25 maart 2014
Opinie
door: Loes Hortensius
Ik weet het nog goed: de aanblik van mijn blauwe Nijntjetas hangend aan de stoel van de ontbijttafel. Die tas betekende dat het weer tijd was voor de zwemles, de tranen prikten al achter mijn ogen. Zwemles van de juf op de klompen met de haak. Schreeuwend vanaf de kant dat ik ballettenen had en zo niet vooruit kwam. Ik snapte niet wat ze bedoelde. Ik zat op ballet maar wat nou precies ballettenen waren?
Op een dag werd mijn moeder boos. Of de juf het niet eens voor kon doen, dan snapte ik het tenminste. Dus de juf ging op een tafel liggen en deed de zwemslag voor. Ze deed voor hoe ik mijn tenen deed en hoe het wel moest. Aha, ik hield mijn tenen krom. Nu zou het vast beter gaan. Met mijn ballettenen over de sloot haalde ik mijn zwemdiploma’s. Want de juf vervolgde haar schreeuwen van de kant en zwemmen bleef een beetje aanmodderen voor mij.
Ik was een kind, en ben een volwassene die een voorbeeld nodig heeft bij het aanleren van bewegingen. Ik wil het zien en dan zelf proberen. Ik kan niet goed leren als ik alleen maar auditieve instructie krijg. Spieken, dat wil ik. Nadoen en kopiëren! En dan werken aan het voelen en eigen maken van de beweging. Dan voel ik me zeker. Want diep van binnen ben ik een sporter. Maar die is er (nog) niet uitgekomen.
Dat het nu nog niet altijd beter gaat blijkt uit een gesprek dat ik laatst had met een collega. Haar kind wilde niet meer naar zwemles. Hij durfde niet te duiken. Totdat de zwemmeester ziek werd en er een zwemjuf kwam: in badpak! En ze ging ook echt meeduiken en hielp de kinderen. Ze deed het eerst voor, toen deden de kinderen het samen en daarna mochten ze het zelf proberen. Haar kind ging weer met plezier naar de zwemles toe.
Ook de wereld van het amateurvoetbal is wat dat betreft, ondanks alle goede bedoelingen, nog lang niet zo ver, getuige een gewone zaterdagochtend langs de lijn bij de F-pupillen. De wedstrijd gaat gelijk op en de uitspelende ploeg krijgt een hoekschop. Het spelertje dat de hoekschop neemt kijkt geconcentreerd of er iemand voor het doel vrij staat. De bal komt voor op kniehoogte en wordt ingeschoten. DOELPUNT. Vanaf de kant een scheldende trainer richting een speler! 'Klotecorner! Kom maar wisselen!' De pupil in kwestie loopt met hangende schouders het veld af.
Een andere zaterdagochtend bij een andere trainer. Een van de pupillen loopt bij een verdedigende actie ogenschijnlijk bewust niet met de tegenstander mee waardoor een tegendoelpunt valt. De trainer kiest er ondanks dat voor om de pupil te laten staan. Maar daardoor krijgt de trainer vervolgens de wind van voren van de ouders langs de lijn. Waarom hij niet harder is bij het coachen? Deze trainer loopt er in de training ook tegenaan hoe de pupillen gewend zijn aangestuurd te worden. Ze verwachten dat de trainer streng is en straft. Terwijl hij wil coachen op intrinsieke motivatie. Maar dat vraagt nog heel wat van de pupillen. En tijdens een wedstrijd is dit voor ouders lastig om te begrijpen wanneer het om doelpunten gaat.
Maandagavond bij de training van de D-pupillen. De trainer in kwestie heeft opgemerkt dat de motivatie bij de pupillen minder werd. Hij heeft al flink lopen denken wat de oorzaak kan zijn. Deze maandag besluit hij het maar gewoon aan ze te gaan vragen. De jongens geven aan dat ze meer en afwisselende werkvormen willen. De concrete aanpak voor verbetering van de training en motivatie komt dus van de pupillen zelf. Dat is een mooi voorbeeld van hoe het zou kunnen gaan wanneer een trainer respect heeft voor de autonomie van de pupil en een goede relatie heeft opgebouwd. Daarover gaat dit artikel.
De drie psychologische basisbehoeften zijn de basis van het gemotiveerde leren: autonomie, relatie en competentie. Daarnaast heeft ieder kind zijn eigen leerbehoeften en verhoogt doelgericht werken de effectiviteit van een training of zwemles.
De drie basisbehoeften komen voort uit ‘the self determintation theory’ van motivatiepsychologen Deci en Ryan, in Nederland bekend gemaakt door prof. dr Luc Stevens. De motivatietheorie gaat uit van de natuurlijke, aangeboren neiging van mensen om bezig te zijn met interessante dingen en te zoeken naar verbintenissen tussen zichzelf en de wereld. Denk maar aan kleine kinderen: ik ben nog nooit een peuter tegengekomen die niet nieuwsgierig was en de wereld niet wilde ontdekken.
Als er wordt voldaan aan de drie basisbehoeften die aan deze theorie ten grondslag liggen dan is er welbevinden, motivatie, inzet en zin in leren, maar als één van de drie tekortgedaan wordt, dan ontstaan er motivatieproblemen. Hoe ziet dat er in de praktijk van een sporttraining uit?
Een pupil of een deelnemer aan een sportles moet zich competent voelen. Competent tot de taken die de pupil krijgt, in hun relaties tot anderen, en tot de grotere wereld om hen heen. Gevoelens van competentie ontwikkel je wanneer je het gevoel hebt dat je iets goed doet en daar ook waardering voor krijgt. Om trots te kunnen zijn op je eigen talenten en kwaliteiten, moet je wel weten waar je goed in bent. Doelgerichte feedback en het bewust bekwaam maken van de pupillen zijn dan ook belangrijk. De opdrachten moeten in de zone van de naaste ontwikkeling (Vygotsky) zitten, uitdagend zijn. Maar ook samenwerkingsvormen zijn belangrijk. De trainer heeft hoge verwachtingen van de pupillen en ziet ze als volwaardig partner in leren.
Een pupil of een deelnemer aan een sportles moet een gevoel van autonomie hebben. Dat betekent dat de pupil mede-eigenaar is van het leerproces. En hij het gevoel heeft dat hij de vrijheid heeft om te kiezen, te beslissen en zelf te mogen sturen in zijn handelen. Een bevriend trainer voert elke periode POP-gesprekken (POP staat voor persoonlijk ontwikkelplan) met zijn pupillen. Hij vraagt de pupillen wat ze willen leren en verbeteren en hoe hij ze daarin kan ondersteunen. De doelen van de pupillen worden aan het einde van de periode geëvalueerd. Belangrijk is om de pupillen te stimuleren zelf oplossingen te laten bedenken, van elkaar te laten leren en de trainer moet initiatieven om te leren van de pupillen, waarderen.
Erbij horen, welkom zijn, dat is relatie. Onze behoefte om deel uit te maken van een groep, interacties aan te gaan en om ons verbonden te voelen. En als leerlingen het gevoel hebben dat ze invloed hebben op de relatie, wordt deze alleen maar versterkt. Daarvoor kun je werkvormen bedenken waarbij pupillen elkaar helpen en ondersteunen, waarbij de trainer veiligheid biedt en sensitief is op signalen. Prijzen op afstand en corrigeren van dichtbij.
Wanneer het niet lekker loopt in de training met een kind of de groep kun je deze drie behoeften voor jezelf langslopen. Een trainer kan bijsturen door een interventie te plegen op een van deze drie basisbehoeften.
Het voorbeeld van de POP-gesprekken is een mooi voorbeeld van hoe pupillen bij het ontwikkelproces worden betrokken. Daarin kun je doelgericht zijn en recht doen aan de verschillen tussen de kinderen. Waar ga je aan werken het komend seizoen? Dan is 'goed leren voetballen' niet doelgericht genoeg. Kinderen moeten weten wat er nodig is om goed te leren voetballen: vrijlopen, passen, je man dekken etc. En waar willen zij heel goed in worden in de stap naar goed leren voetballen? Doelgericht leren maakt leren echt effectief. De instructie op het veld moet dan ook zijn: vandaag gaan we leren… En niet: vandaag gaan we doen… Maak pupillen bewust van waar ze aan werken. En doe het zo dat ze het thuis bij het welverdiende kopje thee kunnen navertellen.
De volgende stap is dan: wat heeft dat kind nodig om zijn doel te bereiken? Wat is zijn leerbehoefte? Wat heeft hij nodig van de trainer, van zijn teamgenoten, van de ouders, wat voor soort instructie en feedback heeft hij nodig? Het bekende 'ik doe het voor, dan doen we het samen en dan mag je het zelf proberen' is een didactische toepassing die goed werkt voor veel kinderen. Denk aan de zwemjuf eerder in dit artikel.
Uitgaan van eigen leerdoelen en leerbehoeften verdiept de intrinsieke motivatie van de kinderen en ondersteunt ze wanneer ze een keer niet bijdragen aan het maken van een doelpunt omdat ze hun eigen leerproces hebben. Oftewel ze kunnen hoogstwaarschijnlijk beter omgaan met tegenslagen. Want het principe van belonen en straffen werkt niet wanneer de taak (hier sportsituatie) complex is. Je kunt niet terugvallen op routinematig gedrag uit de tijd waar dit principe in is ontstaan. De pupillen zullen zich meer op de beloning richten dan op de taak. En de taak zien als iets dat de beloning in de weg staat.
En dat is nou juist het spanningsveld in de sport: werken aan je eigen ontwikkeling versus winnen. Als je de laag van het leren dieper maakt dan alleen de beloning en de straf (winnen of verliezen), wordt de training en de wedstrijd alleen maar leuker: niet gewonnen maar wel heel goed met links geschoten!
Neem de eerstvolgende training of zwemles in gedachten: wat zou je kunnen gebruiken of uitproberen? Uitgaan van relatie, competentie, autonomie? Of de training eens langslopen op doelgerichtheid? Een gesprek aangaan met de pupillen over hun leerbehoeften? Ik hoor het graag wanneer er mooie praktijkvoorbeelden zijn! Want deze ingrediënten dragen ertoe bij dat de sporter in elk kind naar boven wordt gehaald. En dat is wat we willen: plezier in bewegen voor iedereen.
Loes Hortensius is eigenaar van Hortensius training en advies. Voor meer informatie: hortensius@hotmail.nl of www.hortensiustrainingenadvies.nl
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.