27 november 2018
Opinie
door: Jill Eekhart
Dinsdag 13 november was ik aanwezig bij het seminar ‘Good governance in European and international sport: Window dressing or real change?’ in Leuven. Het seminar werd georganiseerd door de Deense organisatie Play the Game1.
Op het seminar stonden de onderzoeksresultaten van twee onderzoeken naar de stand van zaken met betrekking tot goed sportbestuur in vijf internationale sportfederaties centraal, net als een landenvergelijking naar sportbestuur bij nationale federaties in negen Europese landen en Brazilië. Niet alleen de onderzoeksresultaten werden gedeeld. Een belangrijk thema deze dag was de vraag in hoeverre onderzoek naar goed sportbestuur kan bijdragen aan de verdere ontwikkeling van goed sportbestuur binnen (inter)nationale sportfederaties?
The Sports Governance Observer
Arnout Geeraert, Senior Research Fellow aan de KU Leuven en universitair hoofddocent aan de Universiteit Utrecht, lichtte op het seminar beide onderzoeken toe.
De ochtend richtte zich op de resultaten van de Sports Governance Observer 2018 (SGO2018). Dit is een vervolgonderzoek, in navolging van de Sports Governance Observer 2015, over de stand van zaken van goed sportbestuur binnen de belangrijkste internationale sportfederaties: FIFA (voetbal), FINA (zwemmen), IHF (handbal), IAAF (atletiek) en ITF (tennis). De Sports Governance Observer (SGO) is een innovatief instrument om de staat van het sportbestuur in een organisatie onafhankelijk te kunnen waarnemen. De SGO is opgebouwd uit vier dimensies: transparantie, democratische processen, interne verantwoordelijkheid en controle, en maatschappelijke verantwoordelijkheid.
Met een gemiddelde SGO-indexscore van 38 procent hebben de onderzochte internationale federaties nog voldoende zaken om te verbeteren2. Enkele aandachtspunten3:
The National Sports Governance Observer
Tijdens de middag werd het onderzoek van de National Sports Governance Observer (NSGO)4 toegelicht. Deze nieuwe studie brengt normen in kaart met betrekking tot besturen bij nationale sportbonden in negen Europese landen plus Brazilië. Het belangrijkste doel van het project was om nationale sportfederaties te helpen en te inspireren om de kwaliteit van hun governance te verbeteren.
In alle landen zijn de federaties van de volgende sporten meegenomen in het onderzoek: voetbal, handbal, zwemmen, tennis en atletiek. Het in kaart brengen is gebeurd met behulp van 274 individuele indicatoren binnen dezelfde vier dimensies van governance als de Sports Governance Observer: transparantie, democratische processen, interne verantwoordelijkheid en controle, en maatschappelijke verantwoordelijkheid. De bevindingen tonen aan dat de mate van goed bestuur in sportfederaties aanzienlijk verschilt tussen de tien landen (zie figuur hieronder).
De gemiddelde score van de NSGO-landen van de negen Europese landen is 47 procent. De nationale bonden in Noorwegen, Denemarken en Nederland scoren relatief goed. De gemiddelde score op de vier dimensies is als volgt:
Worstelen
Maatschappelijke verantwoordelijkheid is een gebied waar een grote meerderheid van de federaties mee worstelt. De meeste federaties hebben een antidopingbeleid (64 procent), maar presteren minder goed met betrekking tot duurzaamheid (19 procent), atletenrechten (29 procent), gendergelijkheid (24 procent), beleid rond matchfixing (34) procent) en duaal loopbaanbeleid (34 procent).
Concrete uitdagingen zijn onder andere5:
Belangrijke connotatie hierbij is dat het behalen van een lage score niet automatisch betekent dat een federatie niet effectief, onwettig of onethisch is. Maar ‘hoe zwakker de score, hoe kwetsbaarder de federatie’, aldus Jens Sejer Andersen, internationaal directeur van Play the Game.
Good governance en de rol van onderzoek
In een tijd van Footballeaks, dopingschandalen en een discutabele rol van dopingautoriteit WADA is goed sportbestuur een thema dat voldoende in de publieke belangstelling staat. Zaken als corruptie, witwaspraktijken en dopingschandalen doen afbreuk aan het imago van (top)sport. De publieke druk op sportfederaties om te veranderen en hun governance beter op orde te brengen neemt op deze momenten toe. Maar als de storm na een schandaal is gaan liggen, wat gebeurt er dan?
Beide onderzoeken bieden unieke inzichten door de innovatieve en nieuwe manier van het in kaart brengen van de staat van governance in (inter)nationale sportfederaties. Arnout Geeraert benoemde twee onderliggende redenen voor corruptie en slecht sportbestuur in een organisatie:
Volgens Geeraert is cultuurverandering tot stand brengen bijzonder moeilijk. Op het gebied van het inrichten van een goede governance-structuur is het volgens Geeraert wél mogelijk om door middel van onderzoek een bijdrage te leveren. Namelijk door het vergroten van de effectiviteit van een organisatie door het verkleinen van het risico op corruptief gedrag. Daarbij is het implementeren van (een structuur) van good governance belangrijk en het helpt het meetbaar maken van good governance. Bovendien laat onderzoek volgens Geeraert zien dat, hoewel in de afgelopen jaren bij sommige federaties hervormingen zijn geïmplementeerd, zij niet in staat zijn ambitieuze standaarden te implementeren als het aankomt op governance.
Geen ‘window dressing’ maar ook nog geen ‘real change’
Inhoudelijk was het boeiend om te zien welke resultaten uit beide onderzoeken kwamen. Maar een echte discussie over het belang van onderzoek voor het bijdragen aan goed sportbestuur bleef uit. De reden daarvoor was simpel: geen van de internationale sportfederaties had de uitnodiging geaccepteerd om aanwezig te zijn op het seminar. Ook de nationale federaties waren niet of nauwelijks aanwezig. Daarmee miste een belangrijke pilaar in het speelveld.
Het legt een kwetsbare kant van het onderzoek bloot: hoe leg je verbinding met sportfederaties? Een belangrijke voorwaarde voor het maken van impact is het voelen van een gedeelde noodzaak tot verandering. De resultaten van het onderzoek kunnen op de betreffende federatie gemakkelijk als kritiek op het functioneren worden gezien. Dit beeld wordt ondersteund door het feit dat Geeraert bij zijn presentatie toelichtte dat niet iedere federatie heeft meegewerkt aan het onderzoek door het verstrekken van informatie. Dit legt meteen een zwakte bloot van de (beperkte) impact die je met onderzoek kan maken. Die impact is namelijk afhankelijk van de welwillendheid van organisaties om open te staan voor feedback en verandering. En daar wringt de schoen.
Publiek debat
Toch heeft het onderzoeken van goed sportbestuur wel degelijk waarde. Onderzoek blijft nodig om aandacht te (blijven) genereren voor maatschappelijke vraagstukken en thema’s. Het stimuleert het publieke debat en kan als extern pressiemiddel dienen om de noodzaak van verandering te duiden. De SGO2018 toont ook een significant verschil tussen die federaties die verwikkeld zijn in een publiek schandaal op mondiaal niveau, en de federaties van wie het werk vaak onderbelicht blijft in de media.
Juist daar liggen kansen om de impact van onderzoek te vergroten en real change te bewerkstelligen. Kom in verbinding met federaties en bonden en ga echt het gesprek aan. Dan creëer je de mogelijkheid om intern een beweging op gang te brengen. Bij medewerkers die hierdoor inzien dat dingen anders kunnen en moeten en voor een betere organisatie en daarmee een duurzame ontwikkeling van sport. Dat vraagt mensen met visie, het durven uiten van een mening en mensen die impact willen maken voor een duurzame sport.
Noten:
Jill Eekhart werkt bij Nyenrode Sports Inc. en is voorzitter van de Amsterdamse voetbalvereniging DVVA. Thema's die haar bezig houden zijn de maatschappelijke rol van sport, duurzaam sportbeleid en diversiteit in sport.
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.