22 september 2009
Opinie
door: Loek Jorritsma
Onlangs werd sportend Nederland geconfronteerd met het bericht dat de duivensport ook sport is. Althans zo werd het bericht in de landelijke pers gebracht. Wat was het geval? Het Amsterdams Gerechtshof had besloten dat de overkoepelende organisatie in de postduivensport - de Nederlandse Postduiven Organisatie - in het kader van de BTW-vrijstelling, nog steeds een landelijke sportorganisatie was en dus voor vrijstelling in aanmerking bleef komen! (NOOT 1) Dat roept de vraag op of duivensport spórt is.
De belastingdienst meende dat de duivensport geen sport was en dat de organisatie dus ook geen landelijke sportorganisatie kon zijn. De belastingdienst kreeg ongelijk. Dat kregen ze eerder ook toen het ging om de vraag of het parcours van de Vierdaagse al dan niet moest worden beschouwd als een spórtaccommodatie. De belastingdienst claimde van niet, de Hoge Raad besloot van wél. En dat is logisch! Want de vraag wat onder spórt moet worden begrepen was en is losgezongen van wat onder een landelijke spórtorganisatie of een spórtorganisatie moet worden verstaan. Daardoor heeft de rijksoverheid van dit beleidsonderdeel een chaos gemaakt en houdt dat zo. Laten we eens kijken.
Wat is sport?
Onlangs (NOOT 2) heeft de rijksoverheid, VWS en Financiën, aangegeven wat zij onder sport verstaat: “een lichamelijke bezigheid met spel- en wedstrijdelement waarbij conditie en vaardigheid vereist zijn, onderscheidenlijk bevorderd worden”. Dat lijkt helder, maar in de vervolgzin worden ook denksporten, zoals schaken en dammen met spel- en wedstrijdelement, tot sport gerekend. Daarmee wordt bijvoorbeeld al vér afgeweken van de definitie zoals de Europese Commissie geeft in het Witboek Sport:
“de verzameling van alle vormen van lichamelijke activiteit die, al dan niet in georganiseerd verband, ten doel hebben de lichamelijke en geestelijke toestand te verbeteren, de sociale verbanden te ontwikkelen en resultaten te bereiken in competities op alle niveaus.”
Nu hoeft de rijksoverheid van ons land zich natuurlijk niets aan te trekken van wat op Europees niveau aan de orde is, maar enige afstemming zou wel eens nuttig kunnen zijn.
Want de Europese Commissie baseert op basis van haar omschrijving een beleid dat aan ‘de sport’ een aantal uitzonderingen op Europese wet- en regelgeving kan gaan bieden.
Net zoals de rijksoverheid dat nu doet. Want, zo meent de rijksoverheid in hetzelfde document: sportbeoefening is van groot belang voor de volksgezondheid en heeft ook overigens een belangrijke maatschappelijke waarde.
Wat is een landelijke sportorganisatie?
Wat betekent deze beschrijving van spórt nu voor de vraag wanneer je in de ogen van VWS nu wél en wanneer je geen landelijke sportorganisatie bent? Een eerlijk antwoord? Weinig tot niets! Zoals we al zagen wordt er onmiddellijk een (historisch terechte) uitzondering gemaakt voor het schaken en dammen. En dus voor de landelijke organisaties in die takken van sport. Maar vervolgens blijkt dat alle organisaties die nu ‘buitengewoon lid’ zijn van NOC*NSF óók onder de regeling vallen. Denk aan: de Nederlandse Floorball en Unihockeybond, de Naginata Renmei, de Raad van Beheer op Kynologisch (hondensport) gebied in Nederland, de Koninklijke Nederlandse Kennelclub Cynophilia, de Nederlandse Boccia Bond en de Dynamic Tennis Bond. En clubs als Body Move, C.J.C. Oog in al, 55+ sportief, De Blaak, de Heidebloem en de Kruk vallen daardoor ook onder de toepassing van de vrijstelling van de Succssiewet.
Ik gun het ze van harte, daar niet van. Maar het heeft weinig te maken met de vraag of hier sprake is van spórt zoals wordt gedefinieerd. En belangrijker nog: het heeft niet zo veel te maken met de reden waarom er een uitzondering van de Successiewet voor deze organisaties zo nodig is. Het moet immers gaan om die sportbeoefening die van groot belang is voor de volksgezondheid en een belangrijke maatschappelijke waarde vertegenwoordigt. En het is maar de vraag of al die organisaties daaraan een bijdrage leveren. En daarmee vervalt de legitimering voor de vrijstelling!
Met de uitspraak van het Gerechtshof van Amsterdam inzake de duivensport komt daar nog een dimensie bij. Te weten de vaststelling dat álle organisaties die sinds 1954 door de belastingdienst (wat betreft de BTW-vrijstelling) als landelijke sportorganisaties zijn behandeld, als landelijke sportorganisaties dienen te worden beschouwd. Het Ministerie van Financiën stuurde mij de kopie van Schuurman en Jordens (Wet op de omzetbelasting 1954. Editie 1958) waarin op pagina 284 de letterlijke tekst inzake de Duivensport is terug te vinden. De vraag of duivensport spórt is komt niet aan de orde. Er wordt van uitgegaan dat de NPO een landelijke sportorganisatie is omdat deze organisatie zich de beoefening van sport of de bevordering daarvan ten doel stelt. Dat geldt dus voor alle organisaties die sinds 1954 door de belastingdienst als landelijke sportorganisaties zijn behandeld.
Daarmee zijn we er nog niet. Want er zijn ook nog weer andere landelijke sportorganisaties. Kijk op de site van VWS bij de VWS-subsidies:
“VWS heeft een aantal partijen uitgekozen voor het uitvoeren van het sportbeleid. Zij hebben daarvoor subsidie gekregen met een bijbehorend financieringsschema. VWS heeft met de betrokken organisaties ook afspraken gemaakt om de administratieve lasten op het terrein van sport en bewegen terug te dingen. Geselecteerde landelijke sportorganisaties kunnen bij VWS een projectsubsidie aanvragen op basis van de subsidieregeling VWS-subsdies. (..) Andere partijen komen in principe niet voor subsidie in aanmerking. Organisaties die twijfelen over het indienen van een subsidieverzoek, kunnen rechtstreeks contact opnemen met de directie Sport.”
Er zijn dus landelijke sportorganisaties die wél en die niét zijn uitgekozen voor het uitvoeren van het sportbeleid! En voor wie wel geldt dat er afspraken zijn gemaakt op het gebied van de terugdringing van de administratieve lasten kunnen wél een subsidie aanvragen. Voor alle andere organisaties op het gebied van de sport geldt dat niet. De ene landelijke sportorganisatie is de andere niet.
Deze excercitie over sport en de landelijke sportorganisaties kan ook worden gemaakt als het gaat om spórt en sportaccommodaties en sportevenementen. Zie als voorbeeld het gedoe rondom het parcours van de Vierdaagse.
Ik pleit er voor dat de rijksoverheid, onder regie van het vakdepartement, een eenduidige betekenis geeft aan de begrippen spórt, landelijke sportorganisaties, sportaccommodaties en sportevenementen en aan de samenhang tussen deze begrippen. En dat dit mede rekening houdt met en zelfs richting geeft aan de dicussie op Europees gebied inzake het Europese spórtbeleid.
Ik ben benieuwd of Jet Bussemaker het hiermee eens kan zijn.
Noten
1) LJN BJ3084, Gerechtshof Amsterdam, 08/00876. Datum uitspraak: 16-07-2009. Datum publicatie: 21-07-2009. Rechtsgebied: Belasting. Soort procedure: Hoger beroep. Zaaknummers: 08/00876.
2) Vrijstelling sportorganisaties in de Successiewet. Kamerstukken II 2007/08, 31 205 en 31 206, nr. 50, en Kamervragen 2007/08, vraagnr. 2070827120.
Loek Jorritsma was wethouder (o.a. sport) in de gemeente Hoorn (1974–1976). Daarna studeerde hij af in de sociale wetenschappen en werkte vanaf 1979 bij de Directie Sport van het Ministerie van VWS, waar hij onder andere verantwoordelijk was voor de ontwikkeling van het beleid op het gebied van topsportevenementen en topsportaccommodaties. Met ingang van 1 april 2006 is hij met de VUT. Bij zijn afscheid schreef Jorritsma een bijdrage aan de discussie over de juridische verankering van sport in het beleid van de rijksoverheid. Hij pleit er voor om sport meer te zien als een publieke zaak en te komen tot een kaderwet specifiek sportbeleid.
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.