Go with Golazo
Sportknowhowxl
Home
Opinie
Reactie van anton geesink op open podium bijdrage jan loorbach

Reactie van Anton Geesink op 'Open Podium'-bijdrage Jan Loorbach

26 maart 2008

Opinie

door: Anton Geesink

De termen ‘verplichten’, ‘top down’ en ‘centraliseren’ werken op de doorsnee Nederlander als een rode lap op een stier. Als je je dus uit lijfsbehoud voor je eigen ‘13 aanbevelingen voor Goed Sportbestuur’ verzet tegen de discussie over een nieuw document, dan weet je dat je oppervlakkige lezers op je hand hebt. Ik vind dat jurist Loorbach zich zeer beledigend en laatdunkend uitlaat over het bestuurskundig rapport van een wereldwijd erkende autoriteit op het terrein van bestuurskunde (prof. dr. De Vries, hoogleraar bestuurskunde aan de Universiteit van Leiden, Campus Den Haag) en zijn onderzoeksteam.

Loorbach neemt verschillende keren het woord ‘vleiend’ in de mond, vooral om complimenten aan te halen die hij eerder voor ‘zijn’ 13 aanbevelingen voor Goed Sportbestuur inhaleerde. Hij voelt zich gevleid dat de commissie zijn naam heeft gekregen. Toch blijkt geen respect voor de commissieleden. Hij haalt namelijk één van de leden van zijn commissie volledig onderuit. Ik bedoel dan mevrouw Mr. Fleuren-van Walsem. Zij is door prof. De Vries gevraagd in de klankbordgroep zitting te nemen, mede vanwege haar lidmaatschap van de Commissie 13 Aanbevelingen voor Goed Sportbestuur. Zij denkt blijkbaar anders over de inhoud en aanbevelingen (en met name de houdbaarheid ervan) dan Jan Loorbach zelf. Simpelweg: zij denkt in termen van ontwikkeling, terwijl Loorbach statisch vasthoudt aan zijn rapport.

De ‘13 aanbevelingen voor Goed Sportbestuur’ zijn precies drie jaar geleden door de bonden aangenomen. Ieder bestuurder weet dat beleid op enig moment tegen het licht moet worden gehouden omdat het ‘stolt’. Aanpassingen zijn dan bespreekbaar op basis van de opgedane ervaringen. Dat Loorbach ex-minster Netelenbos erbij sleept en hij de waarschijnlijk de uit zijn studententijd stammende ‘omgevallen boekenkast’ aanhaalt, zijn tekenend voor zijn wanhoop dat er iets met de aanbevelingen van de Commissie Loorbach gaat gebeuren. Ik heb ook nog wel een metafoor voor hem: ‘Het verleden is geen hangmat, maar een springplank’.

Maar wat erger is, ik ben er nu al van overtuigd dat zijn platvloerse reactie een open discussie over ‘besturen als sport’ onmogelijk heeft gemaakt. De eerste indruk blijft immers hangen bij velen, ongeacht of die indruk de bedoelingen van het rapport werkelijk weergeeft. Dat hij een loopje neemt met de werkelijke strekking van de aanbevelingen in ‘Besturen als sport’ doet bij de meesten dan niet meer ter zake. Maar dat moet je wel de voorzitter van de Commissie Loorbach verwijten.

Van de voorzitter van de Commissie ‘Loorbach’ die voor 100.000 euro 13 Aanbevelingen formuleerde, mag je eerlijkheid verwachten over een rapport dat de sport niets kostte. Ik heb het initiatief tot het maken van het rapport genomen bij gelegenheid van mijn 20jarig IOC-lidmaatschap en heb met prof. dr. De Vries, het Ministerie van VWS bereid gevonden het onderzoek te financieren. Voor de goede orde benadruk ik na het initiëren van het onderzoek het werk aan prof. dr. De Vries en zijn team heb overgelaten. Mijn inhoudelijke bijdrage bleef beperkt tot het interview met mij. Ik vind en vond ik bij gelegenheid van mijn 20-jarig jubileum als de IOC-vertegenwoordiger in het bestuur van NOC*NSF de tijd rijp was - naast de vele beleidsnotities die ik twintig jaar lang heb aangeboden - voor een onafhankelijk onderzoek naar de sportbestuurlijke ontwikkelingen in Nederland door een onafhankelijke autoriteit op bestuurskundig terrein.

Het uniform bestuurscompetentie model
‘Besturen als Sport’ is niet meer of minder dan aanzet tot cultuurverandering die zowel bij een kleine als grote bond telt en afrekent met de gedachte dat het vanzelfsprekend is dat de afstand tussen bestuur-leden-management groter wordt naarmate de organisatie groter is.
Het is gebaseerd op de wijze waarop bestuurders ‘binnenkomen’ (‘Je oogst wat je zaait’).
Een dergelijke denkwijze tast de autonomiteit van een bestuur absoluut niet aan en staat los van centralisme.
 
De discussie over paragraaf 5.4 (opheffen van het verbod dat bestuursleden van NOC*NSF ook bestuurslid kunnen zijn van een bond; deze clausule snijdt de doorstroom van sportbestuurders de pas af, terwijl het schrappen van dat verbod de stemgerechtigden een extra keuze laat uit meerdere mogelijkheden) past ook helemaal bij die cultuuromslag. Hoe breder de culturen die vertegenwoordigd zijn in een bestuur, des te groter de kans dat eenzijdigheid (homogeniteit) in het bestuur voorkomen wordt. Als een bestuur (i.c. NOC*NSF) zijn eigen opvolgers selecteert die vervolgens zonder geheime stemming benoemd worden, neemt de afhankelijkheid van het management toe.

Evenwicht tussen kennismacht en bestuursmacht is de basis van het bestuursmodel dat prof. dr. De Vries voorstelt. Met alle andere voordelen die het heeft.

Competenties Nederlandse bestuursleden in sportsector
De term competentie is onherroepelijk verbonden aan het toepassen van de kennis en kunde in de praktijk. Voorbeeld: voor het penningmeesterschap van een sportvereniging, kleine bond, grote bond of NOC*NSF mag je dezelfde individuele en aanvullende collectieve competenties stellen. Alleen is er een wereld van verschil in de omgeving waarin je die kennis en kunde moet toepassen en dat houdt in dat bijvoorbeeld financieel-economisch inzicht van een penningmeester van een clubje anders mag zijn dan dat van de penningmeester van NOC*NSF. Maar het principe van technisch-economisch inzicht blijft helemaal overeind op alle niveaus. 

Noodzaak directiestatuut
Veel lezers van Sport Knowhow XL werken in een organisatie buiten de sport waar zij hun salaris verdienen. Ik stel voor dat deze lezers voor zichzelf nagaan of het bedrijf waarin ze werken, werkt met een directie-statuut of niet. Daar vinden ze het toch blijkbaar ook belangrijk. Daarom de vraag: willen we een professionelere aanpak in het sportbestuur of niet?

Ook hier gaat Loorbach voorbij aan de genoemde verbetering van de doorstroom etc.

Over de bestuursnotitie die NOC*NSF inmiddels liet samenstellen
Inmiddels is aan de bestuursleden van NOC*NSF een notitie voorgelegd over ‘Besturen als sport’. Veel passages over ‘Besturen als Sport’ zijn sympathiek geformuleerd (andere niet). Toch wijs ik op een meer principiële zaak: de verhouding binnen NOC*NSF tussen bestuur en werkapparaat.

Twee NOC*NSF bestuursleden behoorden tot de tien geïnterviewden voor het onderzoek. Van het NOC*NSF werkapparaat werd één medewerker geïnterviewd.

Is het toeval dat de geïnterviewde uit het werkapparaat de opdracht kreeg een bestuursnotitie te schrijven zonder dat de bestuurders zelf er ook maar via de zijlijn werden betrokken? Ik vind van niet. Dit soort zaken – al is na het vertrek van de vorige voorzitter al veel verbeterd - is tekenend voor de verhouding werkapparaat-bestuur: de professional krijgt in de notitie de kans de visie van het werkapparaat zoals die al in het interview is opgetekend verder te versterken, terwijl ik als bestuurder in de oppositie wordt geplaatst.

Loorbach
Ik vind de reactie van Loorbach dus ondermaats. Wij mogen ons realiseren dat het rapport breed is verspreid: IOC, NOC*NSF-bestuur, sportbonden, ministerie van VWS en pers. De negatieve reactie van Loorbach is daarbij een absolute uitzondering. Ofschoon als gezegd, ik verwacht dat zijn reactie richtingbepalend is voor de verdere discussie omdat een eerste indruk hangen blijft, blijf ik hopen op een meer objectieve discussie gericht op de toekomst van sportbestuurlijk Nederland.

Anton J. Geesink is de vertegenwoordiger van het Internationaal Olympisch Comité (IOC) in Nederland

Deel dit bericht:

0 reacties

Nog geen reacties. Wees de eerste!

Voeg je reactie toe

Meer over:

Blijf op de hoogte

Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de 
belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.