooit.

Daarom is de informatie die het SCP - in opdracht van het ministerie van VWS - in deze publicatie verzamelde een welkome aanvulling op het ‘Sectorplan Sportonderzoek en –onderwijs’ (NOOT 2) en de ‘Kennisagenda sport 2011-2016’ (NOOT 3). Er wordt goed inzichtelijk gemaakt welke data er beschikbaar zijn en ook is geïnventariseerd waar de behoeften liggen, met daarbij een bescheiden prioritering (‘need-to-know’ versus ‘nice-to-know’). Deze publicatie geeft beleidsmakers en -ondersteuners, onderzoekers - en ook studenten - in de sport inzicht in de data die beschikbaar is en waar de lacunes, oftewel kansen (!), liggen. Bovendien doet het SCP zeer concrete en waardevolle aanbevelingen aan VWS.

In de uitwerking van dit voor de sport belangrijke onderwerp, stelt het boekje helaas ook op enkele punten teleur.

Het boekje is volgens ons nog teveel een willekeurig verlanglijstje geworden, op basis van een aantal tamelijk modieuze thema’s. Voor de meesten zullen de thema’s geen verrassing zijn: ‘vitaal Nederland’, ‘meedoen in Nederland’, ‘talentvol Nederland’, ‘kaart van Nederland’ en ‘Nederland in beeld’. Voor elk van deze thema’s zijn enkele kernindicatoren benoemd. Deze aanpak maakt de verzameling kernindicatoren voor het sportbeleid in Nederland tot een grabbelton waar ieder wel een indicator naar keuze kan vinden. Bovendien, onderwerpen die niet in één van deze thema’s pasten, blijven buiten beeld en dat is meer dan een gemiste kans. Het financiële wel en wee van het beroepsvoetbal is bijvoorbeeld een onderwerp dat - zeker in verhouding tot andere sportonderwerpen - een grote maatschappelijke impact heeft. Het blijft in het rapport helaas volledig buiten beeld.

Ook de afstemming met andere Europese landen voor wat betreft definities, methodologie en dataverzameling kan volgens ons veel beter. Daar besteedt het rapport vrijwel geen aandacht aan.

De vraag rijst ook waarom er zo weinig prioritering is aangebracht, zowel voor wat betreft de aanbevelingen als de te verzamelen kerncijfers. Het antwoord op die vraag is te herleiden tot de (te) beperkte opdracht die de onderzoekers is meegegeven. Niet alleen is men uitgegaan van de willekeurige speerpunten van het overheidsbeleid, het boekje is erg beschrijvend en daarbij weinig analyserend. Het rapport geeft een degelijke beschrijving van de status quo wat betreft beschikbare data maar doet geen poging tot verklaring van de status quo. Het rapport stelt vele vragen, maar de politieke vraag wordt niet gesteld: wie heeft er belang bij welke cijfers? Dat lag buiten de opdracht, maar dat neemt niet weg dat een dergelijke verklaring belangrijk is om stappen voorwaarts te doen.

Een sportbeleid gebaseerd op cijfers zou in onze optiek dus a) een visie en daarmee prioritering moeten geven van gewenste cijfers en b) een verklaring moeten geven van de huidige status quo wat betreft beschikbaarheid en toegankelijkheid en c) stappen moeten bevatten die de beschikbaarheid en toegankelijkheid van data borgen. Bij dit laatste denken wij aan het instellen van een data-autoriteit.

Wij geven hier graag ongevraagd visie vanuit ons eigen vakgebied, sporteconomie. Goede economische kerngegevens zijn essentieel voor beleidskeuzes. Onze visie op het belang van economische gegevens is niet dat zij het meest belangrijk zijn. In tegendeel, andere indicatoren - zoals gezondheid, identiteitsvorming en sociale verbinding -  vertegenwoordigen vaak een hogere persoonlijke en maatschappelijke waarde en zijn in die zin belangrijker. Het is denken wij belangrijker dat sport mensen helpt om zich te ontplooien dan dat het helpt meer cafeïne houdend suikerwater (Coca Cola) te verkopen. Economie is een middel geen doel. Maar economische principes zijn wel het kader voor veel andere discussies. Wij denken daarom dat economische gegevens het fundament zouden moeten zijn onder het sportbeleid in Nederland, een springplank om belangrijke maatschappelijke waarden te realiseren.

Een verklaring van de status quo op sporteconomisch datagebied luidt als volgt: als er grote particuliere belangen zijn, zijn de gegevens er meestal wel, maar dan is de toegankelijk problematisch. Als er grote lokale belangen zijn, dan is de landelijke vergelijkbaarheid vaak een achilleshiel. En als er sprake is van een behoefte op langere termijn die niet samenvalt met het beleidsterrein van een ministerie, dan ontbreken de cijfers.

Terecht stelt het SCP boekje vast dat één van de belangrijke algemene kerncijfers het economisch belang van sport is. Maar dat is niet voldoende, met één macro economisch cijfer maak je geen onderbouwd sportbeleid. Een economisch onderbouwd sportbeleid baseert zich op een analyse van de dynamiek van de verschillende sportmarkten. Denk aan de groei (en krimp) van de verschillende takken van sport, passieve sportbeoefening etc. Welke groeimarkten zijn er, welke coalities zijn er denkbaar en waar kun je als overheid op inspelen? Heeft de deal tussen Fox en de Eredivisie Live consequenties voor het amateurvoetbal? Zet de groei van hardloopevenementen door? Wat is het economisch belang van typisch Nederlandse sporten als fietsen, watersport?

Deels ontbreken de benodigde cijfers, met name tijdreeksen soms zelfs van belangrijke markten, zoals watersport, sporttoerisme en sportartikelen. De cijfers die dergelijke analyses mogelijk maken zijn echter voor een groot deel wel ergens aanwezig, maar de toegankelijkheid van de data en de visie die die toegankelijkheid zou kunnen forceren ontbreekt (nog). In sommige gevallen worden data verzameld door commerciële bureaus die, begrijpelijkerwijs, aanzienlijke bedragen vragen voor het gebruik daarvan. Voor veel niet-commerciële onderzoekers zijn deze gegevens onbetaalbaar, tenzij een opdrachtgever daar expliciet om vraagt. Tegelijkertijd zijn er ook direct of indirect publiek gefinancierde instellingen die data verzamelen, maar daar - naar onze mening - veel te terughoudend mee zijn om deze openbaar te publiceren. Vaak is het voor de buitenwereld amper duidelijk welke data zo’n instelling eigenlijk verzamelt, waardoor er ook geen vraag naar is. Daardoor blijft veel waardevolle data ongemerkt ongebruikt.

De toegankelijkheid van data is daarmee een groot probleem, wellicht groter dan de beschikbaarheid. Het is nog allerminst gebruikelijk dat data die met publieke middelen verzameld worden, ook publiekelijk beschikbaar zijn. Dit ligt deels aan onderzoeksbureaus, maar veel meer aan opdrachtgevers. Sportonderzoek in opdracht van VWS of andere publieke instellingen is vrijwel altijd openbaar, maar dit geldt vrijwel niet voor de data en tussenresultaten. En juist deze gegevens geven de mogelijkheid om tot verdieping te komen en meer en daarom betere analyses en begrip van de sportwereld.

Dit is geen nieuwe constatering. Ook het SCP constateert dit en terecht beveelt zij ook aan om bij toekomstig onderzoek het publiceren van data verplicht te stellen: ‘stel bij subsidiering van dataverzameling deze deponering voortaan als voorwaarde’ (p. 27). Wij onderschrijven dit van harte. En een goedkopere maatregel om de data-infrastructuur te versterken bestaat er niet. Overigens geldt dat ook voor het SCP-onderzoek. Veel data en onderzoek passeert de revue, maar er is nog niet één plek waar die ook gemakkelijk en geordend te vinden is. Deze opdracht had naast een papieren rapportage met vrij weinig moeite een website met een ordening van onderzoek en data, met verwijzingen naar de plaatsen en eigenaars ervan, kunnen opleveren. Dat was een verrijking geweest voor beleidsmakers en onderzoekers in de sport. Maar zelfs dat is geen garantie, want als VWS geld doorsluist naar een andere organisatie - en deze zet onderzoek uit - dan is er momenteel geen enkele garantie dat data en rapportage openbaar worden.

Wij pleiten ervoor dat er een data-autoriteit komt die de doelstelling en de middelen krijgt om onderzoeksbureaus en opdrachtgevers te dwingen elk openbaar gefinancierd onderzoek, direct of indirect, volledig openbaar te maken.

Met het rapport ‘versterking data-infrastructuur in de sport’ ligt er nu een uitgebreid wensenlijstje bij VWS. Maar vrijwel alle aanbevelingen kosten geld en de beschikbare middelen schaars. Daarom wij geven wij hierbij alvast een suggestie aan VWS: start met voorwaarden bij financiering van onderzoek dat ook de onderliggende data en bronvermeldingen publiekelijk toegankelijk en gemakkelijk vindbaar is. Voor veel van de andere aanbevelingen van het SCP geldt dat er wel geld voor nodig is om in deze behoeften te voorzien. Genoeg kansen voor open doel dus. We zijn benieuwd welke politicus deze er na 12 september inkopt.

NOTEN:
1. Tiessen-Raaphorst, J. de Haan, (2012). Versterking data-infrastructuur sport. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau
2.
Veldhoven, N. van en L. van Vucht Tijssen (2011). Fundament onder de Olympisch ambities. Sectorplan Sportonderzoek en -onderwijs 2011-2016. Deventer: daM uitgeverij.
3. Breedveld K., G. Molleman, F. Smits en N. Reijgersberg (2010). Kennisagenda Sport 2011-2016. ’s-Hertogenbosch/ Den Haag: Mulier Instituut/ ZonMw.

Egbert Oldenboom is directeur van MeerWaarde Community Building. Hij is initiator van de landelijke Werkgroep Evaluatie Sportevenementen (WESP). In 2006 promoveerde hij aan de Sheffield Hallam University op het onderzoek ‘Costs and Benefits of major sports events’.

Willem de Boer is als econometrist verbonden aan de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen (HAN). Hij is daar werkzaam als onderzoeker Sporteconomie bij het Sports Economics Research Centre (SERC), binnen HAN Sport en Bewegen. Hij houdt zich onder meer bezig met prijselasticiteit binnen de sport, economische impact van sportevenementen en de betekenis van sport voor de Nederlandse economie. De Boer is momenteel secretaris van de Werkgroep Evaluatie Sportevenementen (WESP).

De auteurs hebben samen met het CBS onderzoek verricht naar de bijdrage van sport aan de economie, dat op 12 september gepubliceerd zal worden.

Deel dit bericht:

0 reacties

Nog geen reacties. Wees de eerste!

Voeg je reactie toe

Meer over:

Blijf op de hoogte

Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de 
belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.