1 december 2009
Opinie
Beste Ivo e.a.,
Dank voor de wijze woorden, ook aan je
collega-scribenten. Ik neem ze ter harte. Graag ook even ruimte voor nadere
bespiegeling op twee kwesties. Ten eerste de wenselijke prudentie en
zorgvuldigheid. Ten tweede de rechten van niet alleen atleten maar ook van
sportartsen in het geheel.
Allereerst: een interessante
ontwikkeling dat jullie je op dit onderwerp als medisch-ethische commissie van
je beroepsgroep mengen in het dopingdebat. Ook al beschrijven jullie tegelijk je
tegenstrijdige gevoel dat jullie die openlijke discussie eigenlijk niet zo
openlijk willen. Ik kan daar bij aansluiten! In mijn dagelijkse werk als
psycholoog/performance coach werk ik in de beslotenheid die een voorwaarde is
voor de bescherming van de privacy van mijn coaches en daarmee een voorwaarde
voor het vruchtbaar blijven van mijn werkzaamheden. Ik voel me daar al vele
jaren prima bij! Ik had en heb er daarom ook geen moeite mee dat het departement
als voorwaarde stelde aan mijn participeren in de VWS-werkgroep dat het daar
besprokene vertrouwelijk zou zijn.
Ik hoef er weinig woorden aan te
besteden om duidelijk te maken dat sporters zelf niet in de positie zijn om zich
kritisch uit te laten over de dopingregelgeving die ze zich moeten laten
welgevallen. En evenmin over het gebrek aan vrijheid van sporters om gebruik te
maken van hun meningsuiting over dit onderwerp. De repercussie van weigering is
immers: geen topsport, geen uitoefening van je sport als werk en een jarenlange
geur als dopingvoorstander.
Tegen die achtergrond ben ik me na mijn actieve sportcarrière gaan inzetten voor een volwaardige medezeggenschappositie van sporters over hun eigen werkomstandigheden. Daartoe behoort ook de (sociaal-)medische begeleiding en verzorging bij de uitoefening van hun sport/werk in verband met de extra specifieke risico’s waar zij aan bloot staan, inherent aan die sport. Niet anders dus dan in het leger, de brandweer, arrestatieteams, enz. Sporters en ook sportbestuurders valt helaas snel argwaan ten deel, indien ze zich als medestander zouden uitspreken voor mijn opvattingen, is me gebleken.
Met meerdere van hen heb ik regelmatig contact, respecteer hun wens hun namen niet te noemen en laat me nu en dan wel door hun souffleren. Als zelfstandig ondernemer loop ik niet het risico op ontslag of maatschappelijke schade, ik hoef me niet naar een werkgever of bestuur te verantwoorden, ik spreek slechts namens mijn gezonde verstand en wordt gedreven door mijn verbondenheid met de sporters, mijn eigen voedingsbodem.
Ik laat me wat betreft de door jullie - en ook door mij - gewenste feiten op
vakgebieden waar ik geen verstand van heb graag leiden door betreffende
specialisten. Bijvoorbeeld de mate waarin het WADA-systeem gelijkenis vertoont
met de inquisitie heb ik zelf nooit als eerste durven uitspreken. Het waren
erkende juridische wetenschappers zoals Kuitenbrouwer (NRC) en Soek (Asser
Instituut) die daar juridisch feitenmateriaal voor aandroegen (voor mij is het
gebruik van het woord ‘inquisitie’ dus niet een hyperbool, maar een juridische
gelijkenis. Om die reden is indertijd het manifest ‘Stop the Doping
Inquisition!’ gepubliceerd in de International Sports Law
Journal.)
Indien echter de heer Ram zélf degene is die de
Tv-camera’s zoekt met kwesties waarmee een NDA beter gewoon (nog) niet
beschikbaar zou moeten zijn voor commentaar, en daarbij sporters en hun
prestaties inclusief hun gezin onder verdenking plaatst zonder de ook door
jullie gewenste feitelijke onderbouwing, dan is dat voor mij reden om me daar
kritisch over uit te spreken. Zeker als het nog om kinderen gaat en het gezag
van de ouders niet wordt gerespecteerd. Als zelfs de hoofdredactie van de NRC
dat te gortig vindt en reageert met een hoofdredactioneel commentaar, dan is er
in alle bescheidenheid toch ook voldoende aanleiding voor mij dat ik daar ook
mijn commentaar op mag geven. Ik ben het helemaal eens met jullie als commissie,
met je oproep tot meer prudentie en zorgvuldigheid als er nog geen feiten bekend
zijn. Het verschil is dat ik Ram met name noem, en dat jullie dat niet doen,
maar in plaats daarvan impliciet blijven naar hem, en wel expliciet refereren
aan Faber en mij, omdat wij immers degenen waren die in die kolommen op Ram’s
onzorgvuldigheid en imprudentie reageerden. Het zij zo.
Verder ben
ik blij dat de commissie in haar bijdrage aan het debat ook haar zorg uitspreekt
over de morele grenzen van het huidige dopingbeleid. De commissie beaamt dat
‘rechten van atleten zeker aandacht verdienen’. Dat brengt mij op het tweede
punt van mijn reactie.
Ik ben wel benieuwd wanneer de commissie zich ook gaat
uitspreken over de positie van de sportartsen in het dopingbeleid en de
uitvoering daarvan. Ook voor hen geldt immers dat ze daarin evenals hun
‘patiënten’ (de sporters) slechts inspraak hebben en geen medezeggenschap. En
dat ze last but not least belemmerd worden hun beroep conform de eed ten uitvoer
te brengen, zo heb ik vernomen van sportartsen tijdens een workshop over de
sportgeneeskunde (presentatie onderzoek prof. dr Maarten van Bottenburg, juni
2009).
Vader van den Hoogenband vertelde me toen in de wandelgangen dat hij tijdens de Olympische Spelen van Sydney uit Amerikaanse hoek toespelingen kreeg op zijn doktersschap. Inge en Pieter domineerden toen het zwemmen. De collega’s van de heer Ram vonden toen dus dat Inge en Pieter ‘verdacht hard’ zwommen. Negen jaar later herhaalt de geschiedenis zich en wordt weer een vader onder verdenking van de dopingautoriteiten gesteld, nu omdat zijn zoon en dochter van 15 en 13 jaar ‘verdacht hard’ schaatsen. Ja, het stoort sommigen dat ik aan dergelijke ‘slips of the tong’ van de heer Ram nadrukkelijk aandacht besteed. Op feiten kon hij die verdachtmaking op dat moment volstrekt niet baseren.
Bij een man op zijn positie mag zo’n uitspraak mijns inziens niet worden vergoelijkt en mag daarentegen juist de vraag worden gesteld wat hem beweegt die uitspraak te doen. Hij gaf in het Tv-interview geen andere rechtvaardiging dan zich in laatste instantie te beroepen op zijn geweten. Misschien is het mijn eigen beroepsdeformatie als psycholoog om juist in dergelijke bijvoeglijke naamwoorden en rechtvaardigingen een Freudiaanse verspreking te horen? Maar dat maakt zo’n uitspraak op dat moment niet minder schadelijk, noch voor het gezin, noch voor de Dopingautoriteit als instituut.
Cees-Rein is daar toen in Sydney fel tegen tekeer gegaan, wat leidde tot excuses van de Amerikaanse Chef de Mission. Maar dat verhaal kreeg nog een staartje. Na zijn vier jaarsperiode in de Sportsmedicine Committee werd hij plotseling gewipt voor de nieuwe Committee, zonder opgaaf van reden. Hij vernam uit betrouwbare bron dat men vaderschap van Pieter een onverenigbare zaak vonden in Amerikaanse hoek. Hij zou hem dan ‘kunnen vrijwaren van dopingcontroles’. Cees-Rein liet me in ons contact naar aanleiding van deze repliek weten dat hij dit jaar zijn comeback heeft gemaakt in die Committee’ en zelfs ‘werd gebombardeerd tot voorzitter. En stelt zich de vraag of hier wellicht sprake is van compensatie!
Een symposium voor artsen ter gelegenheid van de Vuelta in ziekenhuis Assen
wil ik in dit verband ook wel genoemd hebben. Ik was daar samen met Toine
Pieters, hooglereraar afdeling Metamedica VU Medisch Centrum, met wie ik contact
heb sinds het verschijnen van diens boek ‘Supergenen en turbosporters’. Heel
interessant om een zaal vol met medisch specialisten, internisten, met kennis
van zaken over medicijnen die ze voorschrijven en waarvan ze de werking kennen
in hun dagelijkse praktijk, te horen spreken over diezelfde medicijnen als
zijnde ‘doping’!! Eén ‘ medicinaal feit’, met twee labels.
Waarmee ik ook
gezegd wil hebben dat ik me graag wil baseren op percepties van allen die
betrokken zijn bij een state of the art begeleiding van sporters die van hun
passie/talenten hun werk (willen) maken.
Parafraserend op Simpson:
artsen vragen zich af, sprekend over de ‘precieze feiten’ van hun medicijnen
waarom velen daarvan tot doping gerekend worden. Ethici zijn er vertrouwd mee
dat een discussie over ‘feiten’ slechts zinvol gevoerd kan worden indien de
discussianten allen dezelfde perceptie delen. En helaas lopen soms percepties zo
ver uiteen, dat het praten over of een feit een feit is, even constructief is
als het trekken aan een comateus paard…
Boeiende ontwikkeling,
zoals gezegd!
Wordt vervolgd!
Met vriendelijke
groet,
Paul Ruijsenaars
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.