15 mei 2018
Opinie
door: Sandra Meeuwsen
Afgelopen maanden werd op diverse manieren duidelijk dat het begrip ‘sport’ heel verschillend kan worden gedefinieerd en dat dit tot groeiende onrust leidt. Zo kwam eind 2017 het Europese Hof met de uitspraak, dat bridgeverenigingen geen recht op btw-vrijstelling zouden verdienen, omdat deze activiteiten geen ‘echte’ sport zouden zijn, zoals voetbal. Later werd dit besluit verbreed naar andere denksporten als schaken en dammen. De ‘te verwaarlozen lichamelijke component’ tijdens het beoefenen van deze activiteiten gaf volgens het Europese Hof de doorslag.
Inmiddels wordt in Nederland bekeken of de denksporten niet aangemerkt kunnen worden als ‘cultureel erfgoed’, een verbreding om toch gebruik te kunnen blijven maken van de eerder genoemde btw-vrijstelling. Of bridge, schaken en dammen daarmee ook (weer) tot de familie van sport horen, is de vraag. In Nederland zijn en blijven de betreffende bonden vooralsnog gewoon lid van NOC*NSF. Maar dat geldt ook voor andere, in de ogen van sommigen ‘discutabele sporten’ als dansen, darten en sportvissen.
Ook is er de aanhoudende discussie over het sport-gehalte van het competitief spelen van (en kijken naar) op sport gebaseerde cybergames1, door slimme sportmarketeers inmiddels voorzien van het predicaat ‘eSports’. Hier lijken niet de sportieve attitude of lichamelijke aspecten voorop te staan, maar de kansrijke verdienmodellen. Bij de aankondiging van het ‘eSportsX 2018’ evenement eind mei: 'Deze snelgroeiende entertainment categorie biedt enorme business kansen voor marketing, commercie & media om waarde te creëren voor millennials en generatie Z.'
Cultureel erfgoed?
Als dit de huidige criteria voor sport zijn, dan staat de deur open voor cyberpoker, -gokken en het vestigen van records bij het ‘binge watchen’ van Netflix-series. Voor het predicaat ‘cultureel erfgoed’ komen deze digitale activiteiten nog niet in aanmerking, maar er wordt genoeg geld mee verdiend om de fiscus het nakijken te geven.
Een derde categorie betreft activiteiten die plaatsvinden aan de randen van wat wij ‘sport’ noemen en soms het daglicht amper verdragen, maar zich toch maar al te graag associëren met sport. Denk aan cagefighting, paaldansen, Mud Masters en extreme sports als freediving en wingsuit flying. Voor de beoefenaars van deze activiteiten biedt het hanteren van de term ‘sport’ een vorm van erkenning; we horen erbij! En het lijkt ook of daarmee een transparant, gereglementeerd kwaliteitsniveau gepretendeerd wordt, ook al is dit soms nog ver te zoeken.
Tenslotte zijn er de misstanden die onze gedeelde opvattingen over wat ‘gezonde’ of ‘eerlijke’ sport zou moeten zijn, steeds meer op spanning zetten. Is er nog sprake van sport als doping, corruptie en matchfixing - de krachten van de onderstroom - het over lijken te hebben genomen? De roep om een in ethisch opzicht gezuiverde sport zwelt aan; ‘Het Nieuwe Wielrennen’ heet het dan, of ‘Meer Dan Voetbal’, als tegenhanger van het commercieel doorgeschoten financieel management binnen BVO’s. In deze context gaat het meer om de vraag: wat voor sport willen we eigenlijk zijn?
Gangbare definities
De vraag naar wat sport nou eigenlijk precies is of zou moeten zijn, komt in elk van deze kwesties naar voren. De bakens lijken telkens weer verzet te kunnen worden, al naar gelang het belang van de betrokken partijen (fiscaal voordeel, gelijke kansen) of de context (topsport, politiek). Op Allesoversport.nl is een prachtig overzicht te vinden van de ontstaansgeschiedenis en meest gangbare definities van sport. Denk niet dat er één ultieme definitie uit naar voren komt die voor alle bovenstaande kwesties uitsluitsel biedt. Het is eerder andersom: voor elk wat wils, kies zelf maar op welk aspect je accent wilt leggen.
Ben je tegen de commercialisering van sport of wil je vooral het plezier vooropstellen? Kies dan voor het aloude spelbegrip uit ‘Homo Ludens’ van cultuurhistoricus Johan Huizinga (1872-1945), al vond deze laatste zelf dat de ‘moderne’ sport in de jaren dertig van de vorige eeuw al geen spel meer genoemd kon worden: 'Zij blijft, hoe belangrijk ook voor deelnemers en toeschouwers, een steriele functie, waarin de oude spelfactor grotendeels is afgestorven. … Het spel is verernstigd, de speelstemming is er min of meer uit geweken.' (Huizinga, ‘Homo Ludens’, 1938).
Een niet mis te verstaan oordeel over sport! Het romantiseren en idealiseren van de (vermeend) spelmatige kant van sport heeft desondanks generaties coaches, gymleraren en sportbestuurders gevormd. En er is nog meer te kiezen. Bijvoorbeeld voor wie de ‘georganiseerde sport’ - dat wil zeggen de binnen verenigingen beoefende sport - wil afzetten tegen ‘wilde’, ongereglementeerde, sportachtige hypes.
Sport is geen 'play' maar een 'game'
Zoek dan je heil bij de school van de Canadese filosoof Bernard Suits (1925-2007), die de exacte kaders, regels en randvoorwaarden trachtte te definiëren waarbinnen sport een ‘game’ is. Suits en zijn vele Angelsaksische volgers beweren dat sport geen ‘play’ is in de zin van Huizinga (ludiek, vrijblijvend, onschuldig), maar juist een ‘game'2, een specifieke invulling van het begrip ‘spel’, met het accent op de doelgerichtheid en het competitieve karakter:
'To play a game is to attempt to achieve a specific state of affairs (prelusory goal), using only means permitted by rules (lusory means), where the rules prohibit use of more efficient in favor of less efficient means (constitutive rules), and where the rules are accepted just because they make possible such activity (lusory attitude)… playing a game is the voluntary attempt to overcome unnecessary obstacles.' (Suits, ‘The Grasshopper: Games, Life and Utopia’, 1978)
Vanuit deze opvatting kan begrepen worden dat fitness in de Verenigde Staten ook niet als sport wordt gezien. Suits introduceerde bij zijn manier van definiëren van sport het onderscheid tussen een ‘pre-lusory goal’ - het doel van een sport dat voorafgaat aan de specifieke wedstrijd op dag x - en een ‘lusory goal’: het interne doel van de activiteit zelf. Deze zienswijze heeft gemaakt dat winnen, het doel van een ‘game’ steeds meer voorop is komen te staan. Maar we herkennen hier ook het typisch Nederlandse onderscheid tussen ‘sport als doel’ versus ‘sport als middel’. Suits heeft nog wel getracht de spelmatige essentie van sport te beschermen door als voorwaarde te stellen, dat de spelers tijdens het sporten een ‘lusory attitude’ moeten aanhouden; een speelse, ludieke, ontspannen houding.
Deugdethiek als tegengif
Een laatste invalshoek die vanaf de jaren negentig populair is om sport te definiëren, is afgeleid uit het werk van Alasdair MacIntyre (1929 - ). Deze van oorsprong moraalfilosoof grijpt in zijn bekendste werk - ‘After Virtue’ (1981) - terug op Aristoteles, op zoek naar deugdethiek als tegengif contra het liberaal relativisme. In zijn latere werk maakt MacIntyre een onderscheid tussen de ‘praxis’ van bepaalde activiteiten, bijvoorbeeld cultuur, politiek en wetenschap, versus de instituties waarin de juridisch-bestuurlijke randvoorwaarden voor deze praktijken gestold zijn.
Sport wordt naar deze invalshoek gedefinieerd als een sociale praktijk met een specifiek eigen ‘ethos’ (in de sport: Fair Play of ‘sportieve moraal’). De sportpraktijk laat zich vanuit dit sportspecifieke ethos afbakenen van andere sociale praktijken, maar ook van de bijbehorende instituties. De praktijk is wel via regels begrensd, maar gaat altijd vooraf aan haar instituties. Deze normatieve invalshoek om sport te definiëren wordt graag gehanteerd om grensoverschrijdende kwesties in de sport - zoals doping, corruptie en seksuele intimidatie - te relateren aan een te ver doorgeschoten institutionalisering in de sport en deze excessen af te zetten tegen de ‘moreel zuivere’ interne essentie van sport.
Subsidieverordening
En tenslotte wemelt het van de pragmatisch ingestoken, context gebonden definities van sport. Elke gemeente heeft een algemene subsidieverordening (ASV), met eigen criteria voor het bepalen van het ‘ware sportgehalte’ van organisaties en activiteiten. Zijn sportscholen, budocentra, voetbal- en hockeyscholen wel of niet subsidiabel?
Soms wordt het ledenbestand van NOC*NSF hierbij als maatstaf gehanteerd, in andere gevallen het al dan niet uitmaken van het olympisch programma. Dit laatste gaat voorbij aan de dominant commerciële afwegingen die aan de selectie van olympische sporten ten grondslag ligt. Het schrappen en later weer toevoegen van een mondiale sport als honk- en softbal, het vlot incorporeren van mediagevoelige sporten als skateboarden en boulderen, het forceren van onderwaterhockey als olympische sport vanwege de voorkeur van Antonio Samaranch (ex-voorzitter van het IOC); allemaal illustraties van het wispelturige karakter van het olympisch programma. Dit is hierdoor ‘per definitie’ ongeschikt als ijkpunt bij de definitie van sport.
Tijd voor vernieuwing?
In Nederland geldt ‘Grenzen aan de Sport’ uit 2004 van Johan Steenbergen en Jan Tamboer nog altijd als ankerpunt bij het definiëren van sport; een solide overzicht van de eind twintigste eeuw geldende opvattingen over sport. De wens tot begrenzing en bescherming van de georganiseerde sport lijkt centraal te staan: het boek bevat een pleidooi voor een ‘play-game-sportcontinuüm’, een perspectief dat in essentie trouw blijft aan de sport-als-spel mythe, de interpretatie van Homo Ludens door Johan Huizinga. Sindsdien is er weinig nieuws onder de zon. De sportwereld laat zich verleiden tot commercieel opportunisme of draait rond in gedateerde cirkelredeneringen.
Niets menselijks is ons vreemd natuurlijk. Zo heeft collega-sportfilosoof Ivo van Hilvoorde al positie ingenomen in de discussie over eSports3 ; in zijn opinie is het gewoon sport, want '… het is een spel, er zijn spelregels, trainbare vaardigheden, er is sprake van institutionalisering en wereldwijde beoefening.' (Sport Knowhow XL, 30 november 2017).
Een logisch sluitende argumentatie, mits alle genoemde kenmerken unaniem erkend zijn als de onbetwistbare bouwstenen van sport. Het niet uitputtende overzicht hierboven van definities van sport laat al zien dat dat allerminst het geval is. Ook de uitspraak van het Europese Hof over bridge en daarmee alle denksporten, geeft aan dat er geen consensus is. Als we deze uitspraak doortrekken naar alle activiteiten met een ‘te verwaarlozen lichamelijke component’, dan valt eSports ook weg en zijn wel meer rapen gaar in de sportwereld zoals we die nu kennen.
Kortom, er moet nu wel iets gebeuren. We (de sport zelf) zijn aan zet om geen speelbal te blijven in een eindeloze discussie, om niet overgeleverd te zijn aan juristen of fiscalisten, die hun oordeel over wat sport is - of zou moeten zijn - razendsnel vellen. Maar voor we deze handschoen oppakken, wil ik nog enkele opmerkingen plaatsen over de drang tot definiëren. Want waarom moet dat eigenlijk, definiëren?
De prijs van definiëren
Iets willen definiëren gaat over het willen controleren en besturen van die praktijk. Immers, met een bepaalde afbakening worden alle niet tot deze verzameling behorende activiteiten buitengesloten. Daarmee dient het willen definiëren van sport (of elk ander fenomeen) de gevestigde orde; nieuwe vormen, bedreigend voor de verworvenheden van de bestaande orde, kunnen vanuit een breed gedragen definitie op afstand gehouden worden. Anders gezegd: definiëren maakt deel uit van het maatschappelijk proces van ‘disciplineren’, een beladen term sinds Michel Foucault (1926-1984) genadeloos heeft gewezen op de disciplinerende, vervreemdende invloed van onze instituties en systemen.
Vanuit deze visie lijkt de vraag gepast of al die pogingen om sport te definiëren om zo ‘de kracht van sport’ te borgen, niet juist een tegengesteld, inperkend effect hebben gehad. Bovendien geldt: definiëren heeft altijd een prijs. Een bepaald begrip of fenomeen willen definiëren, gaat uit van de zogenaamde correspondentietheorie. Deze in onze manier van denken en spreken ingebakken theorie gaat ervan uit dat een definitie waar is, als deze correspondeert (overeenkomt met) een feit in de wereld. Dus als ik het fenomeen ‘broeikaseffect’ of ‘oorlog’ wil definiëren, dan zal ik in de echte wereld op zoek gaan naar feiten die mijn definitie kunnen staven. Omdat die feiten afhankelijk zijn van wat ik in de definitie wil leggen, oftewel van mijn subjectieve waarnemingspositie, is een eenduidige definitie van dergelijke fenomenen ook zo lastig. En aan een definitie van ‘God’ waagt al helemaal niemand zich meer in onze tijd.
Hoe zit dat met het fenomeen ‘sport’? De belangen en posities binnen en rondom de sport zijn inmiddels zo divers, dat het formuleren van een eenduidige, allesomvattende definitie zo goed als onmogelijk is geworden. Er zal altijd iemand zijn die één van de bouwstenen ervan kan ontkrachten vanuit een andere, ook ‘ware’, perceptie van de werkelijkheid. Dit is de fase van tegenstrijdige gedachtekronkels en drogredeneringen waar we met sport al ’n tijd in terecht zijn gekomen. Bijvoorbeeld: je hersenen laten werken vergt ook een behoorlijke mate van lichamelijke inspanning, cruciaal voor het definiëren van sport, dus eSports en denksporten zijn ook een echte sport. Helpt dit…?
Reductionisme
We zouden ook op zoek kunnen gaan naar de ‘grootste gemene deler’ van wat sport is. Feitelijk is dit tot nu toe de insteek geweest bij het zoeken naar een passende definitie van sport. Deze benadering wordt ook wel reductionisme genoemd; het terugbrengen (reduceren) van de diversiteit van sportmodi4 tot één enkel begrip. De vraag is: moeten we dat willen?
Naar mijn smaak biedt zo’n reductionistische benadering te weinig ruimte aan het dynamische, veelvormige karakter van sport. Sport biedt een rijk veld vol mogelijke ervaringen en identiteiten. De vele verschillende gedaanten van de sport kenmerken juist dit bijzondere, creatieve sociaal-maatschappelijke fenomeen. Zeker, voor praktische zaken als het verdelen van subsidies en het toedelen van fiscale voordelen, is een toetsing gewenst. Maar dit kan ook op basis van andere, lokaal of politiek gekleurde, criteria plaatsvinden.
Anders gezegd: in Amsterdam kan paaldansen wel subsidiabel zijn, terwijl dit in de gemeente Staphorst ondenkbaar is. In de VS is fitness geen sport, terwijl we dit in Nederland heel normaal vinden. Ik werkte een paar jaar terug als interimmanager sport in een 100.000+ gemeente, waar de algemene subsidieverordening moest worden aangepast. De wethouder vond alles best, '… als de denksporten maar niet onder onze definitie van sport gaan vallen!'. Deze context gebonden willekeur is helaas ook een feit. Hoe zou een definitie op metaniveau hier ooit verandering in kunnen brengen?
Het pleidooi voor een specifiek wettelijk kader voor de georganiseerde sport, op dit platform meermaals met verve naar voren gebracht door Loek Jorritsma5, staat hier overigens los van. Een pragmatische beleidskeuze om bepaalde ontwikkelingen in de sport te stimuleren of beschermen, kan altijd gemaakt worden. Zelfs onze grondwet is uiteindelijk ook plaats- en tijdsgebonden. Het wettelijk kader voor welzijn - nu de Wet op Maatschappelijke Ondersteuning (wmo) geheten - is afgelopen decennia ook meerdere malen aangepast aan de wijzigingen in politiek-bestuurlijke dynamiek. Zo zou het ook kunnen gaan bij het ontwerpen van een passend wettelijk kader voor sport.
Van definiëren naar exploreren
Mijn voorstel is om het één te doen (pragmatische keuzes), zonder het ander te laten: een fundamentele herijking van wat sport nou eigenlijk voor fenomeen is, en wat we er in de loop der tijd van gemaakt hebben. Zeker gegeven de actuele uitdagingen in en rond de sport: een almaar uitdijend betekenisveld, de verdergaande instrumentalisering van sport richting het sociaal domein en het groeiend aantal excessen in de sport: geweld, seksuele intimidatie, matchfixing, doping en allerlei vraagstukken op het gebied van governance en diversiteit.
Is er in de vele varianten, toepassingsvormen en neveneffecten van sport nog iets van een essentie te benoemen, die haar rijkdom insluit en de uitwassen verklaart? Wat ís sport in essentie? Het willen beschrijven van de essentie of het wezen van sport kan in filosofische termen als een ontologisch vraagstuk worden beschouwd. De term ‘ontologie’ is afkomstig van de Duitse verlichtingsfilosoof Christian Wolff (1679 – 1754). Het begrip verbindt de Griekse woorden λογοξ (‘logos’ = leer) en το οντοξ (‘to óntos’ = van het zijnde). De letterlijke betekenis van ontologie is dus: leer van het zijnde, kortweg: zijnsleer. In deze tijd is een nieuwe ontologie van de sport hard nodig: wat is de zijnswijze van sport? Laten we exploreren, vanuit welk ontologisch begrippenkader we sport zodanig kunnen herkaderen, dat recht wordt gedaan aan haar glorieuze, maar ook ambigue karakter, dus aan de dood én de gladiolen. Eventuele definitiekwesties volgen wat mij betreft echt pas daarna.
Noten:
Sandra Meeuwsen is (sport)filosoof en onafhankelijk expert op het gebied van Sport Impact. Zij promoveert aan de Vrije Universiteit Brussel (Faculteit Wijsbegeerte en Moraalwetenschappen) bij prof. dr Marc Van den Bossche op de wijsgerige contouren van een nieuwe ontologie van de sport. Daarnaast is zij docent en Academic Advisor bij de Wagner Group. Contact: info@soulconsult.nl
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.