26 januari 2010
Opinie
Wie kaatst, kan de bal verwachten
Hoewel ik mijn stuk als een voorzet zag (dat heb je als voetballer) voor debat en ik nu een één-twee kan maken dankzij een gepassioneerde medespeelster, doet het bovenstaande (aan sport ontleende) gezegde het meeste recht aan de reactie van Sandra Meeuwsen op mijn volgens Sandra normatieve, zelfs Cartesiaanse schijntegenstelling tussen betaalde rationaliteit en vrijwillige liefde.
Sandra heeft gelijk. Mijn voorzet zet de zaken scherp aan en wil voor even de deur sluiten om even na te denken. Dit voordat we Sandra’s oproep volgen vooral naar de frisse – en op den duur gure – wind van de markt te luisteren omdat die ons verder moet brengen. Ik geloof daar wat minder in dan Sandra voor een sector die al meer dan 120 jaar bestaat, die bijna vijf miljoen deelnemers telt waaronder ruim één miljoen tante Sjaans en ome Keessies. Een sector die zich in die 120 jaar keer op keer op basis van de eigen principes – ‘door en voor elkaar’ zoals Sandra ook zelf opmerkt - heeft weten aan te passen en vernieuwen. Maar dat is mogelijk gewoon een kwestie van verschil in beoordeling tussen Sandra en mij. In mijn ogen loopt de gerationaliseerde marktwerking van fitness nog behoorlijk achter ondanks de steun van marketingexperts, maatschappelijke trends als individualisering, informatisering en al die modes die voorspellen dat georganiseerde sport het zal verliezen als ze niet dezelfde principes als uitgangspunt neemt.
Natuurlijk kan je plezier hebben met de losse verbanden (weak ties) bij fitness of de anders georganiseerde sport maar de strong ties van de sport zijn nu bij uitstek al meer dan honderd jaar de unieke sociaal-culturele bijdrage van de sport aan de Nederlandse samenleving. Het zijn die – ouderwets gepassioneerde - banden die volgens onderzoek sociaal kapitaal produceren (zelfvertrouwen, vertrouwen in anderen en netwerken), het zijn die verbanden die – welkom ondersteund door professionals van bonden – ontmoetingen mogelijk maken tussen andersdenkenden; het is die structuur, die op basis van het recht van vereniging aan iedereen een kamer geeft die in de andere kamers van het huis zich niet welkom voelen of welkom zijn. Dat zijn geen afgekochte financiële arrangementen maar dat is de sociale structuur vanwege welke het voor een overheid interessant is sport serieuzer te nemen dan alleen een plaats waar je kan hollen en rennen.
Ik heb niets tegen gepassioneerde professionals. In mijn werk hoop ik dat die eigenschap mij onderscheidt van de techneuten. Ik ben niet zo Cartesiaans dat iedere vrijwilliger bij voorbaat goed is en een professional fout. Maar ik vraag wel om bezinning bij het uitleveren van de sport aan de wetten van de markt en de rationalisering van de gezagsverhoudingen, sociale verhoudingen en zelfs en vooral eigendomsverhoudingen.
Sport is (nog) van ons allemaal. Dat verplicht ons te investeren in bestuur, in gezonde verhoudingen voor onze kinderen, voor gezonde verhoudingen met onbekenden die we ontmoeten, voor een gezonde ethiek van onze organisatie en ja, voor afstemming op de ontwikkelingen in de samenleving. Dat gaat niet altijd goed maar daar winden we ons als eigenaars over op. Dat is wat anders dan klantgedrag stimuleren en door professionalisering denken in termen van CAO’s en ARBO-wetten.
Wist u dat bij een zeer bekende BVO de vrijwilligers veel minder ziekteverzuim hebben dan de professionals. Gaat u ook naar de wedstrijd van uw team ondanks dat u ziek bent of vergadert u ook tot s’ avonds laat? Gaat u als vrijwilliger ook vaak uw grenzen voorbij? Vindt u het ook heerlijk om van een sterkere tegenstander onverdiend te winnen? Daar kan de frisse wind van de markt voor de sector als geheel niet tegenop. Daar gaat het - ook door Sandra - geponeerde verschijnsel van ‘door-en-voor elkaar’ niet op. Daar gaat op hoe je de grootste wordt, wie het meeste winst maakt, hoe je onrendabele kosten saneert (vooral overbodige menskracht). Daar is passie welkom, maar wel de passie die door de baas voorgeschreven wordt.
Als wetenschapper heb ik niets tegen rationalisering. Het is de grondslag van mijn werk. Maar ik weet ook dat daarom mijn verklaringsgrond van verschijnselen beperkt is. Soms zijn het die gepassioneerde, moeilijk in wetenschap vangbare aspecten, die verklarend zijn. Die uitmaken of een organisatie excellent is, of iemand leiderskwaliteiten heeft, goed of slecht presteert, weet te binden of niet. Wat rationaliteit aan die aspecten toevoegen kan het versterken maar als het verdrongen wordt, zal net als in andere sectoren de kracht van de sport verdwijnen tot iets dat ook nog even moet.
Daarom mijn normatieve - Sandra heeft geheel gelijk – voorzet om even na te denken over die gerationaliseerde modernisering van de sport, waarbij marktdenken en marktverhoudingen – niet door Sandra overigens getuige een groot deel van haar tekst – dominant worden. Ik doe een gepassioneerde oproep uit te blijven gaan van de kern van het sporten en vooral de sociale organisatie en het vrijwillige eigenaarschap van de sport. Daar kunnen ook professionals aan bijdragen
Met dank voor de kaats van Sandra!
Prof. dr Paul Verweel is hoogleraar op de ‘Krajicek-leerstoel’ voor Bestuurs- & Organisatiewetenschap aan de Universiteit Utrecht. Sinds 2003 was hij al hoogleraar aan die Universiteit. Daarnaast is hij o.m. voorzitter van het W.J.H. Mulier Instituut, en vicevoorzitter van het dagelijks bestuur amateurvoetbal bij de KNVB.
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.