19 augustus 2008
Opinie
Vanaf het begin van de jaren zeventig nam het aantal leden van sportverenigingen in Nederland en andere West-Europese landen snel toe. Daarnaast gingen steeds meer mensen buiten deze verenigingen zwemmen, hardlopen en racefietsen. Iets later nam het aantal sportscholen en de bezoekers daarvan sterk toe. In die scholen gingen vrouwen allerlei vormen van aerobics doen en mannen allerlei vormen van krachttraining en gematigde vormen van bodybuilding. Mensen gingen dus meer doen aan allerlei vormen van lichaamsoefening en omdat al die vormen toenamen zou men kunnen zeggen dat de ene vorm niet concurreerde met de andere. De markt voor lichaamsoefeningen bestond kennelijk uit duidelijk gescheiden segmenten. Mijn punt is dat de rijksoverheid deze segmentering over het algemeen genegeerd heeft en dat de nadelige consequenties daarvan steeds duidelijker worden.
De rijksoverheid bezag de sport over het algemeen vanuit een vaag geformuleerd welzijns- en een gezondheidsperspectief. Vanuit die perspectieven maakte het niet veel uit op welke manier men zijn lichaam oefende, in een vereniging, individueel of in een informeel groepje of in het kader van een sportschool. Omdat het meeste sportonderzoek in opdracht van de rijksoverheid plaats vond, negeerden onderzoekers deze segmentering eveneens. Wiens brood men eet, wiens woord men spreekt!
Bij de eerste wetenschappelijke telling van sportbeoefenaren van overheidswege - het onderzoek van Th. Manders en J. Kropman (1974) - werden sportbeoefenaren onderscheiden in criterium sporters, gelegenheidssporters en combinatiesporters. Als gelegenheidssporter kon men al geteld worden als men opgaf een keer per jaar een sport te beoefenen. Door deze vorm van definiëring konden de onderzoekers vaststellen dat slechts 10% van de 15- tot 50-jarigen criteriumsporters waren, die meer dan tien keer per jaar prestatie - of wedstrijdgericht aan sport deden. 50% van de respondenten waren gelegenheidssporters. Daarnaast waren er 15 % combinatiesporters, die ten minste een sport als criteriumsporter beoefenden en verder nog andere sporten noemden die ze wel eens beoefenden. Van de respondenten deed 25%, ondanks de ruime criteria voor gelegenheidssporters, helemaal niet aan sport. De onderzoekers concludeerden onder meer dat de overheid bij besluiten over de inrichting of plaatsing van sportaccommodaties beter rekening kon houden met de wensen van gelegenheidssporters dan van criteriumsporters (Manders en Kropman 1974, 146).
De overheid achtte het in die tijd duidelijk nodig een eigen visie op sport te ontwikkelen, onafhankelijk van de sportbonden, ten einde tot een beleid te komen dat recht deed aan zowel de verenigingssport als de sportieve activiteiten buiten verenigingsverband. Na die tijd zijn de wetenschappelijke tellers van het aantal sportbeoefenaren in deze lijn verder gegaan. Toen de fitness zichtbaar ging worden voor de tellers van sportieve activiteit (1991) werd ook deze activiteit zonder meer als vorm van sport meegeteld. Toen het skeeleren en skaten gingen opvallen (1999), werden ook deze activiteiten zonder meer meegeteld (SCP 2003, 2006).
Gelukkig is in de Rapportage Sport van het SCP van 2006 het begin van een gevoel van onbehagen waarneembaar met het ongenuanceerd bij elkaar optellen van allerlei uiteenlopende activiteiten onder de noemer sport. In de inleiding wordt enerzijds gesteld dat: ‘Gehoopt en verwacht wordt dat de lezer voldoende bekend is met de term ‘sport’ om te begrijpen waar dit rapport over gaat en dat het ontbreken van een eenduidige definitie van sport de interpretatie van de uitkomsten niet al te zeer in de weg staat’ (SCP 2006, 18). Even verder stelt de auteur (K.Breedveld) dat het toch wel belangrijk is om na te denken wat nu precies onder sport wordt verstaan en wat niet. ‘Voor zowel het onderzoek naar sport als het sportbeleid en –bestuur is het van belang om te weten wat hun onderwerp is, en vooral: wat daar niet toe behoort’ (idem).
We weten inmiddels dat een afdoende definitie van sport niet te geven is. Wat echter wel kan is een aantal duidelijke segmenten op het algemene gebied van de sport onderscheiden. Het bezwaar tegen de huidige manier van tellen van het aantal sportbeoefenaren is niet dat we niet kunnen zeggen wat sport is, maar dat heel verschillende segmenten van sport door elkaar worden gehaald, zodat er een brei ontstaat waar niemand wat aan heeft. Ook vanuit de drie doelstellingen van het overheidsbeleid (gezondheid, cohesie en trots/uitstraling) is erkenning van deze segmenten noodzakelijk.
In de eerste plaats is het de vraag wat de overheid te maken heeft met het door en door commercieel georganiseerde segment van de fitness. Vanuit het gezondheidsperspectief is er wat voor te zeggen om deze vorm van lichaamsoefening als afzonderlijk segment mee te nemen in overzichten van de sportbeoefening, maar verder behoort dit segment tot een commercieel gebied waar de overheid in principe even weinig te zoeken heeft als in de sector van de schoonheidssalons etc.
Dan kan men vervolgens een onderscheid maken tussen de binnen de NOC*NSF georganiseerde sport en de anders georganiseerde sport. In tegenstelling tot de fitness gaat het hierbij over het algemeen om niet op commerciële basis geschoeide activiteiten, waarvoor een uitgebreid stelsel van overheidssubsidiëring is ontstaan. Daardoor zijn ze ook object geworden van overheidsbeleid. In de SCP rapportage van 2006 wordt deze ‘NOC*NSF-sport’ met een knipoog de ‘echte’sport genoemd (SCP 2006, 15). De anders georganiseerde sport is in ieder geval uit gezondheid perspectief belangrijk voor de rijksoverheid. Dit segment lijkt geen topsporters op te leveren en de betekenis ervan voor de sociale cohesie is nog nooit goed vastgesteld. Tal van gesubsidieerde welzijnsorganisaties proberen op dit gebied een graantje mee te pikken, b.v. door sport in de wijken te brengen, maar hun bijdrage is in verhouding tot de verenigingssport marginaal (1,4% tegenover 26.4% , (RSO 2001, 14)).
De binnen NOC*NSF georganiseerde sport moet weer uit de brei gevist worden waar die in terecht is gekomen sinds het onderzoek van Manders en Kropman. De verenigingen zijn de sociale cohesie bevorderende organisaties bij uitstek. Iedere vereniging heeft om voort te bestaan er het grootste belang bij haar leden nauw te binden. Ook al verenigt men zich per club op homogene basis, men functioneert binnen een nationale bond met duidelijke regels voor sportief gedrag. Via wedstrijden, competities en toernooien komen de leden van verschillende verenigingen elkaar tegen en leert eenieder die ontmoetingen binnen de voorgeschreven regels te laten verlopen. Ook levert de NOC*NSF sport het gros van de topsporters en topsportteams die Nederland internationaal vertegenwoordigen. Van hen hangt het af hoe Nederland via de sport in het buitenland gezien wordt en hoe de stemming van de Nederlandse bevolking door sportprestaties beïnvloed wordt.
Door de brei die het tellen van het aantal sportbeoefenaren in de huidige situatie oplevert, valt er vrijwel niets te zeggen hoe het met ieder van deze segmenten precies gaat. Door in volgende rapportages voor ieder van deze segmenten apart te rapporteren kan veel beter dan nu het geval is de stand van zaken op sportgebied in Nederland opgemaakt worden. Alleen dan kunnen deelnamecijfers relevant worden als beleidsinstrument.
Literatuur
- Manders, Th en Kropman, J. (1974)
Sportbeoefening en zijn organisatiegraad. ITS, Nijmegen;
- RSO (2001)
Peiling Sportbeoefening 2001. NOC*NSF;
- SCP (2003) Rapportage Sport
2003. SCP Den Haag;
- SCP (2006) Rapportage Sport 2006. SCP Den
Haag.
Dr. Ruud Stokvis is als onderzoeker verbonden aan de
Amsterdam School for Social Science Research (ASSR). Hij schreef vier boeken
over sport: ‘Strijd over sport. Ideologische en organisatorische ontwikkelingen’
(proefschrift 1978), ‘De Sportwereld. Een sociologische inleiding’ (1989),
‘Sport, publiek en de media’ (2003) en (samen met Ivo van Hilvoorde) ‘Fitter,
harder, mooier. De onweerstaanbare opkomst van de fitnesscultuur’ (2008). In
2008 verscheen ook zijn bijdrage aan het jubileumboek van de Koninklijke
Nederlandse Studenten Roeibond: ‘De naoorlogse geschiedenis van de
KNSRB’.
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.