Jelle Schoemaker & Job Gulikers
Meer democratie in het voetbal is geen wondermiddel en meer marktwerking geen vloek. Deze repliek betoogt dat duurzame legitimiteit vraagt om hybride vormen van governance, waarin publieke waarden niet op clubniveau worden geromantiseerd, maar op competitieniveau moeten worden gewogen tegenover sportieve en commerciële waarden.
20 januari 2026
Opinie
De serie ‘Van wie is de club?’ van Jan de Leeuw levert een waardevolle en broodnodige analyse van eigendom en zeggenschap in het betaald voetbal. De kracht van zijn betoog ligt in het zichtbaar maken van de democratische tekorten die zijn ontstaan door de doorgeschoten toepassing van het Angelsaksische model: externe eigenaars, marginalisering van supporters en een verschraling van voetbalcultuur. Die diagnose is overtuigend en herkenbaar, zeker in het licht van casussen zoals Vitesse en de verdere commercialisering van het internationale topvoetbal.
Tegelijkertijd roept het normatieve pleidooi voor het Rijnlandmodel vragen op. Niet zozeer over de wenselijkheid van meer democratische tegenmacht, maar over de veronderstelde superioriteit van het Rijnlandmodel als eindpunt. In deze repliek betogen we dat democratische eigendomsvormen hun eigen structurele risico’s kennen en dat de opgave niet ligt in een terugkeer naar een geïdealiseerd model, maar in het vinden van hybride governance-vormen die het beste uit beide werelden combineren.
In Jan de Leeuws analyse worden de nadelen van het Rijnlandmodel vooral benoemd als: 'niet altijd mogelijk om de club te behouden' en 'minder geld in het voetbal'. Dat zijn echter beschrijvingen van mogelijke uitkomsten binnen een dynamisch krachtenveld, geen analyse van de onderliggende bestuurlijke mechanismen. Het fundamentelere risico ligt niet in verlies van eigendom, maar in de werking van collectieve besluitvorming zelf.
Wanneer leden, fans en andere stakeholders directe invloed hebben op bestuur en beleid, kan al snel een vorm van achterbanpolitiek ontstaan. Besturen die afhankelijk zijn van verkiezingen of goedkeuring door ledenvergaderingen, kunnen noodzakelijke maar impopulaire maatregelen uitstellen: saneringen, het afbouwen van ambities, het verbreken van emotioneel beladen relaties of het accepteren van sportieve terugval. Waar in het Angelsaksische model kortetermijndenken wordt gedreven door aandeelhoudersdruk, kan in het Rijnlandmodel een vergelijkbare korte-termijnlogica ontstaan via legitimiteit en populariteit bij de achterban.
"Democratie is een waarde, maar geen garantie voor goed bestuur"
Jelle Schoemaker & Job Gulikers
Dit risico is niet alleen theorie. FC Barcelona laat zien hoe een democratisch socios-model kan leiden tot electorale beloftes, structurele schulden en bestuurlijke polarisatie. Ook clubs als Schalke 04 en Hannover 96, met sterke ledeninvloed, kampen met instabiliteit, interne conflicten en sportieve neergang. En het Engelse Exeter City, volledig in handen van supporters, balanceert op de rand van de financiële afgrond door onverantwoorde uitgaven. Democratische zeggenschap op clubniveau garandeert dus geen langetermijnbeleid; zij verplaatst slechts de bron van korte-termijndruk.
De problematiek wordt nog scherper wanneer we kijken naar instituties met grote belangen en formeel democratische structuren. FIFA is daarvan het meest pregnante voorbeeld. Als ledenorganisatie met ‘one country, one vote’ zou zij in Rijnlandse termen goed gesitueerd zijn, maar in de praktijk leidde dit toch tot corruptie en machtspolitiek. Democratische legitimiteit zonder sterke checks & balances kan zelfverrijking en vriendjespolitiek juist institutionaliseren.
Dit ondergraaft het impliciete normatieve uitgangspunt dat meer democratie automatisch leidt tot betere uitkomsten. Democratie is een waarde, maar geen garantie voor goed bestuur. Ook democratische organisaties hebben prikkels nodig voor transparantie, verantwoordelijkheid en correctie van falend beleid.
Een evenwichtige analyse vraagt ook erkenning van wat het Angelsaksische model heeft gebracht. Het Europese topvoetbal is sinds het midden van de jaren negentig uitgegroeid tot een mondiale entertainmentindustrie met ongekende economische groei. De totale inkomsten van de Big Five-competities zijn in deze periode verviervoudigd tot 20 miljard euro per jaar, een groeipad dat ver boven de gemiddelde economische groei in dezelfde landen ligt.
"Een winstgedreven, Angelsaksische benadering kan dan juist bijdragen aan financiële duurzaamheid met uiteindelijk meer publieke waarde"
Jelle Schoemaker & Job Gulikers
Die ontwikkeling werd mede mogelijk gemaakt door kapitaalinjecties, internationalisering, digitalisering, marketinginnovatie en het professionaliseren van sportorganisaties. Hierdoor is het Europese clubvoetbal een mondiale sector geworden, met miljoenenbanen, wereldwijde zichtbaarheid en sterke sociale binding. Deze transformatie heeft ook publieke waarde gegenereerd, niet alleen economische opbrengst.
Daarnaast komen clubs niet in problemen omdat ze een externe eigenaar hebben, maar omdat ze sportief succes najagen zonder oog voor financiële grenzen, soms door aandeelhouders, soms door supporters. Als verliezen toch worden opgevangen door de samenleving, verdwijnt de prikkel tot voorzichtig bestuur. Een winstgedreven, Angelsaksische benadering kan dan juist bijdragen aan financiële duurzaamheid met uiteindelijk meer publieke waarde. Dat relativeert het idee dat Rijnland automatisch maatschappelijk veiliger is.
Het Angelsaksische model heeft het Europese topvoetbal ongekende economische groei gebracht, maar die groei ging gepaard met vervreemding van supporters, oplopende ongelijkheid en een groeiende afhankelijkheid van extern kapitaal. Dát zijn de structurele keerzijden van succes, die vragen om gerichte correctie in plaats van een verwerping van het model als geheel.
Het verdient aanbeveling om de democratische betrokkenheid niet uitsluitend op clubniveau te organiseren. Dit omdat lokale emoties, sportieve urgentie en financiële schaarste ook bij betrokken leden tot kortademige besluitvorming leiden. De instituties die verantwoordelijk zijn voor de gehele competitie bepalen uiteindelijk de contouren van de competitie als ecosysteem: van televisiegelden en speelschema’s tot licentie-eisen en eigendomsregels. Juist in deze kaders ligt de ruimte om publieke belangen structureel te organiseren en te beschermen. Maar dat gebeurt nog te weinig. Zelfs in Duitsland, met verregaande fanbetrokkenheid op clubniveau, moesten supporters alsnog zelf massaal de hakken in het zand zetten, voordat een DFL-investeringsdeal van tafel ging. Dat signaal is krachtig en veelzeggend: zelfs in een Rijnlands systeem moesten fans buiten de formele besluitvorming om ingrijpen om het systeem te corrigeren.
In Engeland wordt deze les inmiddels expliciet getrokken. Daar is een wettelijke basis gelegd voor een onafhankelijke voetbalregulator, die vanaf 1 januari 2026 op systeemniveau kan ingrijpen bij risicovolle eigenaarsstructuren of aantasting van cultureel erfgoed. Cruciaal is dat democratische betrokkenheid hier niet vrijblijvend is, maar wordt gekoppeld aan licentie-eisen: clubs moeten aantonen hoe zij supporters structureel hebben betrokken bij besluiten over identiteit en erfgoed. De verantwoordelijkheid voor publieke waarden wordt zo niet bij de goede wil van individuele clubs gelegd, maar institutioneel verankerd. Het lijkt op een Angelsaksische League Commission, maar dan met Rijnlandse waarden: publieke zeggenschap en wettelijke borging vanuit de staat. Ook deze mengvorm laat zien dat eigendomsstructuur niet allesbepalend is. Het gaat om de ordening van tegenmacht, die vooral moet gaan over het publieke speelveld in plaats van individuele clubs.
Deze repliek pleit voor een balans tussen Angelsaksische en Rijnlandse elementen. Het klinkt redelijk en verbindend, maar verhult tegelijk dat spanningen tussen waarden niet altijd oplosbaar zijn. Meer democratie kan botsen met investeringskracht. Culturele authenticiteit kan conflicteren met sportieve ambitie. Stabiliteit kan innovatie in de weg staan. Op zulke momenten bestaat er geen neutrale middenweg, maar moeten keuzes worden gemaakt, en die keuzes zijn per definitie normatief. De vraag is dan: wie maakt die keuze, namens wie, en met welk mandaat?
Als voetbal inderdaad een publieke en culturele zaak is, dan vraagt dat om beter begrip van de waarden, voorkeuren en afruilen die we als collectief bereid zijn te maken binnen een speelveld van schaarste. Willen we absolute zeggenschap, ook als dat sportieve ambities begrenst? Of accepteren we extern kapitaal, mits bepaalde culturele grenzen niet worden overschreden? En waar liggen die grenzen dan? Het betekent ook dat we eigenaarschap moeten zien als een verdelingsvraagstuk: wie heeft toegang tot de beslisstructuren, wie wordt gehoord, en hoe worden afwegingen gelegitimeerd?
"Democratie is geen strak, efficiënt beslissysteem maar een proces van conflict, compromis en onvolmaaktheid"
Jelle Schoemaker & Job Gulikers
Dergelijke afwegingen blijft in de praktijk lastig, mede omdat het perspectief van de burger niet noodzakelijkerwijs samenvalt met dat van de supporter. Belangen lopen uiteen, en duurzame participatie vraagt om representativiteit, organisatie en voortdurende afstemming. Daarbij: zeggenschap is geen eenrichtingsverkeer: wie invloed opeist, moet ook verantwoordelijkheid kunnen nemen. Voor keuzes die pijn doen, voor gedragsnormen binnen de achterban en voor het beheersen van maatschappelijke risico’s.
Democratie is geen strak, efficiënt beslissysteem maar een proces van conflict, compromis en onvolmaaktheid. Door een maatschappelijke stem op competitieniveau te structureren, kan het normatieve appel van Jan de Leeuw worden vertaald naar bestuurlijke realiteit, zonder te vervallen in nostalgie. Competitieorganisaties moeten daarbij zorgen voor gelijke spelregels, zodat individuele clubs niet worden gestraft voor verantwoordelijkheid die anderen ontwijken. Zo ontstaat geen terugkeer naar een ideaalmodel, maar een stap voorwaarts naar een gedeeld speelveld, waarin commerciële en sportieve waarden structureel worden afgewogen voor het publieke belang.
Jelle Schoemaker en Job Gulikers zijn verbonden aan de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen, waar zij de minor Voetbalbusiness verzorgen. Daarnaast doen zij onderzoek binnen het Sports & Economics Research Centre van het lectoraat Sport, Bewegen en Samenleving.
Deel dit bericht:
Door: Jelle Schoemaker & Job Gulikers
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.