Go with Golazo
Sportknowhowxl
Home
Opinie
Sportcultuur en dopingcultuur

Sportcultuur en dopingcultuur

1 juli 2014

Opinie

door: Herman Ram

De vraag die zo ongeveer het meest aan me gesteld wordt is ‘of het wielrennen nu echt schoon is?’. Op die vraag kan ik maar twee niet-speculatieve antwoorden geven, namelijk ‘in ieder geval stukken schoner dan tien jaar geleden’ en ‘helemaal schoon niet, maar dat is ook een illusie’. Dat laatste antwoord heeft natuurlijk niets met het wielrennen als zodanig te maken, want die uitspraak geldt voor elke sport. Geen enkele sport kan claimen ‘helemaal schoon’ te zijn, want je kunt nu eenmaal niet instaan voor elk individu.

Dat gezegd zijnde, is het natuurlijk wel een feit dat op dopinggebied de verschillen tussen sporten groot zijn. Hoe groot precies blijft overigens een moeilijk te beantwoorden vraag, al geven prevalentieonderzoeken en controlegegevens ons gelukkig voldoende houvast om in ieder geval de vergelijking tussen sporten mogelijk te maken, zeker bij sporten waar veel dopingcontroles worden uitgevoerd. Het percentage dopingcontroles dat tot het vaststellen van een dopingovertreding leidt verschilt namelijk nogal per sport. Voor de negen meest gecontroleerde sporten (sporten waarbinnen in 2012 mondiaal minimaal vijfduizend controles werden uitgevoerd) gaf dat in dat jaar het volgende beeld (de percentages over 2013 zijn nog niet beschikbaar):

Skiën (incl. langlaufen) 0,47%
Zwemmen 0,57%
Voetbal 0,57%
Volleybal 0,68%
Atletiek 1,11%
Basketbal 1,12%
Wielrennen 1,31%
Rugby 1,70%
Gewichtheffen 2,91%

Natuurlijk geven deze cijfers NOOT 1 geen uitsluitsel over het werkelijke percentage dopinggebruikers in elke sport. Zelfs een veel gebruikende sporter heeft maar een deel van de tijd voldoende afvalstoffen in het lichaam om ‘positief’ te testen. De controleprogramma’s van de internationale federaties verschillen onderling nogal. Deze statistieken geven bovendien geen inzicht in de aard van de overtredingen per sport. En ook om allerlei andere redenen moet voorzichtig worden omgesprongen met deze percentages. Maar voor een vergelijking tussen de verschillende sporten geven de cijfers wel houvast.

Hoe laten deze verschillen zich verklaren? Waarom scoort het zwemmen relatief laag, terwijl kracht, explosiviteit en duurvermogen toch bepalend zijn voor de prestatie? Waarom is het percentage in het roeien nog lager dan in het zwemmen (in 2012: 0,49%, op basis van 4.863 wereldwijd uitgevoerde dopingcontroles), terwijl die sport dezelfde elementen in zich heeft? En wat veel mensen nog veel verbazingwekkender vinden (en vaak niet willen geloven): waarom scoort het voetbal zo laag, terwijl de verdiensten van sommige topvoetballers toch substantieel te noemen zijn, en dat de verleiding om doping te gebruiken toch wel groot moet maken?

Blijkbaar is de aard van een sport (in termen van explosiviteit, kracht, duurvermogen, etc.) niet de meest bepalende factor, en ook de inkomsten die een sporter uit zijn sport kan halen zijn dat dus niet. Het kan en zal allemaal wel een rol spelen, maar het antwoord op de vraag wat de meest bepalende factor is, zal toch vooral betrekking hebben op de cultuur en de traditie die een bepaalde sport kenmerken. Kortom: een sociologisch vraagstuk, met daaraan gekoppeld de psychologische vraag hoe een sporter ermee om gaat.

Als er binnen een sport een sterk afwijzende houding tegenover doping heerst, zullen individuele sporters nog steeds kunnen besluiten om ‘heimelijk’ doping te gebruiken, maar een dopingcultuur of –structuur zal dan niet snel ontstaan. Die conclusie ligt nogal voor de hand, maar toch worden verklaringen voor dopinggebruik meestal niet in deze hoek gezocht. En dat is jammer. Je zou immers kunnen zeggen dat een sterke antidopinghouding van de (top)sporters, de begeleiders en de bestuurders de meeste kans geeft op een sportbeoefening zonder grote dopingproblemen, maar dan moeten die sporters, begeleiders en bestuurders zich wel van bewust zijn van hun invloed.

En uiteraard werkt een en ander alleen als men binnen de sport bereid is elkaar op eventuele problemen aan te spreken. Dat is op zichzelf onderdeel van de cultuur van een sport, maar ook van de cultuur van een heel land. Nederland staat nog steeds bekend als tolerant land (en dat ondanks de toenemende intolerantie) maar tolerantie kan dicht bij afzijdigheid liggen. Ik ken veel voorbeelden waarin een (mogelijk) dopingprobleem wel gesignaleerd werd, maar niemand ‘er iets mee deed’ in de richting van betrokkene. Sterker nog: het is verbluffend hoeveel mensen melden ‘dat ze het allang wisten’ als een zaak naar buiten komt, terwijl die kennis blijkbaar niet verder is gekomen dan de borreltafel.

Het kost veel tijd, geld en (voor alle betrokkenen) bovenal veel ellende om dopingovertredingen vast te stellen en tuchtrechtelijk af te handelen. En ik vrees dat die aanpak ook altijd nodig zal blijven. Maar er zijn minder dopingcontroles en tuchtprocedures nodig in sporten waarin de beoefenaars elkaar aanspreken op hun gedrag. En dat kan uiteindelijk een hoop leed voorkomen.

Ook uit ervaring weet ik dat sporters (en overigens ook coaches en bestuurders) het soms heel moeilijk vinden om het dopingprobleem aan de orde stellen. Je in het openbaar uitspreken tegen dopinggebruik is niet zo moeilijk (en overigens – begrijp me goed - erg belangrijk). Maar iemand rechtstreeks aanspreken is een stuk moeilijker en over iemand praten is dat al helemaal (terzijde: ik ben dan ook blij met het nieuwe Vertrouwenspunt Sport dat NOC*NSF gelanceerd heeft. Daar kan een probleem in vertrouwen (en desgewenst anoniem) besproken worden met een vertrouwenspersoon. Voor wie een ei kwijt wil: 0900-202 5590).

Tenslotte: cultuur en traditie verschillen niet alleen per sport maar ook per land. Zo kan het heel goed zijn dat een bepaalde sport in het ene land (betrekkelijk) ‘schoon’ beoefend wordt, terwijl er elders een omvangrijk probleem zit. De gedachte dat de Nederlandse sport veel schoner is dan de sport in andere landen kan jammer genoeg niet met cijfers gestaafd worden, maar zonder twijfel zijn het juist de verschillen tussen landen die de grootste bedreiging vormen voor het Level Playing Field waar we naar streven. Bezien vanuit de internationale context waarin wij werken kunnen de altijd beperkte dopingcontrolebudgetten het beste worden ingezet in landen en sporten waar men elkaar niet op het gedrag aanspreekt.

NOTEN
1. Zie hier 

2. Overigens zijn over de invloed van dergelijke omgevingsfactoren op het (dopinggerelateerde) gedrag van sporters bar weinig wetenschappelijke publicaties te vinden. Om er toch enkele te noemen (die overigens nogal uiteenlopende aspecten behandelen):

· Donovan, Robert J., Garry Egger, Vicki Kapernick and John Mendoza (2002) A Conceptual Framework for Achieving Performance Enhancing Drug Compliance in Sport’, Sports Med 2002; 32 (4): 269-284
· Lucidi, Fabio, Arnaldo Zelli, Luca Mallia, Caterina Grano, Paolo M. Russo and Cristiano Violani (2008) 'The social-cognitive mechanisms regulating adolescents' use of doping substances', Journal of Sports Sciences 2008, 26: 5, 447 — 456
· Petróczi, Andrea and Eugene Aidman (2008) Psychological drivers in doping: The life-cycle model of performance enhancement', Substance Abuse Treatment, Prevention, and Policy 2008, 3:7

Herman Ram is vanaf 1 mei 2006 directeur van de Stichting Anti-Doping Autoriteit Nederland. Daarvoor was hij ruim zes jaar directeur van de Nederlandse Ski Vereniging. Eerder was hij directeur van de badmintonbond (van 1994 tot 2000) en de schaakbond (van 1992 tot 1994).

Deel dit bericht:

0 reacties

Nog geen reacties. Wees de eerste!

Voeg je reactie toe

Meer over:

Blijf op de hoogte

Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de 
belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.