2 april 2024
Opinie
door: Jeroen Weijermars
Inmiddels draai ik vanaf mijn 18e jaar mee in de wereld van sportbesturen. Zowel op lokaal als nationaal niveau heb ik mogen bijdragen. En er lijkt ten opzichte van vroeger niet zoveel te veranderen als je nu nog aanschuift bij de verschillende sessies waar men het over de organisatie en de uitdagingen van ‘de sport’ heeft. De koppen zijn misschien nog grijzer, zeker die van mij, dan toen ik begon maar de gedrevenheid blijft. Iedereen heeft het beste voor met de sport, maar heeft ook te maken met de realiteit van dit moment. Qua sportdeelname is het niet echt hosanna. Daarbij krijgen klassieke sportverenigingen het jaar op jaar moeilijker. Aan de inzet van kader ligt het niet, maar het wordt in een steeds ingewikkelder speelveld voor hen ook niet makkelijker. Wat weer leidt tot minder tijd en inzet voor hun core business en dat zorgt weer voor… je kan de vicieuze cirkel invullen.
Laat ik beginnen met een voorbeeld uit de praktijk bij een event over verenigingsondersteuning waar ik bij aanwezig was. Een van de jongere bestuurders, en jonger was je in dit gezelschap al onder de 50 jaar, vroeg waarom haar sportvereniging in dit financieel lastige tijdperk door de gemeente veroordeeld was tot het betalen van WOZ-belasting. Immers de grond waarop hun accommodatie stond was van de gemeente en de accommodatie was er voor het mooie doel om mensen te laten sporten en bewegen. Een interessante vraag leek mij, bovendien een vraag die redelijk snel beantwoord kan worden. Want bij WOZ-belasting heb je een eigenaars- en een gebruikersdeel. De WOZ die deze sportvereniging betaalt betreft alleen het gebruikersdeel. Een nuancering die ter plekke gegeven had kunnen worden maar helaas uitbleef. Dat de sportvereniging niet de eigenaar is van de accommodatie en wel WOZ-belasting betaalt, is dus helemaal niet vreemd.
Tegelijkertijd is de vraag toch legitiem. Want diezelfde sportvereniging helpt met het realiseren van nationaal geformuleerde ambities. Nederland aan het sporten en bewegen krijgen. Waarover hieronder meer. Sportverenigingen doen dit door de inzet van heel veel vrijwilligers die gratis tijd ter beschikking stellen. Desondanks krijgt deze onbezoldigde facilitator naast de toenemende andere kosten door de lokale overheid een extra financiële drempel opgeworpen. Een drempel die eenvoudig geslecht kan worden door te stoppen met het onnodig rondpompen van geld, belasting innen en (in)directe subsidies verstrekken. Dus het heldere maar niet gewenste antwoord richting de vraagsteller zou uit de mond van de gemeentelijke sportbeleidsambtenaar kunnen zijn: 'de gemeente heeft gewoon belastinggeld nodig en daar draagt jullie vereniging en daarmee jullie vrijwilligers ook aan bij.' Een prettiger antwoord maar nog nooit gehoord: 'als sportvereniging doen jullie zulk belangrijk werk dat we deze extra belasting op het faciliteren van sport en bewegen op korte termijn gaan afschaffen.' Helaas bleek dat laatste ook hier wensdenken.
Kluitje in riet
Het antwoord dat wel volgde was typerend voor het taai speelveld waar sportverenigingen zich in bevinden. 'Een goede vraag', zo klonk het, zoals de ambtenaar van dienst ongetwijfeld op communicatiecursus geleerd had. Vervolgens gaf deze professional aan dat hij na zou gaan of de overige sportorganisaties ook een WOZ-taks kregen - ja dus, zoals eerder uitgelegd - en daarna ambtelijk zou gaan inventariseren of die andere verenigingen dit dan ook als probleem ervaren. Dit alles zou dan worden teruggekoppeld in de eerstkomende bijeenkomst. Die stond overigens over een half jaar geprogrammeerd. De jonge dame die de eenvoudige vraag: 'waarom betalen wij WOZ-belasting' had gesteld werd zo, misschien niet eens bewust, op een vrij ouderwetse manier met een kluitje in het riet gestuurd.
Twee weken later zette Koen Breedveld tijdens zijn intreerede als nieuwe lector 'Impact van sport' aan de Haagse Hogeschool wat getallen op een rij. Mij werd veel duidelijk. De sportdeelname is van 2002 tot 2023 gegroeid van 50% naar 55%. En die 55% was eigenlijk al in 2012 bereikt. De groei kwam met name tot stand door het sporten van ouderen, zij blijven meedoen. Want de sportdeelname van jongeren neemt zelfs af ten opzichte van twintig jaar terug. Kortom de bevolking groeit, maar de sportparticipatie groeit nauwelijks mee en gaat hier en daar zelfs achteruit. Breedveld bracht het, zoals een lector betaamt, vrij genuanceerd maar het signaal is duidelijk. Er moet wat gebeuren. Vijf voor twaalf heet het dan. Niet zijn woorden, maar die van mij…
Streefdoelen
Qua beleid klotsen de goede bedoelingen al jaren tegen de plinten. Ambities ook. De ambitie van NOC*NSF is onder meer dat er in 2032 twaalf miljoen mensen, minimaal drie keer per week, sporten of sportief bewegen. En tachtig procent van de jeugd moet een goede beweegvaardigheid hebben, zo luidt een van de andere streefdoelen. Dit mag je met recht stevige ambities noemen.
Ik juich het toe. Hoe mooi zou dat zijn. Maar de werkelijkheid is weerbarstiger dan de papieren doelstellingen. Zo blijkt al jaren. Er wordt in allerlei groepen lang en veel gesproken over wat er anders moet. En het moet maar eens gezegd… het tij lijkt niet te keren. Tenminste niet zonder rigoureuze interventies.
Persoonlijk ben ik altijd een warm pleitbezorger om meer in te zetten op de sportvereniging. Ook wel ‘de georganiseerde sport’ genoemd. Wat mij betreft het fundament van de sport. Immers, waar gaan kinderen als eerste sporten? Bij diezelfde vereniging. En hoe jonger mensen in aanraking met sport komen hoe langer ze als sporter actief blijven.
Helaas blijkt de sportvereniging minder toekomstbestendig dan ik zelf altijd geacht had. Het aantal verenigingen neemt beetje bij beetje af. En ondanks een groeiende bevolking, tien procent sinds 2003, vermindert het aantal leden bij sportverenigingen. Corona heeft daarbij weinig goeds gedaan maar het is te makkelijk dat als dé reden te benoemen. 'En basketbal dan?', hoor ik in gedachten al iemand roepen. Daar kan ik alleen maar op antwoorden: 'Iets met één zwaluw en zomer'. De cijfers die bij de intreerede van Koen Breedveld voorbij kwamen waren weinig feestelijk. De meeste georganiseerde sporten hebben het op veel fronten moeilijk, zo liet hij op het scherm aan zijn publiek zien.
Helemaal verrast was ik niet. Als docent op het HBO vraag ik al een decennium aan de jaarlijkse nieuwe lichting studenten, aan wie ik sportmarketing en sportmanagement doceer, wie er lid is van een sportvereniging. Ieder jaar zijn het, bij een gelijkblijvende groepsomvang, minder handen. De vervolgvraag is wie er als vrijwilliger een contributie in tijd levert, dus vrijwilligerswerk binnen de vereniging doet. Ook dat wordt per jaar minder. Aan hen die niets doen als vrijwilliger vraag ik vervolgens: 'Wat zou jij doen als een gebrek aan vrijwilligers ertoe leidt dat de vereniging ophoudt te bestaan?' Achterliggende gedachte is om te achterhalen of het hen dan voldoende zou motiveren om dan de handen tóch uit de mouwen te steken?
Consumentisme
Met lede ogen moet ik dan constateren dat deze virtuele onheilstijding eigenlijk geen verschil maakt. Laconiek wordt dan geantwoord: 'Dan stop ik of stap ik over naar een andere vereniging'. Hoewel dit natuurlijk geen betrouwbaar onderzoek is, zie ik het als een teken van deze tijd. De vereniging in zijn traditionele vorm lijkt de langste en beste tijd gehad te hebben. Mensen in het algemeen en met name jongeren zijn steeds minder geneigd een actieve bijdrage te leveren aan de vereniging die hen sportief vormde en faciliteerde. Waar de sportclub het kloppend hart van hun sociale leven was, daar lijkt nu een consumentisme op te doemen dat geen genade kent, zelfs niet als dit het einde van hun eigen vereniging zou betekenen.
De kenners, ‘sportgekkies’ werden zij bij de eerder aangehaalde intreerede genoemd, weten dat bij het ter ziele gaan van een vereniging een unieke organisatie verloren gaat. Want nog steeds is de sportvereniging, anders dan bijvoorbeeld de commerciële fitnessclub, meer dan een aanbieder van diensten. Als we een aanpak die leidt tot het betrekken van jongeren bij de sportvereniging in een beleidsstuk zouden formuleren komen er mooie volzinnen op papier te staan zoals: 'De sportvereniging is een sociaal construct dat mensen samenbindt, vormt, en leden levenslange herinneringen en vriendschappen oplevert. De waarde ervan kan niet in louter consumententermen worden uitgedrukt. Het is dus de uitdaging om, in een tijdperk waarin de jongeren worden overspoeld door een eindeloze stroom van mogelijkheden, hun vrije tijd te laten besteden in de vereniging en deze essentiële boodschap van de waarde van het lidmaatschap opnieuw te laten resoneren.'
En daar zit mijns inziens nu de crux. De sportvereniging is een verzameling van mensen met een hands on-mentaliteit. Die zijn de afgelopen jaren geconfronteerd met steeds meer beleidsinterventies die voortkwamen uit goede bedoelingen maar dit waren, buiten doorspekt met jargon, vooral interventies die steeds meer taken bij de vereniging neerlegden. En dat leidde er toe dat bij diezelfde vereniging steeds minder mensen met de kerntaak bezig waren: sport faciliteren. In andere sectoren zijn daar kreten als 'meer blauw op straat' en 'meer handen aan het bed' door ontstaan.
Koen Breedveld hield zijn toehoorders voor dat in een wereld van on demand, waar alles direct besteld en direct geleverd kan worden, we met elkaar belemmeringen moeten weghalen om mensen aan het sporten te krijgen. Anders sluiten er te weinig mensen aan of haken mensen af. En ik denk dat hij gelijk heeft. We zijn het op alle fronten gewend. 'I want it all, I want it now'. En die mentaliteit is niet meer terug te draaien.
'Okay, boomer. Lekker gewerkt goed verhaal en lekker kort ook', zou de generatie Z zeggen. 'Maar wat nu?'
Het is tijd is om de veranderingen te faciliteren. Dat begint met het uitwerken van nog meer nieuwe plannen te stoppen. Het ambitieniveau dat door NOC* NSF voor 2032 is geformuleerd, is een prachtige uitdaging op zichzelf.
Wat ik met de bovenstaande voorbeelden heb willen aangeven is dat nog langer discussiëren en nog meer papier genereren waarop goede bedoelingen zijn uitgeschreven weinig zin heeft. Dat doen we nu al zo lang. Het kost enorm veel geld dat we gewoon direct kunnen investeren in de sport. Bijvoorbeeld door de WOZ voor verenigingen te laten sneuvelen. Het is tijd om de handen uit de mouwen te steken, verenigingen mensen te leveren in plaats van ideeën en papier. Daar hebben we inmiddels genoeg van, wettelijk en figuurlijk.
Jeroen Weijermars is als docent verbonden aan de opleiding Sportkunde van de Haagse Hogeschool en geeft les op het gebied van sportmanagement, -marketing en -beleid.
In zijn vrije tijd vervult hij al ruim 35 jaar verschillende bestuursfuncties, met name binnen de sport. Als Chef de mission van de Stichting Sport in Beeld organiseert hij breedtesportevenementen in de regio Leiden waarmee per jaar meer dan 30.000 mensen in beweging worden gezet. Voor meer informatie: jeroen@StichtingSportInBeeld.nl of www.StichtingSportInBeeld.nl.
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.